Thea Beckman: ‘Het schrijverschap is een slavenbaan’

Ook Thea Beckman werd niet altijd gelukkig van het circus dat literatuur heet, schreef ze aan haar jonge collega Jacques Vriens. Getroffen door de herkenbaarheid van haar brieven, reflecteert Anne Louïse van den Dool op de ongeschreven regels van de uitgeverswereld. Hoe fijn zou het zijn geweest als Beckman de jonge debutante destijds onder haar vleugels had genomen.  

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Soms voel ik me een oude vrouw in het lichaam van een begindertiger. Dat gevoel komt niet alleen op wanneer ik me op zaterdagavond met een boek op de bank begraaf of als ik na afloop van een restaurantdiner zeur om een tandenstoker of pepermuntje – het overvalt me ook geregeld wanneer ik me in de literaire wereld begeef.


Ik stapte de uitgeverswereld binnen op mijn negentiende, toen ik – als jongste auteur tot nu toe – een boekcontract tekende bij uitgeverij Querido. Het was een droom die uitkwam voordat ik ’m goed en wel had kunnen omarmen: op basis van de extreem scheve verhouding tussen het aantal Nederlanders met schrijfambities en de hoeveelheid beschikbare ruimte in de boekhandel had ik mijn fantasieën stiekem al laten varen.

 

‘Heb al ongeveer 100 blz. maar die vormen met elkaar een grote puinhoop’

 


Plots was het toch zover, en stond ik als twintigjarige op uitgeversfeestjes waar de gemiddelde leeftijd ver boven de vijftig lag. Ik ontdekte het onderscheid tussen de fondsen van de verschillende uitgeverijen en voelde de eerste steken van onderlinge rivaliteit. Ik leerde over voorschotten, royalty’s en literaire prijzen, over voorjaars-, zomer- en najaarsaanbiedingen en gunstige publicatiemomenten – die interessant genoeg telkens weer wisselden, afhankelijk van het moment waarop je eigen boek op de planning stond.

 

Ik heb me regelmatig afgevraagd of al die heimelijke regels niet ergens opgeschreven stonden – met zoveel auteurs die jaarlijks voor het eerst in het literaire diepe worden gegooid, leek me dat geen overbodige luxe. Bovendien duurde het een tijdje voordat ik open gesprekken durfde aan te gaan met andere schrijvers over het wel en wee in uitgeversland – ik was eerst nog te druk met oefenen op alle namen en gepubliceerde titels van mijn Querido-collega’s, die op feestjes elkaar wel feilloos leken te vinden.

 

Des te beter begrepen voelde ik me, toen ik een tweetal brieven uit 1978 van Thea Beckman (1923-2004) aan Jacques Vriens (1946) uit het archief van het Literatuurmuseum onder ogen kreeg. De twee komen met elkaar in contact naar aanleiding van een verzoek dat Beckman ontvangt van uitgeverij Dijkstra uit Zeist: of ze een serie boekjes wil maken voor basisschoolkinderen. Na weken van tobben en uitstellen, ‘compleet met opwindende vakanties in verre landen en luie dagen in de tuin’, moet Beckman concluderen dat ze geen zin heeft in de opdracht en ’m liever aan een jonge schrijver gunt.



 



Vriens is wat haar betreft ‘dé man voor de klus’: hij is een jonge, talentvolle schrijver – hij is op dat moment 32, Beckman 55 – en heeft bovendien ervaring in het onderwijs. Die twee beroepen had hij enkele jaren daarvoor al bij elkaar gebracht in zijn debuut Die rotschool met die fijne klas (1976), over de innige band tussen de eigengereide meester Jan Brinkman en de groep zeven die hij onder zijn hoede heeft.

 

Ook Vriens heeft echter weinig trek in het project, blijkt uit Beckmans reactie op diens schrijven – mogelijk heeft hij het te druk met de publiciteit rondom zijn tweede boek, Ik wil mijn poes terug, dat op dat moment net verschenen is. Het weerhoudt Beckman er niet van te informeren of Vriens al aan iets nieuws bezig is – hoewel dat vooral een opstapje lijkt naar een reeks verzuchtingen van haar kant over de mindere kanten van het vak:


Het schrijverschap is een slavenbaan, je moet blijven produceren anders lig je er in de kortste keren weer uit. Boeken, hoe feestelijk ook ter wereld gekomen, hebben in de regel geen lang leven, na drie, vier jaren zijn ze ‘oud’, of uitverkocht, of iedereen ‘kent het al’ en verlangt iets nieuws. Wie een paar jaar niets meer heeft geproduceerd, heeft de grootste moeite er weer in te komen. Toch is het ook zaak niet te véél te schrijven, anders verdringt het ene boek het andere en dat deugt evenmin.

 

De herkenbaarheid van Beckmans relaas trof me: een collega-schrijver die iets over die ongeschreven uitgeversregels op papier zette, alle vreemde paradoxen incluis. Je moet niet te veel produceren, want dan beconcurreer je je eigen werk – maar ook niet te weinig, want dan word je binnen de kortste keren vergeten. Je moet je ziel en zaligheid in een schrijfproject stoppen, maar mag niet teleurgesteld zijn wanneer het al na een paar jaar weer uit de gratie is geraakt.



 



Beckman laat op meer punten doorschemeren dat het schrijverschap voor haar niet altijd over rozen gaat. Ze worstelt met de vraag hoe opdrachten voor verschillende uitgeverijen zich tot elkaar verhouden: als ze bij haar vaste uitgeverij Lemniscaat begint over de vraag vanuit Dijkstra, voelt ze dat die daar niet blij mee is (‘Wat je ook schrijft: als het goed is willen wij het ook uitgeven’). Tegelijkertijd moet ze ook de rekeningen kunnen betalen, en zo’n losse opdracht helpt daarbij.

 

Thea Beckman over het schrijven van historische jeugdboeken: maak het spannend, maar waak voor geschiedvervalsing

Ook laat ze in de brieven aan Vriens weten dat haar nieuwe boek ‘maar moeizaam van de grond’ komt : ‘Heb al ongeveer 100 blz. maar die vormen met elkaar een grote puinhoop.’ Ze brengt veel tijd door in de openbare bibliotheek in Utrecht, waar ze de afdeling met informatie over de stad helemaal uitspit – mogelijk als vooronderzoek voor haar boek Stad in de storm (1979) over Utrecht in het rampjaar 1672, waarin de stad door de Franse bezetter wordt ingelijfd, en 1674, als Utrecht door een tornado wordt getroffen. Hoe langer ze zoekt en speurt, hoe perfectionistischer ze wordt in het neerzetten van de stad in die tijd.


Minstens net zo herkenbaar is de manier waarop Beckman volledig door haar schrijfproject in beslag wordt genomen: lopend door Utrecht kan ze alleen maar denken aan de versie van de stad van drie eeuwen geleden, waarvan de oude muren, poorten en smalle steegjes nog steeds stille getuigen zijn. Het net geopende winkelcentrum Hoog-Catharijne ziet ze niet eens meer staan.

 

Na vier boeken denk ik steeds meer te begrijpen van de keuzes die – grotendeels achter de ruggen van schrijvers om – worden gemaakt. Soms, wanneer een jonge debutant tijdens een borrel wat zoekend om zich heen kijkt, probeer ik – oude rot in het lichaam van een dertiger – een korte samenvatting te geven van de inzichten die ik in de loop der jaren heb verzameld, en ontstaat voor even zelfs het gevoel dat ik de logica best een beetje onder de knie heb.


Toch denk ik de laatste tijd vaak hoe fijn het was geweest als Beckman mijn negentienjarige zelf destijds onder haar vleugels had genomen, met wijze raad over hoe je door die bijzondere literaire wereld heen beweegt. Misschien had ik de soms onnavolgbare kronkelwegen van het uitgeverslandschap dan al wat sneller kunnen volgen, en had ik er bij tijd en wijle wellicht ook wat meer lak aan gehad.