De evolutie van het schrijfgerei: van vulpen naar typemachine – en terug

Het Literatuurmuseum heeft tal van vulpennen, potloden, balpennen en een grote collectie typemachines in beheer, en zelfs complete computers. Hoe is het gereedschap van de schrijver in de loop der jaren geëvolueerd en heeft dat invloed op het werk? Dat vraagt Christiaan Weijts zich af, in een reeks essays waarbij hij de depots indook.  

 

Staat het handschrift op uitsterven? Van tijd tot tijd hoor je daar verontrustende berichten over. Zelfs op de Montessori-basisschool van mijn kinderen merkte ik de verandering. Terwijl de oudste nog aan elkaar leerde schrijven, met sierlijke lusletters, moest zijn zusje daar halverwege groep 4 ineens mee stoppen, tot haar niet geringe teleurstelling.  

 

Losse letters. Die werden verplicht. Een nieuwe methode. Nieuwe schriften. Blokletters. Die zouden leesbaarder zijn, en in de toekomst werd handschrift toch minder belangrijk. 

 

De school was blijkbaar ijverig aan het invoegen op de digitale snelweg. Nog even gasgeven en schrijflessen zijn type- en swipe-lessen. Of loopt het zo’n vaart niet? Het tegengeluid begint immers ook aan te zwellen. Bemoedigend is bijvoorbeeld een studie van een Noorse universiteit, door de Nederlandse neurowetenschapper Audrey van der Meer. Aan de hand van experimenten en hersenscans stelde zij vast dat kinderen beter leren als ze met de hand schrijven.  

 

De bevindingen zijn zelfs in het World Economic Forum aangehaald in een pleidooi om kinderen meer ‘zachte vaardigheden’ te laten ontwikkelen, en die komen in de verdrukking als je ze tijdens de coronacrisis vooral achter schermen plaatst.   

 

 

De beste passages blijken telkens weer degene die ik met de hand in een klein notitieboekje heb gepriegeld

 

 

Het onderzoek bevestigt wat veel schrijvers al wisten of vermoedden. Zelf werk ik met een combinatie van vulpen, papier en laptop, en het is mij steeds meer gaan opvallen: de beste passages blijken telkens weer degene die ik met de hand in een klein notitieboekje heb gepriegeld. Niet alleen zijn de zinnen vloeiender, muzikaler, prettiger, ook zijn die handgeschreven alinea’s meestal degene ‘waar het gebeurt’. Een nieuwe laag wordt aangeboord, een diepere emotionele lading, een onverwachte opening.  

 

Aanvankelijk geloofde ik nog dat ik me aanstelde. Of beter gezegd, ik meende dat er andere, niet eens zo heel duistere krachten verantwoordelijk voor waren. Met de hand schrijf ik meestal als ik niet thuis ben. In treinen, op pleinen, bij strandpaviljoens, op een bankje bij een fietstocht door de duinen. Dat moest het zijn: puur door de verandering van omgeving – en door het offline zijn! – begon de fantasie te malen. Niets magisch aan.  

 

Toch wel dus. Al is het magie die je inmiddels op EEG-scans nauwgezet kunt gadeslaan. De zintuiglijke ervaring van het vormen van letters, de fijne motoriek en de tactiele sensaties activeren allerlei hersencircuits die het geheugen stimuleren, leerprocessen vergroten, creativiteit aanwakkeren.  

 

‘Bloedwarme inkt’, noemt Adri van der Heijden het ergens. Hij is een van de laatste auteurs die zweert bij vulpennen, gevolgd door een complex proces van typemachines en verschillende bureaus. Maar nu is er dus wetenschappelijke onderbouwing voor wat je anders nog kon houden voor nostalgisch sentiment.  

 

In een vak waar gereedschap en voorwerpen zo'n geringe rol spelen – vergeleken met andere ambachten is het een bijna onstoffelijke bezigheid – is het misschien niet vreemd dat de schaarse middelen die er wel voor nodig zijn met een zekere eerbied worden behandeld.  

 

 

De vulpen van Simon Vestdijk en kroontjespennen van Gerard Reve. Foto: Literatuurmuseum

 

 

De kroontjespennen van Gerard Reve, een vulpen van Lodewijk van Deyssel, Couperus of Simon Vestdijk. De inktpot van Ina Boudier-Bakker. Al ben je nog zo nuchter (een eigenschap waar schrijvers niet om bekendstaan), het blijft iets van magie houden: uit het totale niets een hele wereld tevoorschijn toveren. Daar mag best een rituele dimensie aan te pas komen.  

 

Bijgeloof tiert welig in geletterde kringen. Slauerhoff moest altijd één specifiek kleedje uitrollen om zijn papier op te leggen. Zwagerman tikte Vals Licht op groen papier. Toen Mulisch uiteindelijk zwichtte voor de computer, stond hij erop dat het scherm witte letters produceerde tegen een blauwe achtergrond: ‘Ik heb dat letterzonlicht tegen die hemelsblauwe lucht nodig.’ 

 

Het geval van Harry Mulisch is in de schrijfevolutie bijzonder interessant, ook omdat het zo goed gedocumenteerd is. Op 21 mei 1990 – na 177 bladzijden geschreven te hebben van De ontdekking van de hemel – haalde hij een ‘antracietgrijze laptop’ in huis. Aanvankelijk alleen om de Brother-typemachine te vervangen. Het echte schrijven zou hij ‘natuurlijk altijd met de hand blijven doen,’ zo meldt hij in wat later het voorwoord werd van het Logboek 1991-1992 (De Bezige Bij, 2012).  

 

Bijna een maand tikte hij de reeds geschreven pagina’s over in die laptop, en daarna, op 17 juni, gebeurde er iets van historische omvang. Terwijl hij bezig is de handgeschreven nieuwe bladzijden in te voeren, kijkt hij een paar keer heen en weer van papier naar scherm en denkt: ‘Ik ben toch eigenlijk gek. Waarom zou ik steeds een zin schrijven en die vervolgens op het scherm zetten? Dat was het beslissende moment.’ 

 

Harry Mulisch schrijft vanaf dan – vanaf pagina 240 in het gedrukte boek – met de computer. Dat is op zichzelf aardige anekdotiek, maar wat die omslag zo bijzonder maakt is dat het Mulisch op een spannende gedachte bracht over de schrijfevolutie. Hij ontdekt dat hij de computer niet als de opvolger van de typemachine moet zien, maar als die van de pen.  

 

 

In de evolutie van kleitablet, naar beitel, ganzenveer, pen en typemachine, is de computer een rechtstreeks vervolg op de pen

 

 

Je kunt rechtstreeks verbeteringen aanbrengen, zinnen omgooien, en zelfs de naam van de hoofdpersoon in een oogwenk veranderen.   

 

In de evolutie van kleitablet, naar beitel, ganzenveer, pen en typemachine, is de computer een rechtstreeks vervolg op de pen. Daarmee is de typemachine een doodlopend spoor in de evolutie, een streng zonder nakomelingen.  

 

Helemaal waar is dat natuurlijk niet. Elk toetsenbord, zelfs dat in iPads en smartphones, is immers gebaseerd op dat van de typemachine. Aanvankelijk was dat alleen nog maar een machine die een soort thuiszetterij was, een middel om bladzijden te maken die het echte drukwerk van losse loden letters evenaarde door letterstempels op papier te hameren. Dat is goed te zien op de Hammond-typemachine van P.C. Boutens, een ingewikkelde machine op een houten plank, die nog herinnert aan apparaten waar je morsesignalen mee doorseint.  

 

 

De Hammond-typemachine van P.C. Boutens. Foto: Literatuurmuseum

 

 

De typemachine was een apparaat aan het einde van het schrijfproces. Elk kantoor had typistes in dienst om het aan uit te besteden, en zo waren er ook schrijvers die niet zelf hun handgeschreven werken uittikten. Het typoscript was een fase tussen het schrijven en de drukkerij in.  

 

Log, zwaar en onhandig waren die mechanische schrijfmachines. Ik heb als kind nog op een Olympus gewerkt, waarvan ik nog de harde tikken kan horen, het belletje aan het eind van de regel, en het gezoef als je de koude metalen hendel terugduwde om bij het begin van een regel te komen.  

 

Het eindeloze gehannes met Tipp-Ex of correctielint, als je een fout had gemaakt. Al die verbeteringen met de hand. Je ziet het in typoscripten in de collectie. Invoegingen met potlood, uitgeknipte en geplakte passages. Je hoort de auteur zuchten en vloeken.  

 

Neem de prachtige Remington van Simon Vestdijk. Uitstekend geconserveerd en toch zie je hoe erop gerámd moet zijn door de man die sneller schreef dan God kon lezen. De e-toets is totaal weggesleten. Op typoscripten zie je hoe hij de -g steeds met de hand moest invullen: die letter was afgesleten. De typoscripten kwamen eruit als een uitvoering op een piano waarvan één toets blijft hangen.  

 

 

De Remington van Simon Vestdijk. Foto: Literatuurmuseum

 

 

Een totale frustratie moet dat zijn geweest. Het museum kreeg deze Remington overigens van W.F. Hermans, die een fervent verzamelaar van typemachines was.  
 

In een interview met Trouw zei Hermans in 1993: ‘Na de dood van Vestdijk heb ik zijn schrijfmachine gekregen, een grote Remington. Zo’n exemplaar heeft dan toch een aparte waarde. Ik heb hem ook later aan het Letterkundig Museum geschonken. Vestdijk was een gierige man. De letter ‘t’ ontbrak; reparatie kostte hem te veel. Op typoscripten zie je, dat hij de ‘t’ met een pennetje invulde. Moet je toch zwaar gek zijn.’ 

 

Hij lijkt de -t en de -g te hebben verward, maar de observatie blijft overeind: je moet flink getikt zijn om zoiets te doen. Het lijkt me vooral iets wat je uit de ‘schrijfflow’ haalt. Al dat gezwoeg op die machines was dan wel handwerk, zintuiglijk en tactiel, maar ik vraag me af of het ook zulke heilzame effecten op de creativiteit had als nu van het handschrift is aangetoond.

 

 

Bladzijde uit Vestdijks typoscript van Terug tot Ina Damman. Collectie Literatuurmuseum


 

 

Mulisch beweerde dat er na 1990 geen ‘fraaie facsimile-uitgaven’ meer mogelijk waren van zijn manuscripten. ‘Maar dat is dan de prijs die ik betaal (of eigenlijk de literatuurwetenschap) voor mijn tijdwinst.’  

 

En zo is het natuurlijk. Al die manuscripten en typoscripten die in de schatkamers en laden van dit museum liggen zijn tussenstappen in het hele proces, dat met de komst van de computer zo goed als aan het zicht is onttrokken.  

 

Met de computer keer je weer terug naar het vloeiende, het gemakkelijke van de vulpen. De frustratie van vastgelopen lint, haperende letters, gefrunnik met verschoven carbonpapier: het is allemaal weg. Nou ja, je besturingssysteem kan vastlopen, of je vergeet een bestand op te slaan, maar zelfs dan valt het tegenwoordig meestal nog te herstellen.   

 

De computer neemt het beste van de typemachine (het letterklavier) en heeft dat geïntegreerd met het beste van de vulpen (het kunnen schrappen, schaven, knippen en plakken) en aangevuld met zinvolle innovaties (zoek- en vervangfunctie, automatische inhoudsopgaven).  

 

Mulisch was er heilig van overtuigd dat rechtstreeks in de computer werken geen invloed had op zijn schrijfstijl. Een collega die het tegendeel beweerde daagde hij zelfs uit om aan te wijzen waar in het boek hij op het toetsenbord was overgestapt. Tienduizend gulden wilde hij er om verwedden.   

 

Binnen dat boek mag de overgang dan onzichtbaar zijn, binnen zijn oeuvre is cesuur zonneklaar. In zijn volgende roman, De procedure (1998), is de schrijver zichtbaar in zijn nopjes met de computer. Op de openingspagina jubelt hij al over ‘lichtgevende woorden in het ultramarijn’ en verderop gaat het over ‘dit boek, alle 72.654 woorden er van’.  

 

Als een kind zo blij met zijn geüpgradede vulpen.