Couperus kreeg 6000 gulden voor zijn bestseller, Van Eeden 150... Over royalty’s en literaire contracten

door Christiaan Weijts

Louis Couperus bedong in 1901 zesduizend gulden voor de eerste druk van De boeken der kleine zielen, Frederik van Eeden vijftien jaar eerder honderdvijftig gulden voor de eerste druk van De kleine Johannes. Christiaan Weijts over royalty’s toen en nu.

 

 

Op Facebook zie ik ze geregeld voorbijkomen: foto’s van auteurs die een boekcontract ondertekenen. Stralend zitten ze aan het bureau van hun uitgever, hun mooiste vulpen in de aanslag. Vrijwel altijd staat er een glaasje champagne naast. Zo kennen we onze geletterde landgenoten weer: nog geen letter hebben ze geschreven of ze zetten het al op een zuipen. 

 

Zelf heb ik nog nooit zo’n ondertekeningsceremonie gehad, terwijl ik toch al een aardig boekenplankje bij elkaar pende. Het contract, vijftien pagina’s dik, kwam telkens gewoon in tweevoud met de post. Met een gele post-it erop met het verzoek één exemplaar retour te sturen. 


Zouden Louis Couperus of Frederik van Eeden ooit champagne hebben gedronken bij het ondertekenen van hun contracten? Het is een wel erg mager velletje, die overeenkomst die Van Eeden op 29 november 1886 sloot met zijn uitgever Mouton & Co, voor de uitgave van De kleine Johannes. Een boek dat uiteindelijk 250.000 exemplaren zou verkopen, ook omdat het jarenlang verplichte kost was op allerlei scholen. Hoeveel ving Van Eeden? Honderdvijftig gulden. En voor elke nieuwe druk ‘tevens een bedrag van vijftig gulden’. Hier stond aanvankelijk honderdvijftig, maar die honderd is geschrapt, met instemming van beide partijen, blijkens een krabbel in de kantlijn. Een schrijffoutje? Of hebben ze ter plekke het bedrag omlaag geschroefd?

 

Contract d.d. 29 november 1886 van Frederik van Eeden met Mouton & Co. betreffende 'De Kleine Johannes'

Honderdvijftig gulden, dat was best wat geld. Een landarbeider verdiende één gulden per dag, waar je een kilo boter van kon kopen. Een goedkoop huis was vijfhonderd gulden. 

Maar leg je de contracten van Louis Couperus ernaast, dan zie je meteen dat Van Eeden wel wat scherper had mogen onderhandelen. Voor De stille kracht geeft uitgever L.J. Veen Couperus in 1900 tweeënhalfduizend gulden voor de eerste druk, en achttienhonderd voor elke volgende. De Boeken der kleine zielen, waarvoor Couperus het jaar erop tekent, leveren hem voor de eerste druk zesduizend gulden op, en voor elke volgende druk zesendertighonderd. Dat waren voor die tijd enorme bedragen. 

Opmerkelijk is dat beide schrijvers ineens voor een complete druk betaald kregen, in plaats van een percentage van de winkelprijs, zoals nu vrijwel altijd het geval is. 
 

 

Contracten d.d. 10 mei 1900 en 1 mei 1901 van Louis Couperus met uitgeverij L.J. Veen betreffende ‘De stille kracht’ en ‘De boeken der kleine zielen’

Zo’n percentage is kennelijk wel afgesproken als Van Eeden in 1893 overstapt naar uitgeverij Versluys. In de twee kantjes, met dertien gewichtige ‘artikelen’, is er sprake van ‘één vierde gedeelte van de bruto opbrengst d.w.z. voor den prijs waarvoor ze door den tweeden ondergeteekende aan de boekhandelaren zijn geleverd’. 

Een royalty van vijfentwintig procent, dat is niet mis. Tegenwoordig is tien procent de standaard. Pas als je boven de honderdduizend verkochte exemplaren komt, stijgt dat percentage naar wat Van Eeden kreeg. 

Deze contracten, in mooie vulpenletters, laten goed zien hoe de auteurscontracten en -honoraria zijn geëvolueerd. Lange tijd waren er geen richtlijnen voor. Iedereen deed maar wat, en de gewiekste onderhandelaar kon à la Couperus een huizenhoog honorarium innen.

Destijds bestond er nog niet eens officieel iets als auteursrecht. Pas in september 1886 – twee maanden vóór Van Eeden zijn Kleine Johannes voor honderdvijftig gulden verkocht – werd door verschillende Europese landen de Berner Conventie ondertekend, die het auteursrecht erkende. 

Nederland tekende pas in 1908. En het duurde tot 1912 voor er een auteurswet was. Daarmee waren de geschillen tussen uitgever en schrijver overigens nog lang niet de wereld uit. Lees de briefwisseling tussen W.F. Hermans en Van Oorschot er maar eens op na, waar geruzie over royalty’s of over al dan niet gratis presentexemplaren zo’n beetje de basso continuo is. 
 

 

Portret van Frederik van Eeden door Lizzy Ansingh, 1919 (collectie Literatuurmuseum)

Pas in 1987 kregen de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond (KNUB) en de Vereniging van Letterkundigen (VvL, tegenwoordig de Auteursbond geheten) overeenstemming over een ‘Modelcontract voor de uitgave van oorspronkelijk Nederlands literair werk’. En dat is nog altijd het pak papier dat ik krijg toegestuurd.

Toevallig gebeurde het vorige maand weer. Ik werk al een tijdje aan een nieuw boek, en toen ik met mijn redacteur, Peter Nijssen van De Arbeiderspers, zat te eten in een Italiaans restaurant kwamen we er allebei achter dat we nog helemaal geen officieel contract hadden opgesteld.

We schonken meteen maar wat extra wijn bij. Nu gingen we zakendoen. Al viel dat in praktijk wel mee. We waren er binnen één glas over uit. Het enige wat pas echt moeilijk bleek, was de titel. Vaak staat er op het voorblad gewoon: ‘Titel: Nieuwe roman’, omdat er nu eenmaal íets moet staan. ‘Maar voor een boek dat al zo vergevorderd is,’ vond Peter, ‘is dat wel heel raar.’

Daarom staat er nu een kreet op die ik ooit als deel- of hoofdstuktitel bedacht: ‘De allerergste bohemien’. De helft van het boek speelt zich trouwens precies af in de tijd van Couperus en Van Eeden.
 

 

Portret van Louis Couperus door Peter Donkersloot, 2001 (Collectie Literatuurmuseum)

Van die vijftien A4’tjes lezen de meeste schrijvers alleen artikel 10. Dat draagt namelijk de veelbelovende titel: ‘Honorarium’. Je schijnt over allerlei details van dat gedeelte te kunnen onderhandelen, maar de meesten laten, net als ik, de standaardpercentages staan, zoals die door de Auteursbond als norm zijn gesteld: 10 procent over de eerste 4000 exemplaren, 12,5 procent van de volgende 6000, en zo raak je uiteindelijk bij 17,5 procent als je boven de 100.000 exemplaren komt.

Verderop in hetzelfde artikel kan dan ook nog sprake zijn van het ‘voorschot’. Sommigen kiezen ervoor om dat niet te krijgen. Het is toch maar een sigaar uit eigen doos, in mindering gebracht op de royalty-afrekening, die altijd eind april binnenkomt, als een soort vakantiegeld. Maar zoals een gewaardeerde en ervaren collega mij ooit toevertrouwde: ‘Ach, dat schrijven. Je wordt er niet rijk van, en ook niet gelukkig.’

Ik heb het contract ondertekend en netjes in de bijgesloten retourenvelop gestopt. Zonder tromgeroffel. Zonder trompetgeschal. Zonder er een foto van op Facebook te zetten. En die champagne? Die drinken we pas als ik er even rijk mee ben geworden als Louis Couperus.