Direct naar de sporen
Terug naar start
Spoor 3

Fré Dommisse

Volg dit spoor

Uit naam der zenuw- en zielszieken

F

ré Dommisse (1900-1971) was een vrouw met een missie: ze wilde de vooroordelen over mensen met psychiatrische problemen wegnemen door het grote publiek van betere informatie te voorzien. ‘Met het oog op de verkeerde begrippen betreffende de verzorging der geestelijk onvolwaardigen en geesteszieken in onze geheele samenleving … zou aan een krachtige actie tot voorlichting van het publiek gedacht moeten worden’, schrijft ze in 1947 aan het Bestuur van de Nationale Federatie voor de Geestelijke Volksgezondheid (NFGV).

De voorlichting kon onder andere bestaan uit lezingen, reizende tentoonstellingen, artikelen in kranten en tijdschriften en (universitaire) cursussen. Meer en betere informatie dus, om de verzorging en acceptatie van mensen met psychische problemen te verbeteren. Dommisse besluit haar brief met de stelling dat zij die taak best op zich kan nemen.

Het antwoord van de NFGV is niet teruggevonden, maar het staat vast dat zij inderdaad de aangewezen persoon was. Haar literaire werk draaide grotendeels om de zogenaamde ‘psychopatenverpleging’ en ze was al ruim twee decennia actief bezig om het grote publiek bekend te maken met het thema.

De kloof tussen leek en geesteszieke

Dommisses toewijding en motivatie voor dit onderwerp kwamen grotendeels voort uit haar eigen verblijf in een inrichting toen ze, nog geen twintig jaar oud, werd opgenomen met wat waarschijnlijk een jeugdpsychose was. ‘Zij heeft n.l. in haar jeugd een periode doorgemaakt waarin zij geestelijk gestoord was en is gedurende een aantal jaren opgenomen geweest in psychiatrische inrichtingen. Het was een jeugdpsychose die men nu waarschijnlijk snel had kunnen genezen,’ schreef Clare Lennart in haar necrologie van Dommisse.

Necrologie door Clare Lennart

Eind jaren tien was de diagnose ‘dwangneurose’ en het duurde ruim vier jaar voordat zij genezen werd verklaard. Niet lang daarna schreef ze de autobiografische roman Krankzinnigen (1929), waarin ze in realistisch proza verslag doet van dit verblijf. Het doel van het boek, stelt ze herhaaldelijk in haar lezingen, was om de kloof tussen ‘leek en geesteszieke’ te dichten. Een kloof die ‘veelal berust op onbegrip en misverstand en die de oorzaak is van veel noodeloos leed’.

Enkele jaren later verschijnt een nieuwe roman, Het licht op de drempel (1937), over de re-integratie van geesteszieken in de maatschappij. Beide werken konden rekenen op een goede ontvangst en positieve kritieken. Krankzinnigen had zowel documentaire als literaire waarde, schreef H.J. Smeding (1937). In hetzelfde jaar stelde Roel Houwink dat het boek ‘ver buiten den kring der letterkunde beteekenis heeft’. Frans Coenen noemde het ‘een onschatbaar getuigenis van … ongekend leed’, een boek dat ‘van meest hopelooze menschelijkheid tegelijk een kunstwerk werd’ (1929).

In een analyse in Vrouwenspiegel (1935) prees Annie Romein-Verschoor de gave van Dommisse om het ‘directe of verkapte egocentrisme van veel psychologische romans te vermijden’. De uitgever Brussé liet Krankzinnigen drie keer drukken – de derde druk verscheen in september 1930 – en het onverwachte succes zorgde ervoor dat Dommisse door Nederland kon reizen om lezingen over haar werk te geven.

De motivatie voor deze boekentour is verrassend altruïstisch en had tot voornaamste doel om het leven van mensen met psychische problemen te beteren. Dommisse hoopte dat ze, door haar eigen geschiedenis te vertellen, het Nederlands publiek beter kon informeren:

Het blijkt, dat men dikwijls verkeerde voorstellingen omtrent deze verpleging heeft, ongemotiveerde angst voor psych. inrichtingen, gesprekken, persberichten enz. … Deze angst is echter thans in vele gevallen ongemotiveerd, ja, zelfs funest. ... In de plaats [van de oude vooroordelen] moet het inzicht komen dat een psychiatrische instelling een geneeskundig-opvoedkundig instituut is, in veel gevallen zelfs een voorbeeld voor de maatschappij.

Eerste pagina van de lezing ‘De krankzinnigenverpleging voorheen en thans’, 13 februari 1936

In haar lezingen plaatst Dommisse haar eigen ervaringen in een breder historisch kader van de ‘verpleging’ van psychiatrische patiënten in Nederland. Hiervoor deed ze uitgebreid onderzoek naar de geschiedenis van de geestelijke gezondheidszorg, die bepaald deprimerend te noemen is: tot ver in de negentiende eeuw werden patiënten niet beschouwd als volwaardige mensen en vaak in hokken opgesloten.

Tijdens deze studie stuitte Dommisse onder meer op de historie van de negentiende-eeuwse psychiater Johannes van Duuren en zijn vrouw Maria van Vulpen, die zich met succes hadden ingezet voor een betere patiëntenzorg in het Nijmeegse ‘dolhuis’. Het verhaal leidde tot een hoorspel over de levens van Van Duuren en Van Vulpen, waarvan het typoscript bewaard is gebleven:

Dommisse was met name ingenomen door het respect en de genegenheid die Van Duuren voelde voor zijn patiënten. Ook zij werd gekenmerkt door een liefdevolle houding naar de mensheid toe. Zo schreef de bekende literator dr. H.J. Boeken haar op 4 juli 1931 een brief naar aanleiding van Krankzinnigen: ‘Lieve Fré, Zoo mag ik je wel noemen? Want ik gevoel dat je heel veel liefde in je zelve moet hebben om zoo de patiënten met hun heel omgeving op te merken, vast te houden en weer te geven als je in je boek gedaan hebt.’

Bejubeld en vergeten om dezelfde reden

Veel recensenten meenden dat Dommisse niet veel meer verlangde dan autobiografisch-geïnspireerde boeken te schrijven om een wezenlijk verschil te maken voor de geesteszieken. Voor haar,’ stelde Roel Houwink, ‘is de roman niet doel maar middel. Zij schrijft niet uit de volheid der verbeelding, maar uit de volheid der ervaring’ (1937). Dit kwam haar werk ten goede, volgens recensent Nico Donkersloot, die schreef dat ‘het vrij is van alle effectbejag en literaire allure, van alle trucjes en mooischrijverij, en, vooral, van alle geperfectioneerde gladheid en gemakkelijkheid. Meestal is het van een zakelijkheid en directheid, die ons onmiddellijk in het onderwerp verplaatsen’ (1930). Ook Houwink vermoedde dat ‘het niet in de aard van het werk van Fré Dommisse [ligt] (gelukkig niet!) om meer dan een gewone bekendheid te verlangen, integendeel: wij vreezen, dat er in sommige kringen een sterke behoefte zal bestaan dit boek dood te zwijgen’ (1929).

Hiermee hintte hij al op het taboe dat Dommisse aansnijdt in haar werk, hoewel ze zeker niet werd doodgezwegen: in oktober 1963 werd Krankzinnigen zelfs nog eens uitgegeven door Querido in de Salamander-reeks. 

Dommisse was verguld met de heruitgave van Querido: ‘Wat is deze uitgave door de mooie omslag weer aantrekkelijk geworden. Ik hoop dat de omzet aan Uw verwachtingen mag beantwoorden!’ schreef ze op 2 oktober 1963 aan de uitgeverij. En inderdaad, er werden ruim 11.000 exemplaren van verkocht, blijkt uit een afrekening. Dommisse had deze verkoopcijfers in elk geval niet verwacht: ‘Het was een verrassing om te horen dat Krankzinnigen zo goed verkocht werd!’

In de jaren zestig publiceerde Dommisse nog twee non-fictiewerken, een boek over handschriftkunde (1962) en een biografie over Clare Lennart (1965), die nauwelijks werden opgemerkt. Dat belette haar niet door te gaan met werken: Dommisse was nog bezig met een manuscript toen ze, na een kort ziekbed, in 1971 overleed. 

Hoewel literair succes verre van vanzelfsprekend was voor Fré Dommisse, heeft ze in tegenstelling tot Til Brugman of het echtpaar Scharten-Antink nooit hard voor haar werk gevochten of eindeloos met haar manuscripten bij uitgevers of tijdschriftredacties geleurd.

Dat neemt niet weg dat ze geen ambitie tot een literaire carrière had: al toen ze veertien jaar was had ze besloten dat ze schrijver zou worden. Maar ze was voor haar levensonderhoud niet geheel afhankelijk van de opbrengsten van haar literaire werk: ze had een kunsthandel in Doorn waar ze van kon leven.

Tegelijkertijd zorgde deze kunsthandel voor zoveel afleiding dat ze enkele decennia niet aan het schrijven toekwam en nooit een prominente plek in de literaire wereld innam, zoals zij schreef in een brief aan Alice von Eugen van Querido:

De zaak vraagt zoveel aandacht dat het vrijwel onmogelijk blijkt om hiernaast nog mij op het schrijven te concentreren. 

Verder sneed haar werk een moeilijk thema aan, waarop een taboe rustte dat nog altijd niet helemaal verdwenen is. Deze combinatie van factoren heeft er waarschijnlijk toe geleid dat ze als schrijfster al snel uit het collectieve geheugen verdween.

Volgens Willy Graauwmans, die in de jaren tachtig onderzoek deed naar haar werk, is Dommisse vergeten om dezelfde reden waarom ze schreef en zo bejubeld werd: haar opname in de kliniek voor geesteszieken. 

Dit feit kan haar critici parten hebben gespeeld, gezien de grote welwillendheid waarmee zij haar altijd tegemoet zijn getreden. Hierdoor is zij misschien te veel ‘opgepoetst’, waardoor men haar later niet meer geheel serieus heeft genomen, terwijl haar werk, en zeker de roman Krankzinnigen, dit echt verdiende en nu ook nog verdient.

Graauwmans schreef dit ruim vijftig jaar na de eerste publicatie van Krankzinnigen; we zijn nu weer bijna veertig jaar verder. Heeft Graauwmans gelijk en verdient het werk van Fré Dommisse nog steeds onze aandacht? Is het tijdloos en origineel, zoals de grotesken van Brugman, of kan het niet los worden gezien van de tijd waarin het is geschreven, zoals de Schartenroman? 

Wat betreft persoonlijke vertelvorm en de thematiek past Dommisses werk in elk geval bij memoires als The Bell Jar van Sylvia Plath en het verfilmde Girl, Interrupted van Susanna Kaysen, hoewel ze het internationale succes van deze boeken nooit heeft mogen evenaren. Haar werk sluit bovendien aan bij een huidige trend in de hedendaagse Nederlandse literatuur waarin schrijvers in persoonlijke bewoordingen verslag doen van geestelijke gezondheidsproblemen, van De herontdekking van het lichaam van Bregje Hofstede tot PAAZ en UP van Myrthe van der Meer.

Wellicht zijn Dommisses ongepolijste taal en schrijfstijl de hoofdreden dat haar werk nooit een klassieker is geworden, maar juist het directe taalgebruik, het persoonlijke verhaal en het universele thema maken het boek meer dan geschikt voor een lezer in de eenentwintigste eeuw.