Een dartel relaas van een kort, maar cruciaal tijdperk in de literatuur
1) Waardering van collega’s is de hoogste vorm van vleierij, ook voor schrijvers.
Dit weet ik niet alleen door mijn eigen omgang met schrijvers, ik weet het ook uit de biografieën, de brieven en andere archiefstukken van het museum. Het is het pantser tegen de potentieel havenende mening van critici en andere (professionele) lezers.
2) Schrijvers schrijven, ja maar ze schrijven om gelezen te worden – ook de schrijvers die dat ontkennen. Een klein beetje hypocrisie is de zelfbeschermer niet vreemd. Opname in een bloemlezing is fijn.
3) Er is een moment dat een gedicht geboren wordt. Ik weet niet of dat met een beeld (een geliefde die niet meer om je lacht), met een zin (‘En in mijn vermoeide zinnen / Waar eens je lach in brak’), of een gevoel of inzicht is, later die dag (‘Ze lacht niet meer om mij’), maar wat zeker is: er is een moment dat een gedicht geboren wordt. Daarna moet het op zichzelf de wereld in: als los gedicht, in een bundel van de dichter, of, eventueel, in een bloemlezing.
