Onmiskenbaar antisemitisme: de ‘affaire’

‘Maak die weldenkende zielen maar eens duidelijk dat hun rationalisme, hun positivisme, hun politieke overtuigingen vooral, allemaal pseudo-religies zijn. Ze zijn blind van fanatisme.’

Kellendonk aan Oek de Jong, 28 oktober 1984

‘Maak die weldenkende zielen maar eens duidelijk dat hun rationalisme, hun positivisme, hun politieke overtuigingen vooral, allemaal pseudo-religies zijn. Ze zijn blind van fanatisme.’
Toon hoofdstukken

Op 16 mei 1986 verscheen in de Volkskrant een recensie van Mystiek lichaam van literatuurcriticus en D66-politicus Aad Nuis. De vernietigende bespreking had als titel ‘Onmiskenbaar antisemitisme in sluiers van ironie’. Volgens Nuis had Kellendonk van de roman een katholiek propagandamiddel gemaakt, vol beledigende opmerkingen over bevolkingsgroepen die buiten de moraal van de rooms-katholieke kerk vallen:

Er staan geborneerde opmerkingen in, over homoseksualiteit vooral, die niet gerechtvaardigd worden door het feit dat ze in de mond van een homo worden gelegd. Nog minder te rechtvaardigen is het waas van dubbel en driedubbel geïroniseerd, maar onmiskenbaar antisemitisme dat over bepaalde passages hangt.

Dat ‘onmiskenbare antisemitisme’ zou volgens Nuis naar voren komen in passages waarin de oude Gijselhart zich negatief uitlaat over Bruno Pechman, de Joodse vader van Magda’s kind, en in de fragmenten waarin ‘de Geschiedenis’ als personage wordt opgevoerd en de Joden een veeg uit de pan geeft. Omdat hij wist dat hij zich op glad ijs begaf door voor de uitspraken van de personages in Mystiek lichaam Kellendonk zélf verantwoordelijk te stellen, citeerde Nuis ook uit een interview met de schrijver in NRC Handelsblad waarin Kellendonk zich uitspreekt tegen het ideaalbeeld van een multiculturele samenleving. Hieruit zouden zijn bekrompen opvattingen blijken.

Briljante achterlijkheid

In de Boekenbijlage van Vrij Nederland verscheen een dag later, op 17 mei, een bespreking van Carel Peeters, die zich positief uitliet over de stijl van Mystiek lichaam. De ‘briljant geschreven en gecomponeerde roman’ was volgens Peeters een kenmerkend voorbeeld van het dualisme in Kellendonks werk: ‘Geest en werkelijkheid, wat mensen kunnen bedenken en wat de werkelijkheid van de feiten is, leiden in zijn werk vanaf Bouwval een tegenstrijdig leven.’ Dit werd volgens Peeters vooral zichtbaar in de status van heteroseksuele en homoseksuele liefde in de roman: ‘Wie de voorkeur geeft aan het eigen geslacht levert daarmee geen bijdrage aan de voortgang van de geschiedenis’. De criticus merkte op dat Kellendonk veelvuldig een beroep deed op de Bijbelse metafysica om dit contrast te schetsen, een keuze die op de nodige scepsis van Peeters kon rekenen.

 

In een essay dat Peeters op 31 mei in dezelfde krant publiceerde sloeg hij vreemd genoeg een veel hardere toon aan. Hij verweet Kellendonk ‘briljante achterlijkheid’: ‘De Bijbel veroorzaakt bij iedereen die er zijn belangrijkste bron van maakt een onheilspellende achterlijkheid.’ Kellendonks gebruik van de metafysica van de Bijbel zou een veel te beperkt perspectief bieden en de roman zelfs achterhaald maken:

De aanval op het “jodendom”, gecombineerd met de Bijbelse verheerlijking van de vrouw en met de zelfkastijding van de homoseksueel Leendert, maakt de moraal van Mystiek lichaam conservatief, op het querulante af.

Aan het einde van zijn bespreking nam hij het bovendien op voor collega-criticus Nuis: ‘Ook al was het niet zijn intentie, wie het zo stelt moet er zich niet over verbazen dat men hem van “antisemitisme” beschuldigt. Wie zo hoog en onrealistisch speelt met de moraal in een roman, kan hem hoog terug verwachten.’


De tweede, duidelijk negatievere en sterk door Nuis’ recensie ingegeven bespreking verantwoordde Peeters in een derde artikel. Redacteur van het VPRO-programma Boeken Paul Aalbers had Peeters verweten dat hij zich door Nuis had laten beïnvloeden en daarom een tweede bespreking met een geheel andere strekking had geschreven. De eerste bespreking van Peeters was weliswaar een dag later gedateerd, maar Vrij Nederland lag al vanaf 14 mei in de winkels. Hij had bij het schrijven van zijn eerste recensie de bespreking van Aad Nuis dus nog niet kunnen lezen. Deze ‘inhaalmanoeuvre in trendgevoelige verantwoording’ kwam volgens Peeters echter voort uit zijn grote bewondering voor Kellendonk. Hij gunde hem een eerste, overwegend lovende bespreking, om vervolgens in een tweede stuk zijn bedenkingen bij Mystiek lichaam uiteen te zetten.

Baksteen

In een persoonlijke brief aan Aad Nuis, nog op dezelfde dag dat diens recensie was verschenen geschreven, liet Kellendonk weten diep geschokt te zijn: ‘Beste Aad Nuis, Zojuist je baksteen door mijn ruit gekregen.’ Kellendonk wees Nuis op zijn belezenheid als literatuurcriticus: ‘Je hebt genoeg gelezen om te weten dat onderwerp en strekking van een boek niet altijd samenvallen – dat een boek over antisemitisme niet noodzakelijkerwijs antisemitisch is.’ Ook lichtte hij de rol van het Jodendom in zijn roman nader toe: ‘Ik ben gefascineerd door het joodse gedachtengoed en door de joodse traditie binnen het christendom. Je hoeft niet eens van goede wil te zijn om dat te kunnen opmaken uit Mystiek lichaam […]. Maar wie staat te popelen om een baksteen te gooien doet zoiets liever gauw af als weerzinwekkende onzin. Die ziet liever “onmiskenbare” spoken.’ Wrang-ironisch is de afsluitende groet: ‘Beterschap, Frans Kellendonk’.

Kellendonk reageert op de recensie van Aad Nuis met een persoonlijke brief: ‘Beste Aad Nuis, / Zojuist je baksteen door mijn ruit gekregen.’
(1 / 3)
Volgens de schrijver ziet Nuis, popelend om een baksteen te gooien, ‘“onmiskenbare” spoken’ wanneer hij Kellendonks fascinatie voor de joodse traditie bestempelt als ‘weerzinwekkende onzin’.
(2 / 3)
Kellendonk sluit af met een ironische groet.
(3 / 3)

Ook Carel Peeters ontving een pittige brief: ‘Beste Carel, Zojuist hoofdschuddend je stuk “Briljante achterlijkheid” gelezen. Laat ik er niet meteen een jijbak van maken’, zo begon Kellendonk zijn schrijven, waarna hij Peeters wees op ‘een paar fundamentele misverstanden’. Vooral diens kritiek op zijn beroep op de Bijbel kon op weerstand van de schrijver rekenen. Kellendonk verklaarde dat hij de Bijbel niet klakkeloos als autoriteit had opgevoerd, maar juist ook kritiek leverde op de Schrift in zijn roman. Aan het slot van de brief uitte hij nog eens zijn frustratie over het onbegrip voor zijn boek: ‘Wat dit boek niet losmaakt aan vooroordelen en gelijkhebberigheid! Iedereen schrikt ervan en verstijft in zijn “verlichte” opvattingen. Mij sterken die reacties weer in de overtuiging dat ik iets wezenlijks heb aangeroerd. Ik wou alleen dat men eens echt ging lezen!

In Vrij Nederland van 31 mei 1986 was niet alleen de tweede, genadeloze recensie van Carel Peeters opgenomen, maar ook een uitgebreid interview met Kellendonk waarin hij betoogde dat hij met Mystiek lichaam geen propagandatekst had geschreven:

Wanneer je mijn boek desalniettemin leest alsof het propaganda is, een artikel in de krant of een sociologieboek, en je verwijt me dat ik mezelf tegenspreek, dan zeg ik: ik spreek mezelf liever tegen dan dat ik onwaarachtig ben – ik zeg met Walt Whitman: Do I contradict myself? Very well then, I contradict myself. I contain multitudes. Er huizen in mij levensdrift en doodsdrift, een fanaat en een zachtmoedige, een man en een vrouw, een jood en een antisemiet, en ik ben sterk genoeg om dat ruziënde zootje in toom te houden.

Bijval en bewondering

Er verschenen ook recensies die de ophef die Nuis had ingeluid ter discussie stelden. Zo sprak Hans Werkman in het Nederlands Dagblad van ‘selectieve verontwaardiging’ en wees Wam de Moor in De Tijd op de ironie in de gewraakte passages: ‘Wie de zeer duidelijke ironie […] ontgaat, ontgaat ook Kellendonks intentie met zijn verhaal. Jood en homo delen één lot: steeds opnieuw gediscrimineerd te worden, omdat discriminerenden altijd een ogenschijnlijk geldige argumentatie kunnen vinden.’

 

Toen Mystiek lichaam een jaar later op de shortlist van de eerste AKO Literatuurprijs kwam, bleek des te meer dat niet iedereen zich door Nuis en Peeters had laten beïnvloeden. In een artikel in NRC Handelsblad van 8 mei 1987 besprak K.L. Poll de genomineerde werken. Mystiek lichaam was volgens Poll het meest ambitieuze boek van de zes, en Kellendonk zou daarom de prijs verdienen:

Er zijn op de geschiedenis van de familie Gijselhart – vader, dochter en zoon – allerlei aanmerkingen te maken, maar het is ten minste een roman die de lezers in kampen verdeelt, die intrigeert en dwingt tot een standpunt. Over de vraag, bij voorbeeld, in hoeverre het antisemitisme van de Gijselhart-familie de schrijver mag worden verweten. Over de vraag of de personen er onder de hardhandige, satirische behandeling van Kellendonk niet al te karikaturaal komen uit te zien. Over de vraag wat voor ideeën over mannen, vrouwen en homoseksualiteit aan de roman ten grondslag liggen.

Een week later werd de AKO Literatuurprijs toegekend aan Publiek geheim van J. Bernlef, door de jury geprezen vanwege het ‘dubbelzinnige karakter’ en de ‘fundamentele vragen’ die deze roman zou stellen. In de juryverantwoording werd ook Mystiek lichaam – meer dan de andere genomineerden – zeer positief besproken: ‘De bijna ultieme dichtheid van Kellendonks roman, de poging tot het scheppen van een eigen wereldbeeld, met de restanten van oude grote tradities, zijn heel bijzonder’.


Ook jaren later staken schrijvers en critici hun bewondering voor Mystiek lichaam niet onder stoelen of banken. In de Volkskrant van 15 april 2005 verplaatste Abdelkader Benali het werk naar de maatschappij na nine eleven. Hij schetste de contouren van een imaginaire roman over een Marokkaanse familie waarin de dochter zwanger is geworden van een rijke hasjhandelaar en de cholerische zoon 'met een joodse vriend zou willen doen wat generaties voor hem met geiten [...] hebben gedaan'. Zo’n roman zou volgens Benali worden omarmd en verafschuwd, en de auteur ervan bedreigd en geridiculiseerd. ‘Toch zou niemand de schrijver het boek kunnen afpakken, ook niet na zijn dood. Je zou kunnen zeggen dat dit met Frans Kellendonks Mystiek lichaam is gebeurd. De stijl is virtuoos. De personages lijken van bordkarton gesneden. Ze vallen bijna om door hun tenenkrommende ridiculiteit, maar er zit zo’n sardonische klank achter, dat ze larger than life worden.’