Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief
‘Bijna niemand weet meer wie dat is, denk ik,’ schrijft Marjoleine de Vos over Chr. J van Geel in haar boek Zo hevig in leven. Over sterfelijkheid (2024). Op het omslag zie je zijn illustraties: ‘grappige kleine vogeltjes’, die Van Geel op een correspondentiekaart tekende. ‘Heel misschien wil het Literatuurmuseum ze nog hebben,’ oppert De Vos over de geïllustreerde kaarten van de dichter en kunstenaar.
Het toeval wil dat het Literatuurmuseum inderdaad afgelopen jaar de literaire nalatenschap van Van Geel (1917-1974) in ontvangst mocht nemen. Van Geel interesseert zich in de puberteit al voor kunst en literatuur, en schrijft zich na de middelbare school in aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs en de Nieuwe Kunstschool in Amsterdam. Hij vindt aansluiting bij belangrijke bewegingen in zijn tijd – waaronder de Nederlandse surrealisten. Met zijn vriend Emiel van Moerkerken maakt hij een serie opzienbarende surrealistische foto’s. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkt hij mee aan het beroemde tijdschrift-in-één-exemplaar De Schone Zakdoek en na 1945 schrijft (en tekent!) hij voor onder andere Tirade, De Gids, Barbarber, Hollands Week- en Maandblad.
Oorspronkelijk begint Chris van Geel als beeldend kunstenaar, maar al snel dicht hij ook en de poëzie neemt binnen de kortste keren het meest van zijn tijd in beslag. Zo publiceerde hij onder de naam Chr.J. van Geel. Gedurende zijn hele leven wisselt Van Geel zijn talenten met elkaar af, terwijl ze elkaar soms ook in de weg zitten. ‘Ik wou dat die vogeltjes nu maar weer eens wegvlogen,’ schrijft Van Geel aan zijn zoon, ‘dan kon ik mijn brieven verder schrijven en misschien weer versjes maken, in ieder geval er weer aan werken.’ En aan Barbarber-redacteur Gerard Brands: ‘Ik hoop dat de verzen de tekeningen niet bijten, of andersom. Ze komen wel uit dezelfde koker, maar ieder uit een andere uitgang.’



