Ida Gerhardt: ‘Een bijzondere docente die het je niet altijd makkelijk maakte’

Ida Gerhardt kreeg in haar jonge jaren les van dichter J.H. Leopold. Door hem zou ze klassieke talen gaan studeren, promoveren en uiteindelijk zelf lerares worden. Anne Louïse van den Dool probeert te achterhalen waarom schrijvers bemoedigende docenten maar al te graag een sleutelrol in hun wordingsgeschiedenis geven. 

 

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Wanneer mensen mij vragen wat ik vroeger wilde worden, antwoord ik steevast: schrijver. In mijn herinnering liep ik op de basisschool telkens heen en weer tussen mijn tafeltje en de kast waar de nieuwe schriften lagen, omdat ik opnieuw alle lichtblauwe lijntjes had volgepend. Aan het einde van de dag zagen mijn handen doorgaans blauw van de inkt, ook doordat ik als linkshandige continu over mijn eigen schrijfwerk heen veegde. 

 

Gelukkig had de juf niet alleen aandacht voor mijn grootverbruik van pen en papier, maar ook voor het resultaat. Als school deden we mee aan een landelijke poëziewedstrijd – een oproep die direct een stortvloed aan inspiratie in mij losmaakte. Na het weekend legde ik vol trots een complete lila multomap met ruim dertig in Comic Sans uitgetypte gedichten op haar bureau, die de juf zonder enige terughoudendheid op de bus deed. Dat ik vervolgens won, schrijf ik persoonlijk niet zozeer toe aan de kwaliteit van de gedichten (die waren namelijk tenenkrommend), maar vooral aan de wetten van de statistiek. 

 

 

Nooit had ik gedacht dat ook de beschrijving van zo’n alledaags tafereel poëzie mocht heten

 

 

In de brugklas van het gymnasium trof ik opnieuw zo’n katalysator-docent, die, zo wil het gelukkige toeval, mijn docent Nederlands en Latijn én mijn mentor was, waardoor ik wekelijks minimaal acht lesuren met hem doorbracht. We zaten telkens in hetzelfde lokaal, helemaal aan het einde van de gang, omringd door posters van afgebrokkelde tempels en ooit aanbeden godheden. Daar deelde deze docent ons Metro-kranten uit die hij die ochtend bij het station had meegenomen. De leerling die als eerste een taalfout ontdekte, beloonde hij met een euromunt. Leerlingen die een onvoldoende hadden gehaald voor een toets, maar zijns inziens meer in hun mars hadden, kregen altijd een herkansing. Wie de stof daarna nog niet beheerste, gaf hij na school, in zijn eigen tijd, bijles. 

C. Buddingh’ beschreef het schrijfproces van een schrijver als ‘de vingers maar over de toetsen laten dansen’.

 

Aan het einde van mijn eerste jaar maakte ik kennis met een van de bijzondere tradities die hij in zijn langdurige carrière als docent had geïntroduceerd: wie een van zijn vakken afsloot met een tien, kreeg een boek. Aangezien mij het Latijnse woordjes stampen goed was afgegaan, wachtte hij mij na de rapportuitreiking op met een pakketje in zijn handen. Het bleek O wereld, jij zingt, speelt en lacht, een bloemlezing met de bekendste Nederlandse gedichten van alle tijden. Eenmaal thuis sloeg ik het boek open en trof ik ‘Pluk de dag’ van C. Buddingh’:

 

vanochtend, na het ontbijt, 

ontdekte ik, door mijn verstrooidheid,  

dat het deksel van een middelgroot potje marmite  

(het 4 oz net formaat) 

precies past op een klein potje heinz sandwich spread 

  

natuurlijk heb ik toen meteen geprobeerd 

of het sandwich spread-dekseltje 

ook op het marmite-potje paste 

  

en jawel hoor: het paste eveneens 

 

Een luikje opende zich in mijn hoofd: nooit had ik gedacht dat ook de beschrijving van zo’n alledaags tafereel poëzie mocht heten. Nog steeds pas ik in gedachten regelmatig de marmite-regel toe: wanneer ik me zorgen maak of een gedicht van mijn hand wel verheffend genoeg is, denk ik terug aan dit gedicht. 

 

Van collega-schrijvers weet ik dat ik niet de enige ben die van een docent een bemoedigend zetje in de rug kreeg. Vaak spelen die momenten een sleutelrol in het verhaal dat je achteraf van je schrijverschap construeert: als die ene leraar je toen niet het gevoel had gegeven dat je bijzonder was, had je hier nu misschien niet gestaan. 

 

Dat het echter niet altijd zo hoeft te lopen, blijkt uit het verhaal achter een handschrift dat onlangs werd toegevoegd aan de archieven van het Literatuurmuseum. Schenker Pieter Ketner kreeg het bij zijn eindexamen in 1958 aan de Werkplaats Kindergemeenschap in Bilthoven van zijn docent Grieks, Ida Gerhardt (1905-1997). Het gedicht ‘Dertig eeuwen’ zou drie jaar later, opgedragen aan haar leerlingen, worden gepubliceerd in Gerhardts bundel De hovenier (1961). 

 

 

 

 

Zelf kreeg Gerhardt in haar jonge jaren aan het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam Grieks van dichter J.H. Leopold. Door hem zou ze klassieke talen gaan studeren, promoveren en uiteindelijk zelf lerares worden. Ook haar werk als dichter werd duidelijk beïnvloed door de klassieken én Nederlandse symbolisten als Leopold, maar ook met verwijzingen naar het naoorlogse heden. Ook in ‘Dertig eeuwen’ is die schatplichtigheid terug te zien:

 

Toen Patroklos gelegd was op de baar, 

werd hij door alle jongens uitgedragen. 

Ik zag hen kinderlijk de dode schragen, 

een haag van jonge eiken naast elkaar. 

 

Maarts voorjaar joeg de wolken langs het goud. 

Er donderde een phalanx straaljagers over, 

toen op de brandstapel omfloerst met lover 

zij hem legden en de vlam sloeg in het hout. 

Myriaden jaren op de palm der hand. – 

Ik dorst niet opzien naar wie was ter zijde, 

lieflijk en stil, Briseïs aller tijden, 

toen hij verbrand werd in dit lage land. 

 

Gerhardt was ‘een bijzondere docente die het je niet altijd makkelijk maakte’, schreef de schenker van het gedicht in zijn begeleidende brief. Ze was buitengewoon goed in haar vak, maar kon ook ontzettend boos worden als leerlingen zaten te rommelen of wanneer straaljagers laag over het schoolgebouw vlogen, zoals in het gedicht wordt omschreven.

 

 

Bewust of onbewust knutselen we uit onze geschiedenis een passende historie

 

 

Waarom hij het gedicht kreeg, kon Ketner zich bij navraag niet herinneren: hij vermoedt als troost voor het feit dat hij, ondanks zijn talent voor het vak Grieks, tijdens het eindexamen maar net een voldoende haalde. Een teken van een speciale vriendschap was het volgens hem in elk geval niet. Of anderen ook weleens een gedicht van Gerhardt kregen, durft hij evenmin te zeggen. Ook heeft de ontvangst van het gedicht geen liefdesvuur voor de poëzie doen ontbranden: hij werd geen dichter, maar bioloog. In zijn kast staat het verzameld werk van zijn oud-docent, maar meer ook niet. 

 

Het verhaal van deze schenker maakte mij bewust van de kunstmatigheid van mijn eigen wordingsverhaal. Hoe makkelijk is het om de pionnen van je herinneringen te plaatsen in de stelling die jou het beste uitkomt, wijzend richting de roeping die achteraf gezien al die tijd al in de sterren stond geschreven. Mijn herinneringen aan die aanmoedigende docenten hadden net zo goed verloren kunnen gaan als ik ze niet steeds zou reproduceren, mezelf wijsmakend dat het schrijven al die tijd al in me zat. Was ik in plaats van auteur loodgieter of hovenier geworden, dan had ik zulke tekenen ongetwijfeld gezien in mijn eindeloze uren in de waterspeeltuin of in mijn fascinatie voor het tuinieren van mijn grootmoeder – maar helaas, die herinneringen zijn naar de achtergrond verdwenen, omdat ze niet bijdragen aan de mythe van het schrijverschap.

 

Zo zijn we in feite allemaal verhalenvertellers: bewust of onbewust knutselen we uit onze geschiedenis een passende historie, die verklaart waarom we staan waar we staan, en die ons bevestigt in de gedachte dat we het juiste levenspad zijn ingeslagen. De rest kunnen we gerust decennialang op zolder laten verstoffen – ook als het een gedicht van een beroemde schrijver is.