Wanneer je gaat kijken naar de flinke handvol brieven die het Literatuurmuseum van Cees Nooteboom in collectie heeft, lijkt het wel alsof hij volkomen rusteloos was. Dan is het weer briefpapier van het Waldorf Astoria in New York, een volgende brief komt uit het Clarendon Hotel Edinburgh of het Victoria Hotel Lissabon.
Je krijgt de indruk dat Nooteboom én altijd op reis was, én dat het schrijven van een brief een rituele daad voor de reiziger was. Hoewel voor dat laatste best iets te zeggen is, is de reden voor deze rijkdom aan briefpapier deels ook een praktische, blijkt uit de brief aan Hella S. Haasse die hij vanuit het Burgtheater in Wenen lijkt te schrijven. Niet dus, er staat gewoon ‘Amsterdam’ boven de brief, die als volgt begint: ‘(met excuses voor het opschepperige postpapier, maar ik ben net een ekster, als ik de kans krijg pik ik het mee)’.
Het is een uiterst hartelijke brief, waarin Nooteboom op elegante wijze getuigt van zijn bewondering. Hij las op een dag twee boeken van Haasse uit, het Boekenweekgeschenk Transit (1994) en De tuinen van Bomarzo, uit 1968. Hij benadrukt dat hij niet ook op diezelfde dag begon aan die twee boeken: ‘Hoe vermijd je de indruk dat je ze alle twee op één dag hebt gelezen? Nederlands is moeilijk, nee, schrijven is moeilijk, laten we maar zeggen dat de haas en de schildpad (Bomarzo) tegelijk aankwamen!’ Nooteboom hoopt de tuinen uit de titel van het boek nu ook eens in het echt te zien; zelfs in zijn lezen geeft hij blijk van reislust.

