Cees Nooteboom: 'Met excuses voor het opschepperige postpapier, maar ik ben net een ekster, als ik de kans krijg pik ik het mee'

De laatste jaren van zijn leven woonde Cees Nooteboom op het Spaanse eiland Menorca. Hij schreef daar zo nu en dan nog eens een gedicht, las de krant, groette vrijwel dagelijks de ezel in zijn achtertuin maar reizen deed hij niet meer, dat had hij genoeg gedaan. Hij overleed, ‘heel rustig’ berichtte De Bezige Bij, op 11 februari 2026. Bertram Mourits bekijkt in het archief de brieven van Cees Nooteboom aan zijn vrienden. 

 

Wanneer je gaat kijken naar de flinke handvol brieven die het Literatuurmuseum van Cees Nooteboom in collectie heeft, lijkt het wel alsof hij volkomen rusteloos was. Dan is het weer briefpapier van het Waldorf Astoria in New York, een volgende brief komt uit het Clarendon Hotel Edinburgh of het Victoria Hotel Lissabon.

 

Je krijgt de indruk dat Nooteboom én altijd op reis was, én dat het schrijven van een brief een rituele daad voor de reiziger was. Hoewel voor dat laatste best iets te zeggen is, is de reden voor deze rijkdom aan briefpapier deels ook een praktische, blijkt uit de brief aan Hella S. Haasse die hij vanuit het Burgtheater in Wenen lijkt te schrijven. Niet dus, er staat gewoon ‘Amsterdam’ boven de brief, die als volgt begint: ‘(met excuses voor het opschepperige postpapier, maar ik ben net een ekster, als ik de kans krijg pik ik het mee)’. 

 

Het is een uiterst hartelijke brief, waarin Nooteboom op elegante wijze getuigt van zijn bewondering. Hij las op een dag twee boeken van Haasse uit, het Boekenweekgeschenk Transit (1994) en De tuinen van Bomarzo, uit 1968. Hij benadrukt dat hij niet ook op diezelfde dag begon aan die twee boeken: ‘Hoe vermijd je de indruk dat je ze alle twee op één dag hebt gelezen? Nederlands is moeilijk, nee, schrijven is moeilijk, laten we maar zeggen dat de haas en de schildpad (Bomarzo) tegelijk aankwamen!’ Nooteboom hoopt de tuinen uit de titel van het boek nu ook eens in het echt te zien; zelfs in zijn lezen geeft hij blijk van reislust. 

 

 

Met excuses voor het opschepperige postpapier, maar ik ben net een ekster, als ik de kans krijg pik ik het mee

 

 

Sowieso is Nooteboom goed in bewonderen, en niet alleen wanneer hij een schrijver laat weten dat hij zijn of haar boek had gelezen. In een kort briefje aan uitgever en oprichter van Maatstaf Bert Bakker uit 1961 – lang voor Nooteboom bekend was en in een periode dat hij het geld goed kon gebruiken – vraagt hij om spoedige betaling voor gedichten die hij voor Maatstaf had ingestuurd. Het slot van dat briefje is nog het interessantst, wanneer hij Bakker aanspreekt in diens rol van bestuurslid van de Jan Campert-Stichting.

 

Waarom heb je Gerrit Kouwenaar nog geen Campertprijs gegeven? Dat gaat me natuurlijk niets aan, maar K. is nu eenmaal een van de grtste [sic] dichters in onze taal, en heeft nog NOOIT een prijs gehad. Jij die naar wij horen EIGELIJK de minister bent moet daar toch iets aan kunnen doen?

 

 

Of Bakker zich van deze aansporing iets heeft aangetrokken, valt niet te bewijzen maar een feit is dat Kouwenaar in 1962 de Jan Campert-prijs in ontvangst mocht nemen. Zelf werd Nooteboom in 1978 met die prijs bekroond, en twee jaar later kreeg hij nog een andere Haagse literatuurprijs: de F. Bordewijk-prijs. In zijn dankwoord constateert hij vrolijk: ‘Er zullen waarschijnlijk mensen zijn die denken dat ik een abonnement op deze plek heb. Twee jaar geleden stond ik hier tenslotte ook al om de Jan Campert-prijs in ontvangst te nemen. Het moet iedereen duidelijk zijn dat dat alleen maar komt omdat ik in Den Haag geboren ben. Wij gaan voor.’ 

 

Wie Nooteboom tot zijn vrienden rekende, ervaarde gulheid en creativiteit. Zo onderhield hij een levendige correspondentie met Jan Gerhard Toonder, en voor hem maakte hij een hoes voor een EP’tje. Er stond volksmuziek van Ibiza op, maar het (deels?) door Nooteboom gefabriceerde hoesje suggereerde dat er een opera ‘Ibiza’ bestond, waaraan een keur van vrienden meewerkte. ‘Deze plaat wordt u aangeboden door de NV Nooteboom/Lichtveld’ – Cees en zijn toenmalige echtgenote Fanny. 

 

 

Ook Remco Campert was lange tijd goed bevriend met Nooteboom, en ook die vriendschap werd op ruimhartige manier onderhouden. Voor Camperts zestigste verjaardag maakte Nooteboom een ‘Boek voor Remco Campert’, met twee foto’s van de vrienden die echtgenote Simone Sassen had gemaakt, en verder gevuld met herinneringen, grapjes en gedichten. Prachtig verzorgd, één uniek exemplaar alleen voor deze gelegenheid. In een gedicht daaruit, ‘Haagse jongens’, schrijft Nooteboom dat beide schrijvers in Den Haag waren geboren – met een leeftijdsverschil van vier jaar: samen telden ze 116 jaar, stelt het gedicht vast. Het werd nooit gebundeld, maar Remco Campert zou het in 2016 in een Volkskrant-column citeren. 

 

Twee dode vaders, zelfde jaargang 

Twee haagse jongens 

in hun eigen krankzinnige badplaats,

de hele zon in een glas jenever 

op het terras van het Kurhaus. 

Zoiets ongeveer, de eeuwigheid:

samen met poedels, Tata Mirando, 

116 jaar krentebrood. 

 

Cees Nooteboom: ‘Het gaat al zo lang over het einde. Op een dag is het je beurt, en die dag komt nu erg dichtbij’

 

Ook in de correspondentie tussen deze twee heren zit meer dan eens briefpapier uit een internationaal hotel – en ook hier staat er regelmatig dan toch gewoon ‘Amsterdam’ boven de brief. Maar Nooteboom stuurde ook brieven en kaarten vanuit Polen, Argentinië, Engeland of Amerika. En uiteindelijk vooral nog vanuit ‘San Lluis’, het plaatsje op Menorca waar hij de laatste jaren van zijn leven verbleef. 

 

Een groot contrast met het rusteloze reizen, waren deze laatste jaren op Menorca, zoals Thomas Heerma van Voss beschrijft in het laatste interview met de schrijver. Het eiland is in zijn werk ook duidelijk aanwezig, bijvoorbeeld in de melancholieke verhalenbundel 's Nachts komen de vossen (2009), waarin veel wordt teruggekeken.

 

De gebeurtenissen zoeken hem op, anders dan bij zijn reizen, waar hij juist op zoek ging naar de gebeurtenissen. Zo gaat het ook in de laatste dichtbundel die van Nooteboom verscheen: Vos (2022), waarin de wereld klein is geworden en de overwegingen steeds vanzelfsprekender naar het verleden gaan. Regels als ‘Ik herinner me [Jan Hein] Donner, nu ook al lang dood, / nooit meer gezien. Waar blijft toch alles?’ hadden zo uit het interview met Thomas Heerma van Voss kunnen komen. 

 

 

Het gedicht ‘Middag’, in dezelfde bundel, zal bekend klinken voor wie Nooteboom in Spanje heeft bezocht. Enkele maanden voor Heerma van Voss hem ging interviewen, was het museum met een delegatie op bezoek. En daar zagen we inderdaad de ‘Oleasters, vijgenboom, / meervoud en enkelvoud, / mijn uitzicht’. Het is een adequate beschrijving van wat hij vanuit zijn werkkamer kon zien. Even verderop: ‘De hele ochtend gelezen. / Het nieuws: late echo / van vroegere gruwelen’. Ook dit is waarheidsgetrouw, want zijn verminderde mobiliteit deed niets af aan Nootebooms belangstelling voor de wereld, zelfs al werd die wereld kleiner. Hij las dagelijks het Spaanse dagblad El País, en ook de plaatselijke krant van het eiland lag op tafel. Hij wilde weten wat er speelde. 

 

De verstilde slotregels zijn ook de laatste regels van de bundel en daarmee van Nootebooms dichterlijk oeuvre. 

 

Een schuwe waarheid 

wijst op zichzelf 

wijst op mij. 

 

Met deze schuwe waarheid sluit Nooteboom zijn literaire leven af; voor het Literatuurmuseum vormen ze tevens een begin. De wereldreiziger, de loyale vriend, de Europese schrijver, de geëngageerde toeschouwer, de bezielde romancier en de verstilde dichter: ze hebben allemaal hun sporen nagelaten in het archief dat hier de komende maanden wordt uitgezocht.