De zak van Gerard Fieret: de kunstenaar die zijn werk vernield achterliet

Het is een van de opvallendste stukken uit het archief: een zware plastic zak volgepropt met papiersnippers. De eigenzinnige fotograaf en dichter Gerard Fieret bezorgde zo zijn manuscripten bij het Literatuurmuseum. Uit boosheid?

 

Was het een daad van woede of een poëtisch experiment? Op een meidag in 1984 kwam Gerard Fieret onaangekondigd langs bij het Literatuurmuseum. Dat deed hij vaker, en niet voor het eerst leverde hij ongevraagd nieuw materiaal af. Op deze dag kwam hij, en dat had hij nooit eerder gedaan, aanzetten met een doorzichtige plastic zak die geheel gevuld was met snippers van zijn eigen werk. Had hij het boos verscheurd? Dat valt nu moeilijk te achterhalen. Mogelijk wist Fieret het op den duur zelf ook niet meer. In de loop van zijn leven, dat begon in 1924 en eindigde in 2009, heeft de fotograaf annex dichter annex kunstenaar annex panfluitspeler annex duivenman ruziegemaakt met vrijwel iedereen in zijn omgeving; meermaals beschuldigde hij anderen van diefstal van zijn werk of ideeën.

 

 

Gerard Fieret met zijn panfluit tijdens de opening van een tentoonstelling over Slauerhoff in het Literatuurmuseum, 1981

 

 

Beschuldigde hij het museum ook ergens van? Drie decennia later wordt de zak in elk geval nog altijd in het museum bewaard. Het is een van de opvallendste en zwaarste stukken uit het archief. De zak die Fieret afleverde is groot – denk aan een flinke zak aarde – en bevat nauwelijks lucht. Het is, kortom, een heerlijke zak om met mijn handen eens flink doorheen te wroeten, alsof ik iets kan opgraven wat goed verborgen is. Tot in de hoekjes zitten snippers van Fierets foto’s, gedichten en manuscripten, duizenden in totaal, door hemzelf verscheurd tot zulke kleine afmetingen dat ze onmogelijk als puzzel in elkaar te leggen zijn. Daar komt nog bij dat zijn handschrift zo groot en wild is dat er aan de losse letters of zinsflarden moeilijk betekenis valt te geven. Wat het duidelijkst te lezen is – want: niet doorgeknipt of verscheurd – is het ‘exempel poezie conkrete’, een gedicht dat Fieret in zwarte viltstift op de buitenkant van de zak schreef, tot twee keer toe zelfs: 

 

Het kaf is wat overbleef 
Proces van omgekeerdt karnen
verbale onmacht
de regressieve facade
waar het oog nog keurend
in verwijlt
het is de afzetplaats
voor nieuwe poezie
de noodzaak tot sublimatie

 

(Naar het schijnt een typisch Fieret-gedicht, met de korte zinnen en impressionistische flarden.)


 

De plastic cementzak met versnipperde papieren van Gerard Fieret, collectie Literatuurmuseum

 

 

Het is veelzeggend dat niemand zich vandaag de dag nog kan herinneren of het afleveren van die zak snippers met boosheid gepaard ging. Anders gezegd: woede was een vrij gewone en dus niet zo opvallende modus voor Fieret. Regelmatig ontstak hij in tirades over vermeende diefstal, plagiaat en onderwaardering van zijn werk, ook buiten het museum om.

 

Bekijk het portret van een jonge, veelbelovende Gerard Fieret in de Nationale Schrijversgalerij

Bekijk portret

Maar: woede was zeker niet zijn enige modus. Sterker nog, met het museum had hij anno 1984 al jaren een zeker voor zijn doen solide, persoonlijke band. Behalve de zak zijn er diverse correspondenties van Fieret overgeleverd, die gedeeltelijk gaan over het overdragen van zijn werk. Zo wisselde Fieret tientallen brieven uit met Gerrit Borgers, vanaf 1954 decennialang de hoofdconservator van het museum. Borgers is degene die op 23 juni 1970 aan Fieret berichtte: ‘Het bestuur van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum betuigt U hierbij zijn grote erkentelijkheid voor het in eigendom afstaan der hieronder nader omschreven documenten of voorwerpen aan het Letterkundig museum.’

 

Een bericht dat in deze context juist opvalt doordat het zo gewoon is, zo routineus: Fieret was de bereidwillige auteur die werk afstond, het museum toonde zich de keurige, dankbare ontvangende partij. En het contact tussen Borgers en Fieret ging daarna brievenlang op dezelfde voet verder, er was vriendelijkheid over en weer. Zo schreef Fieret op 9 januari 1971, in zijn grote, onstuimige handschrift: ‘Beste Gerrit, veel dank voor het geweldig verzorgen van mijn schrijfsels.’ Maar in diezelfde brief bekent hij ook al gecontroleerd te hebben wat er precies met zijn overgedragen werk gebeurde: ‘ik ben even in het letterk. geweest en wat correktie’s gemaakt veel excuses voor mijn paranoïde gettetter ik ben vaak ’n onmogelijk mens ik heb gelijk maar weer ’n berg schrijfsels achtergelaten, dan bezorg ik je minder last.’ 
 

Fieret aan Borgers, 9 januari 1971

 

 

Die glimp van zelfinzicht geeft niet alleen deze brief, maar meer van wat Fieret schreef een ietwat tragisch karakter. Hij wist dat hij soms veeleisend en op andere momenten ronduit onmogelijk was. Hij wist het en kon zich er – om wat voor reden dan ook, wellicht omdat hij het gewoonweg niet wilde – lang niet altijd tegen wapenen. Ook na deze eerste brieven met Borgers onderhielden de twee contact, ook toen bleef de toon over het algemeen goedaardig en welwillend, en ook in die brieven leek Fieret af en toe plots heel erg op zijn hoede of gealarmeerd. Met regelmaat ging hij tekeer tegen Borgers: dat er niet goed voor zijn archiefstukken werd gezorgd, dat hij beter verdiende. Psychologisering vanuit het heden is hierbij zowel verleidelijk als gevaarlijk, want Fieret is er niet om zijn motivatie of intenties nader uit te leggen (en wie weet schreef hij dit alles wel als uit de hand gelopen kunstproject?), maar toch lijkt me dat ik veilig kan zeggen: de nalatenschap van Fieret toont aan hoe groot de emoties wantrouwen en woede bij hem konden worden.

 

Die versnipperde letters en beelden in de zak wekken de indruk van losse, ongeremde schreeuwen, een soort oprispingen van ergernis. En wat maakt dit voor ons, jaren na Fierets overlijden, behalve enigszins smeuïg nog steeds interessant? Wat laat dit alles zien? Het antwoord op die laatste vraag: hoe Fieret leefde. Anders gezegd: dat hij behalve een begenadigd fotograaf en productief dichter (hij publiceerde tussen 1973 en 2006 negentien bundels) ook iemand was met een hoge emotionele hartslag. Iemand die om hem heen dagelijks diefstal en (potentieel) misbruik waarnam – en die houding werd vervolgens ook weer zichtbaar in zijn werk. Niet voor niets besloot hij een stempel te maken met ‘Copyright Gerrit Petrus Fieret’, een zinnetje dat op zijn foto’s soms wel vijf of zes keer voorkomt. (Ik heb flink gegraaid en gegrabbeld in de plastic zak, maar heb het copyrightlogo nergens gevonden, misschien scheurde hij dat logo ook wel in stukjes.) En net als veel van Fierets brieven heeft veel van zijn werk iets impulsiefs. Zijn gedichten worden als gezegd als impressionistisch beschouwd, zijn foto’s zijn rauw en korrelig. 

 

De correspondentie tussen Fieret en Borgers verliep niet kreukvrij maar bleef vriendelijk, en tot aan Borgers’ vertrek bij het museum onderhielden de twee contact. Over wat Fieret allemaal aan het museum kon afstaan, over zaken die het schrijven / kunst maken hooguit schampten, of ineens weer serieus over het schrijverschap en nieuw werk. Op een ongedateerd, handgeschreven, interpunctieloos briefje schreef Fieret aan Borgers: ‘’In feite ben ik de schrijver van het zuivere beeld (eenvoud!) zij vormt een belangrijk component in mijn veelzijdig tevens uitermate pluriforme schrijverschap.’ Naast deze tekst staat een kort, ietwat warrig gedicht (‘zet een woord tussen woorden’) dat is voorzien van een handgeschreven copyright-keurmerk, voorzien van een ferme pijl, alsof dat de belangrijkste boodschap is van het briefje. 

 

Fieret aan Borgers, ongedateerd

 

 

Borgers’ opvolger Anton Korteweg was de conservator van dienst toen de plastic zak werd bezorgd. Ook hij had een persoonlijke band met Fieret, die volgens Korteweg welwillend was en werd gekenmerkt door onverhoedse bezoekjes – ‘een man als Gerard houd je aan de balie niet tegen, die loopt door’ – en nu en dan een tirade over diefstal. ‘Ik weet niet waarom hij zijn papieren juist als snippers in een vuilniszak heeft aangeleverd,’ laat hij desgevraagd weten. ‘Het kan best zijn dat hij dat deed om ons te straffen: als jullie me niet exposeren, dan ook geen handschriften.’ En: ‘Ik kan me geen ruzie met hem herinneren, maar ben wel als het echt niet anders kon ten opzichte van hem duidelijk geweest.’

 

Was Fieret hierdoor beledigd? Op 11 januari 1989 schreef hij ook nog een warrig, boos epistel aan museummedewerker Gerrit Jan Slijkhuis. Desondanks scheen hij in diezelfde periode nog steeds soms op de stoep van het museum te zijn verschenen om weer een brief, enkele gedichten of ander materiaal af te leveren. In zijn schrijven aan Slijkhuis ging hij daar niet expliciet op in, hij benadrukte vooral dat hij meer aandacht verdiende, en zijn werk een betere behandeling. De brief werd op meerdere punten onderbroken door slordige tekeningetjes, en verder sprong Fieret voortdurend van de hak op de tak, over wat er allemaal niet klopte en deugde aan hoe er met zijn poëzie werd omgegaan. 

 

Veel van de brieven lezen alsof Fieret ze improviserend schreef. Ik stel me voor tijdens nachtelijke sessies waarin hij ook zijn gedichten schreef en de tijd volledig vergat, of waarin hij zich met overgave in zijn verongelijktheid vastbeet. En waarin hij zich op een avond, zich sluimerend bewust van hoe vreemd die handeling was, vergreep aan stapels eigen gedichten en foto’s en die voorgoed een onherkenbare, minieme gedaante gaf. Ik wroet nog eens door de zak – geen veredeld afval, eerder een werk waarin allerlei karaktertrekken van Fieret samenkomen: zijn ongeremdheid, zijn discipline, zijn fanatisme, zijn gekrenktheid. Ik pak een paar snippers waarvan de letters met geen enkele logica op elkaar aan te sluiten zijn en vraag me af of er ooit een dieper verband was, of dat dit juist hun ware bestemming is, versnipperd in een ongrijpbaar groot geheel.