Oneindige stapels papier

door Thomas Heerma van Voss

6 juli viel in 1895 op een zaterdag. Het was koel en bewolkt weer in Noord-Holland. Het was geen bijzondere dag, zeker geen dag die de geschiedenisboeken op enige manier zou ingaan, maar toch zie ik deze gegevens nu uitgeschreven voor me, met daaronder een hele rits andere details, opgetekend in een sierlijk handschrift. Ook van 7 juli 1895 kan ik een beschrijving vinden, of van 8 juli, of van 9 juli.

 

Bij al die dagen heeft Lodewijk van Deyssel namelijk dezelfde gegevens ingevuld, in een van zijn talloze dagboeken. Het gaat daarbij niet alleen om het weer, het gaat ook om talloze subcategorieën, waarover Van Deyssel regelmatig niets te melden heeft: ‘Rijwiel [gebruikt]’ bijvoorbeeld (meestal: niets), of ‘verkeer’, of ‘gezaagd’. Alsof hij iedere dag gedwongen werd een vragenlijst in te vullen om zijn bestaan zo goed mogelijk in kaart te brengen. 


Dagboeken


Onlangs schreef ik al over de overweldigende hoeveelheid geschriften die Lodewijk van Deyssel naliet, inclusief zijn hoogst particuliere onaniedagboek, zijn weerdagboek, zijn slaapdagboek en de gedetailleerde geschriften over bijvoorbeeld zijn verkoudheden. Daar vallen veel details uit te lichten, soms komisch, soms ernstig, soms zorgwekkend, maar dergelijke citaten behouden altijd iets willekeurigs: Van Deyssel heeft immers zo onvoorstelbaar veel geschreven, er is geen citaat dat allesomvattend is, of zelfs maar bijzonder illustratief. Want naast al die themadagboeken hield hij reguliere dagboeken bij: zorgvuldig beschreven cahiers waarin hij dagelijks de bovengenoemde punten langsging.

 

De rare, soms nogal obsessieve kanten van Van Deyssel komen in deze dagboeken minder nadrukkelijk naar voren dan in zijn themageschriften – en dat is eerlijk gezegd wel prettig. Het gaat in deze dagboeken ten minste ook gedeeltelijk over dat wat Van Deyssel bekend heeft gemaakt: zijn werk. Tot op de dag van vandaag wordt zijn naam genoemd aan alle studenten Nederlands, in tekstboeken over de literatuur van eind negentiende eeuw komt hij altijd voor: als een van de Tachtigers, dat in de eerste plaats, als medeoprichter van De Nieuwe Gids, als romancier, als criticus, als essayist. In deze dagboeken wordt duidelijk hoe hij erin slaagde al die activiteiten te combineren: zelfs als hij niet schreef, ging het schrijven door in zijn hoofd, het vormde de kern van zijn bestaan.


Geschreven: niets

 

Voor dit stuk maak ik gebruik van de (honderden pagina’s tellende) dagboeken uit 1895 en 1896, omdat zijn publieke bestaan hier nog vorm krijgt en hij nog niet precies heeft uitgedokterd waar zijn voornaamste (schrijf)interesses liggen. Van Deyssel schreef bij honderden dagen min of meer hetzelfde, ook omdat hij zijn pagina’s alsmaar hetzelfde indeelde. En steeds is er, onder de kopjes Verkeer en Weer, de subcategorie geschreven of schrijven, alsof dat het eindpunt vormt van de andere activiteiten, het uitroepteken van zijn dag. Regelmatig staat daarachter: niets, wat strikt genomen uiteraard nooit klopt, want van Deyssel was als gezegd altijd bezig met zijn dagboeken en de talloze andere geschriften. Maar hij doelt met dat niets natuurlijk op zijn professionele schrijfwerk, de kritieken, de beschouwingen en de fictieverhalen – en bij dat niets is het schuldgevoel telkens voelbaar, hij moet van zichzelf harder werken. 


Wanneer het wel lukt, het schrijven, is er extase. Op 4 oktober 1895 bijvoorbeeld, dan schrijft Van Deyssel onder het kopje boek-in-gang (vermoedelijk werd dit zijn roman Een liefde):

 

Ik ben den koning te rijk. Mijn leven gaat opnieuw opbloeien. Ik geloof nooit zoo heerlijk te hebben zitten worstelen als de laatste ochtenden. Ik voel dat het nog lang duren zal. Nu maar rustig en gelijkmatig voorwaarts.

 

Eindelijk zie je hier wat al dat schrijven met Van Deyssel deed: het bracht hem immense, existentiële vreugde, die hij direct koppelde aan zijn welzijn. Een reguliere baan had hij niet, als een van de weinigen in zijn tijd, nee, het draaide allemaal om zijn schrijfwerk. Ook mooi aan bovenstaand citaat: dat hij zichzelf min of meer toesprak. Rustig en gelijkmatig, niet te hard van stapel lopend – kennelijk realiseerde hij zich hoe extreem zijn schrijfdrift kon zijn, zat dat hem in de weg. Niet ver na het bovenstaande citaat noteert hij om half negen ’s ochtends, weer in dat sierlijke handschrift:

 

Bedenking: Gij moet een rustig en geregeld werkleven leiden, met geregelde korte poozen van wandeling of tuinarbeid ertussen en dan eens in de maand of zoo naar Amsterdam.

Die grote wandelingen zijn het goede leven. Het goede leven is dat van oktober, november, december.

 

Verslaafd aan schrijven

 

Een dagboek vertelt altijd een verhaal, zelfs wanneer er niets gebeurt. De dagboeken van Van Deyssel laten zien dat hij verslaafd was. Verslaafd aan rituelen, die in zijn themaboeken en losse geschriften al uitgebreid aan bod komen: hij besteedt angstwekkend veel aandacht aan zijn persoonlijke hygiëne, hij is voortdurend met geld bezig, hij schrijft over zijn seksverslaving, hij begint uit het niets zichzelf op te hemelen (aan zichzelf gericht dus, want dit is zijn dagboek) en doopt zich dan tot de belangrijkste man van Nederland, hij heeft het ook hier uitgebreid over onaneren, hij houdt lijsten bij van voorwerpen die hij kapotmaakt – tegenwoordig zou hij zonder meer allerlei medische stempels opgeplakt krijgen.

 

Maar vooral illustreren deze dagboeken zijn verslaving aan schrijven. Het vastleggen van alle details. Het maandenlang zwoegen op een boek dat dan, eindelijk, gaat leven. Het steeds weer jezelf moed inspreken, het jezelf dwingen verder te gaan op dode punten, jezelf overtuigen dat het waardevol is wat je doet. Dit is het werk van iemand die iets pas werkelijk meemaakte wanneer hij het opschreef, en daarom maar bleef schrijven, opnieuw en opnieuw, omdat daar de grootste extase te vinden is, in de woorden, de oneindige stapels papier.