Een brief van Bob den Uyl: ‘Ik heb je nieuwjaarswens ontvangen, werkelik grappig en zo, maar wat nu?

Rond de jaarwisseling van 1963-64 had Bob den Uyl een uitgebreide nieuwjaarswens ontvangen van zijn goede vriend, beeldend kunstenaar Mathieu Ficheroux. Die kon hij natuurlijk niet onbeantwoord laten. Een geestige oefening in zegenrijk ouwehoeren.

 

 

‘Er is niets tegen geoudehoer, zolang er maar Gods zegen op rust.’ De uitspraak is van Gerard Reve, maar is minstens zozeer van toepassing op het werk van Bob den Uyl (1930-1992). Vooral in zijn reisverhalen neemt hij talrijke omwegen, niet alleen op de fiets maar vooral op papier, en een terloopse observatie kan goed zijn voor een paginalange uitweiding over… waar eigenlijk niet over? En zoals dat gaat, blijven die uitweidingen soms beter hangen dan de bestemming. Zo herinner ik me hoe Den Uyl uitgebreid beschrijft hoe misselijk hij kan worden als hij in de frisse natuur terechtkomt. Daar zijn zijn stadse longen in het geheel niet op berekend, en voor een volgende keer bedenkt hij een remedie. Voor vertrek houdt hij een zakdoek tegen de uitlaat van een stationair draaiende bus, zodat hij, bij een onverhoedse overval van frisse lucht, een naar diesel stinkende zakdoek in zijn gezicht kan drukken, om zijn lichaam weer in stadsere sferen te brengen.


Waar die frisse lucht was en waar hij toen heen fietste? Ik heb geen idee meer, maar het zou heel goed een tochtje langs Belgische loopgraven geweest kunnen, want Den Uyl was gefascineerd door ’14-’18, zo vertelt hij in De ontwikkeling van een woede (1972): 

 

 

Maak me ’s nachts wakker en vraag me de geringste kleinigheid uit die vijf jaren loopgravenoorlog, en ik spuit prompt het antwoord op. Zonder veel inspanning zou ik in een televisiequiz de hoofdprijs kunnen verdienen als het me niet te veel moeite was, en als hij over de Eerste Wereldoorlog ging natuurlijk.

 

 

Het kan ook heel ergens anders geweest zijn trouwens, ik dwaal af, want het ging me niet om die Eerste Wereldoorlog, zelfs al speelt die in het oeuvre van Den Uyl een grote rol. Het ging me alleen om het detail van die stinkende zakdoek, waaraan ik altijd moet denken wanneer ik zelf onverhoeds in de natuur terechtkom. 

 

Bob den Uyl debuteerde als schrijver in 1960 met een kort verhaal in het half Rotterdamse, half Antwerpse tijdschrift Gard Sivik
 

 

‘Een beeld van mijn drukke werkzaamheden’ is een absurdistisch verhaal over een man die zich voordoet als inspecteur en na binnenkomst bij een vrouw het glaswerk kapotgooit, waarna ze zich er beiden ‘in woordeloze vreugde’ in omwentelen. Absurdistisch dus, net als verschillende andere verhalen in zijn debuutbundel Vogels kijken (1963). Dat absurde blijft hij trouw, net als het reizen, maar er komt nog iets bij, ergens tussen dat eerste verhaal in 1960 en zijn fietstochten richting Verdun. 


Het geouwehoer.


De zin van zegenrijk geouwehoer moet Den Uyl ergens in de jaren zestig ontdekt hebben, in elk geval was hij zich ervan bewust in 1968, toen hij zijn tweede verhalenbundel, Een zachte fluittoon, opende met een kort titelverhaal.

 

 

Het is een uiterst nare ervaring om, als je voor het naar bed gaan nog gauw even een girobiljet invult omdat het anders misschien vergeten wordt, plotseling in de verte, mogelijk zelfs buiten de stad, de zachte aanvang van een fluittoon te horen. (…) In het begin besteed je nauwelijks aandacht aan het feit dat de fluittoon langzaam in kracht toeneemt, zó geleidelijk en onmerkbaar gebeurt dit.

 

 

Die fluittoon laat zich metaforisch lezen als het zinloze detail, dat aanvankelijk afleidt maar zich uiteindelijk naar de voorgrond dringt, de omweg die het verhaal in de weg staat tot het er de plaats van gaat innemen. Kortom: vanaf dit moment is Den Uyls oeuvre één grote afleidende fluittoon van verhalen waar het misschien eigenlijk niet om gaat. Een tikje Reviaans is het zeker – het is moeilijk om bij de reisverslagen van Den Uyl niet aan Reves ‘reisbrieven’ te denken. Maar het was meer dan alleen een literair middel, want onlangs dook een vroege brief op van Bob den Uyl aan zijn goede vriend, beeldend kunstenaar Mathieu Ficheroux (1926-2003) en daarin vertelt hij al net zo meanderend. 

Bob den Uyl (rechts) met Mathieu Ficheroux. Foto: collectie Literatuurmuseum

 

 

Ficheroux had hem een nieuwjaarswens gestuurd in de vorm van een ‘lange rol papier’ – wat die verder behelsde, valt helaas niet te achterhalen. Wel is zeker dat de wens op Den Uyl danig indruk had gemaakt: ‘Ik heb je nieuwjaarswens ontvangen en gelezen, werkelik grappig gevonden en zo, maar wat nu?’ Dit is het begin van een associatieve aaneenschakeling van mijmeringen die moeten verhullen dat Den Uyl niet in staat is om recht te doen aan de originaliteit van de nieuwjaarswens. 

 

 

Ik vind het natuurlijk altijd gezellig om post te krijgen, en zeker nieuwjaarswensen, daar kan een mens eigenlijk niet buiten vind ik, en als die bovendien van jou komen ben ik helemaal in mijn nopjes. Maar ja, je weet hoe dat gaat, je doet de postbus open, je pakt de post eruit, of post, het is maar wat je post noemt, voornamelijk reklame nietwaar, dat zal bij jou ook wel zo zijn, allerlei speciale aanbiedingen enz. die je eigenlijk toch nooit leest, zonde van het papier eigenlijk, volgens mij verkijken die mensen zich sterk op het nut van huis aan huis reklame, maar ik zie het misschien verkeerd, je weet wel nietwaar, ik geef mijn mening graag voor een betere. 

 

 

En passant schrijft hij over zijn vrouw Toos, zijn zoontje Hugo die er helaas in was geslaagd de papieren rol in tweeën te scheuren (‘zo gaat dat met kinderen, die willen alles maar verscheuren en kapot maken, maar daar zijn het tenslotte kinderen voor’), nut en nadeel van lijfstraffen voor de opvoeding, en over een willekeurige Engelsman van wie hij jaarlijks kerstpost ontvangt. Maar een nieuwjaarsboodschap? Een ‘duf burgermanssneeuwgezichtje’? Daar begint hij niet aan. Maar wat dan? 

 

 

Je had mij eens in elkaar moeten zien krimpen op het ogenblik dat de konsekwensie van jouw wens tot me doordrong! Dat had je aan het denken gebracht, goede man. Maar gedane zaken nemen geen keer, die wens van jou ligt daar nu eenmaal en hij zal beantwoord. En ik kan je nu ook wel vertellen dat punt 1: mijn luiheid, eigenlijk diep verweven is met punt 2: mijn streven naar originaliteit.

 

 

De brief (waaruit je eigenlijk elke zin wel kan citeren) geeft een mooi beeld van de vriendschap, net als de foto hierboven, en ook de verschillende ansichtkaarten die Ficheroux mag ontvangen wanneer Den Uyl op reis is en die natuurlijk beknopter zijn, maar niet minder geestig. Den Uyl omcirkelt op achterkant van de ansichtkaart ‘8580 Bayreuth’ en schrijft erbij; ‘in okt’ 84 persoonlijk door Bob den Uyl bezocht.’ 

 

 

Maar meer nog dan het karakteriseren van die vriendschap markeert deze brief de eerste keer dat Den Uyls zegenrijke geouwehoer zich voor het eerst ten volle openbaart. Sommige passages klinken alsof ze rechtstreeks uit een reisverhaal afkomstig zijn. Over de Engelsman die zo graag kerstkaarten stuurde, bijvoorbeeld:

 

 

Je weet hoe Engelsen zijn, helemaal gek op het sturen van kerstkaarten, ik sta waarschijnlijk op zijn kerstkaartenlijst en krijg dus elk jaar welhaast automaties zijn kaart, geen kwestie dus om je druk over te maken. Hoewel ik heb wel eens gehoord dat Engelsen alle ontvangen kerstkaarten op de schoorsteen zetten en dat wie de meeste kaarten op de schoorsteen heeft staan, dat die het mannetje is, een soort folklore.

 

 

Uiteindelijk geeft Den Uyl het op. ‘Ik kan dus alleen maar zeggen: dank, beste mensen, voor jullie beste wensen, en van harte hetzelfde, ook namens Toos en Hugo’. Voor de zekerheid schrijft hij ook nog een flauwe mop over die hij onlangs hoorde, in de hoop toch wat extra ‘vreugde in jullie huis’ te brengen. 


Waar die brief ophield, begon het schrijverschap van Den Uyl pas goed, rond de jaarwisseling van 1963-’64, in een gesprek tussen twee goede vrienden.