Brieven in tijden van afzondering: ‘Deze weken voel ik me eindelijk eens geen buitenstaander’

Beleven we nu een kantelpunt in ons bestaan, het Grote Moment in onze geschiedenis? De komende tijd schrijven Thomas Heerma van Voss en Roman Helinski elkaar over wat er nu gebeurt, hoe ze de dagen doorkomen, waar ze het meest mee zitten. Ze laten zich inspireren door documenten uit het archief over eerdere crises en ziektes, uit tijden die op de onze lijken of juist helemaal niet.

Lees hier alle brieven.

5 april 2020, Amsterdam

Beste Roman,


Een neef belde mij afgelopen week voor het eerst in zijn leven op, ik lag te lezen op de bank en dacht als eerste: o jee, er is iemand in de familie ziek, het virus gaat nu in mijn naaste omgeving huishouden. Toen hij me redelijk laconiek begroette, was er een golf van opluchting en direct daarna een tweede gedachte: hij belt om te informeren in hoeverre ik het wel volhoud allemaal, als alleenstaande zzp’er. 

Maar mijn neef had een andere vraag: of ik al aan het schrijven ben over de coronacrisis? ‘Dit is toch een wereldwijd kantelpunt,’ zei hij. Het was niet moeilijk om in zijn stem iets verlekkerds te horen. ‘Ik zit in het crisisteam van mijn werk. Meer te doen dan ooit. Echt héél bijzonder om mee te maken.’ 

Na afloop vroeg ik me af: behoor ik hier inderdaad over te schrijven, is dit het Grote Moment in onze geschiedenis waar straks alle boeken zich tot op zekere hoogte toe moeten verhouden, kan ik de fictieverhalen die ik recent afmaakte nu net zo goed weggooien? 

En: een crisisteam, dat klinkt op een vreemde manier wel aanlokkelijk. Kunnen wij daar als schrijver ooit toegang toe krijgen en zo volwaardig onderdeel worden van wat er gebeurt, of blijven we van achter onze schermen vanzelf buitenstaander? 

Slauerhoff was arts tijdens de Spaanse griep. Hans Keilson dook als dichtende medicus in 1940 onder. A. den Doolaard en Johan Fabricius vluchtten in datzelfde jaar in de hoop Engeland te bereiken. Vermoedelijk worden de beste verhalen over deze onwerkelijke maanden in isolatie straks niet geschreven door de mensen die nu achter hun laptop zitten, maar door degenen die de overbevolkte IC’s leiden, die onder tijdsdruk extra veel mondkapjes moeten produceren of testen. 

 

A. den Doolaard (rechts) als presentator van Radio Oranje in Londen, augustus 1944. Foto: collectie Literatuurmuseum

 

 

Wat ik me afvraag, Roman: schrijf jij al over deze toestand? Je bent bezig met een nieuwe roman, vertelde je de laatste keer dat we elkaar zagen, maanden terug alweer. Probeer je corona daar nog slinks in te voegen, voelt dat verhaal inmiddels anders niet automatisch gedateerd of irrelevant aan?

 

De laatste tijd wordt er veel gezegd over het belang van de literatuur, juist in deze tijden, wellicht deels omdat uitgeverijen en boekhandels onder zulke plotselinge druk staan. Camus’ De pest is de bestsellerlijst in geschoten en wordt een bijna profetische waarde toegedicht. Op televisie vonden meerdere gesprekken over het boek plaats en kwam de vraag langs wat we van De pest kunnen leren, alsof het daarvoor is geschreven, als een veredelde handleiding voor toekomstige generaties. Ook in journalistieke stukken over corona duikt steeds die ene vraag op, wat kunnen we hiervan opsteken? Veelvuldig las ik al de conclusie dat de ziekte ons laat inzien dat het leven niet maakbaar is, dat de zogenaamde greep op onze levens veelal neerkomt op schijncontrole. Wat me verwondert: dat gebrek aan controle lijkt me een basisgegeven, om dat te doen inzien hebben we toch geen dodelijke, wereldwijde pandemie nodig? 

 

Als we al conclusies kunnen trekken uit deze crisis, kan dat denk ik het beste achteraf, niet nu direct. Ik verbaas me over de gretigheid waarmee iedereen op Facebook en Twitter dagelijks adviezen, conclusies en lifehacks deelt, alsof deze paar weken alles voorgoed in een ander perspectief hebben gezet. Dit lijkt mij zelf vooral een periode om zo ongeschonden mogelijk door te komen – en aan te kijken wat er gebeurt, wat er allemaal ontregeld raakt of al geraakt is. 

 

In die hoedanigheid, als verre vrienden die binnen zitten om anderen niet te besmetten en om zelf niet besmet te raken, als vrienden ook die zich noodgedwongen moeten verhouden tot een alledaagse werkelijkheid die plotseling zo anders is, schrijven wij elkaar de komende weken op verzoek van het Literatuurmuseum. Over archiefstukken, over banale voorvallen (of het gebrek daaraan), over wat ons bezighoudt. Het heeft natuurlijk iets geks om elkaar persoonlijk aan te schrijven in de wetenschap dat er een publiek meeleest – zoals de beste dagboeken vaak degene zijn die niet voor publicatie zijn geschreven, zo vind ik correspondenties die voor privégebruik zijn geschreven vaak het interessantst – maar ik zie dit vooral als een gemeenschappelijke verkenning. 

 

Van wat er nu gebeurt, van hoe we de dagen doorkomen, van waar we het meest mee zitten. En van al die archiefstukken die nu ontoegankelijk zijn en op deze manier toch nog een beetje zichtbaar kunnen worden: onvermijdelijk is ook het Literatuurmuseum deze maanden gesloten, de anderhalf miljoen brieven die daar opgeslagen liggen zijn nu voor ons ontoegankelijk (tenzij ze al gedigitaliseerd online staan). Met behulp van de paar medewerkers die nog in het gesloten museum werken, zullen wij – via onze laptops, veilig thuis – toch nog een en ander kunnen opdiepen, over eerdere crises en ziektes, over periodes van al dan niet gekozen isolatie, over tijden die op de huidige lijken of juist helemaal niet. 

 

Ik hoop van je te horen. 

 

O, de vraag waar ik mee had moeten beginnen natuurlijk, ben je eigenlijk gezond? 

 

Houd je goed, 

 

Thomas

7 april 2020, Amsterdam  

Dag Thomas,


Deze weken voel ik me eindelijk eens geen buitenstaander. Ik denk veel aan de mensen in de huizen om me heen, buren die ik niet zie of hoor maar van wie ik weet dat ze er zijn. En dat ze ook reikhalzend naar het park kijken zodra het zonnig is, en waarschijnlijk net zoals ik meer koffie drinken en ijs eten dan ze anders zouden doen. Ik probeer op bescheiden schaal de mensen in mijn omgeving tegemoet te komen: ik leg romans voor mijn deur neer die buren mogen meenemen, ik glimlach tijdens de zeldzame momenten dat ik me buiten waag en ik maak in de winkel beleefdheidspraatjes met het personeel. In deze tijd is er voor mij eerder een rol als mens weggelegd dan als schrijver. Ik ben het met je eens: de belangrijke verhalen over de ziekte zullen worden opgetekend vanuit de loopgraven in de ziekenhuizen. 

Toch geloof ik dat het zinvol is om ook onze ervaringen te beschrijven, persoonlijk verslag te doen van hoe we dit isolement beleven. Daarom ga ik graag in op het voorstel van het Literatuurmuseum om met elkaar te corresponderen, hier en daar ondersteund door archiefstukken. Ik stuitte in het digitale archief alvast op een brief van Menno ter Braak waarin isolatie een thema is. De passage ontlokte me een glimlach omdat de situatie van Ter Braak een omkering is van de onze. In 1939 bericht hij aan E. Du Perron: 

Helaas is het lot mij nog ongunstiger dan ik dacht, want dat vermaledijde tooneel blijkt zich allerminst aan den oorlog te storen en heeft met explosieve kracht het seizoen ingezet. Nu moet ik op bevel van den speler Laseur Maandag ook uit en Dinsdag op bevel van onze ‘sterkste’ actrice, mevrouw Charlotte Köhler, die weer eens voordraagt. Het tooneel heeft het mij dus absoluut onmogelijk gemaakt om naar Bergen te komen, ziedaar de situatie. (…) We vinden het beide erg jammer, dat dit plan door den ijver der groote acteurs is gestrand.

 

Menno ter Braak aan E. du Perron, 13 oktober 1939

 

 

Inmiddels gaan wij de vierde week in van deze sociale quarantaine. Je zegt het goed, het gaat erom deze periode zo ongeschonden mogelijk door te komen. Ik zit in mijn appartement aan de ene kant van Amsterdam en jij zit in het jouwe aan de andere kant. Samen koffiedrinken, zoals we onder gewone omstandigheden om de paar weken doen, zit er niet in. Formeel kunnen we bij elkaar op bezoek zolang we allebei geen klachten hebben, maar dat doen we niet. We spreken elkaar sinds het virus de samenleving plat heeft gelegd nauwelijks nog, en dat terwijl ik ervan uitga dat wij allebei alleen zijn en tot op zekere hoogte eenzaam, al heb jij een kat (waarvan ik de naam eerlijk gezegd ben vergeten). Ik vraag me af of je die kat uit verveling al hebt geverfd en of je je favoriete hiphopmuziek elke dag wat harder zet zonder het zelf door te hebben. Kortom, ik vraag me af of je het een beetje redt. Hoe ben je de eerste drie weken doorgekomen? Lonkt de buitenwereld al te erg? 


Ik denk niet dat ik je verras door te stellen dat er nogal wat van de schrijvers die wij kennen moeilijke hoofden hebben. Ik ken een schrijfster die elke nacht voor het slapengaan op het kussen haar hoofd wiegt. Links, rechts, links, rechts, zeker een half uur lang. Anders komt ze niet in slaap. Dat deed ze voordat het coronavirus zich liet gelden ook al, maar deze weken is haar tik verergerd, berichtte ze me. Ik ken bevriende schrijvers die duizelingwekkend diep kunnen vallen in een ontzettend korte periode. Voor hen vrees ik deze weken en ik bel ze af en toe om te vragen hoe het met ze gaat – al zou je kunnen beweren dat zij deze eenzaamheid juist gewend zijn en dat ik misschien beter op kan passen voor de mensen die hier geen ervaring mee hebben. 


Dank, tot slot, dat je naar mijn gezondheid informeert. Die is hartstikke goed. Ik hoest niet en zwaarmoedigheid krijgt tot nu toe in mijn leven geen vat op me. Al heb ik absoluut last van de opsluiting. Ik ijsbeer achter mijn raam, pluk mijn wenkbrauwen en ik trap mijn voetbal meer dan eens keihard tegen de achterkant van de zitbank aan. Ondertussen schrijf ik nauwelijks een woord, omdat het virus zich in mijn gedachten omhoog heeft geklauwd en weinig ruimte laat voor de roman waaraan ik werk. Misschien is de oplossing inderdaad zoals je schrijft om het virus en vooral de maatschappelijke ontwrichting een plek te geven in de romanwereld, al voelt dat wat opportunistisch. 


Ik houd je daarover op de hoogte, en kijk uit naar je antwoord. Heb je al quarantaine-routines of tikken ontwikkeld? Ik zet elke morgen de ramen wijd open waardoor de deuren in huis klapperen en mijn papieren door de kamers vliegen. Die koele wind die door het appartement blaast geeft me voor even het idee dat ik niet vastzit. Misschien wordt het tijd om meer als Menno ter Braak te denken en het verplichte binnen zitten voor zolang het duurt te omarmen. 

 

Blijf binnen!

 

Roman Helinski

 

PS Hoe heet je kat nou?

 

 

Lees hier alle brieven die Thomas Heerma van Voss en Roman Helinski elkaar schreven.