Een gedicht voor niemand: de poëzie van de eenzame uitvaart

De Poule des Doods: een groep dichters die, onder impuls van de vorig jaar plotseling overleden dichter F. Starik, uitvaarten opluisteren waarbij geen nabestaanden worden verwacht. Heeft het wel zin iets te zeggen in dichtvorm waar woorden machteloos zijn?

Ger Fritz, ambtenaar van het Bureau Uitvaarten van Gemeentewege in Amsterdam, heeft een ongebruikelijke hobby: 27MC-zenders, ooit bekend als ‘bakkies’. Het medium heeft zijn tijd allang gehad, maar toch bestaat 27MC nog. Het ‘valt inmiddels volledig met zijn boodschap samen,’ zo schreef F. Starik in 2005 in zijn boek De eenzame uitvaart. ‘Het is een hele club van mannen, die “hallo hallo” in de ether roepen.’ En dat is voldoende – het medium zelf is de enige rechtvaardiging voor het voortbestaan ervan.

F. Starik. Leven als Museum

Vanaf 13 september is in het Literatuurmuseum de vitrinetentoonstelling F. Starik. Leven als Museum te zien. Geheel onverwacht overleed de dichter, performer, muzikant en kunstenaar in maart 2018 op 59-jarige leeftijd. Begin dit jaar verwierf het Literatuurmuseum een groot deel van zijn literaire nalatenschap. De tentoonstelling neemt de bezoeker via caleidoscopische kijkdozen mee in Stariks gedachtewereld. ‘U moet mijn huis als een vergrote binnenkant van mijn schedel zien: het zichtbare archief van wat binnenin mij leeft…’

Het is voor een groot deel aan deze Ger Fritz te danken dat dichter F. Starik slaagde in zijn voornemen om een groep dichters (de ‘Poule des Doods’) te verzamelen die uitvaarten opluisteren waarbij geen nabestaanden werden verwacht. Om te voorkomen dat daklozen, illegale vluchtelingen en vereenzaamde ouderen met louter gemeentelijk ceremonieel begraven zouden worden, worden er al sinds 2002 in Amsterdam dichters uitgenodigd die speciaal voor de gelegenheid een gedicht schrijven. F. Starik ontleende het idee aan de toenmalige stadsdichter van Groningen, Bart FM Droog. Hij deed dat met verve – de uitvaartdichter is een geaccepteerd verschijnsel: ‘Er komt niemand van het verpleegtehuis, kinderen hebben al jaren geen contact meer met moeder, dus ik ga een dichter regelen’, is inmiddels geen ongebruikelijke uitspraak meer bij de gemeente.

Wat kun je zeggen over de poëzie waarmee ze komen? Starik ging op zoek naar dichters die in hun werk blijk hebben gegeven van een ‘doordachte verhouding tot het onderwerp des doods’, en de meesten schuwden al te radicale vormexperimenten. Aanvankelijk probeert Starik de gemeente voor zich te winnen met het geruststellende ‘we gaan voor het sonnet’. Hoewel het sonnet een zeldzaamheid bleef, gaan de meeste dichters niet op zoek naar de grenzen van verstaanbaarheid in de poëzie. Ook zijn veel gedichten terughoudend; ze zijn bedoeld om met respect stil te staan bij de overledene en daarbij is al te veel concreetheid niet welkom. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar die zijn wel wat ik functioneel zou noemen. Eva Gerlach, over een man die pas anderhalf jaar na zijn dood werd gevonden:

 

Alleman mocht van u

verrotten incluis uzelf.

 

 

De meeste gedichten zijn omzichtiger over doodsoorzaak en omstandigheid waarin het lichaam werd gevonden. Ze staan vooral vol met vragen. In de eerste plaats naar de reden van de eenzaamheid:

 

Dag meneer,

zonder papier, zonder identiteit.

Wat zocht u hier? Wat bent u kwijt?

(F. Starik)

 

Je bent een raadsel, mens,

of je al dan niet weet

waar je vandaan komt

en waar je heen gaat

(Simon Vinkenoog)

 

Hoe sluipt de dood in bij een eenzaam man?

Als kille mist, als lonkend vergezicht vol pracht?

(Anneke Brassinga)

 

 

Ook de dichter wil in de eerste plaats weten hoe het mogelijk is dat iemand zo eenzaam achterblijft dat er niemand op de begrafenis komt.

 

Dat wil zeggen, niemand behalve die dichter, en dat is meteen de aanleiding voor de volgende vraag die in veel gedichten wordt gesteld: die over de zin van het eigen optreden. De dichter vraagt zich af: hoe is het zo ver gekomen dat uitgerekend ik hier moet staan om wat zinnigs te zeggen? Moet je als dichter eigenlijk wel iets zeggen wanneer de overledene zo nadrukkelijk in stilte is gestorven? Wat kun je eigenlijk met woorden? In elk geval niet veel concreets, dat blijkt uit meerdere gedichten. Nachoem M. Wijnberg formuleert zijn onmacht:

 

Hoe minder ik weet

hoe meer het een kinderversje wordt,

wat ik over iemand kan zeggen

 

 

En Menno Wigman wist ook niet tot wie hij zijn gedicht richtte:

 

De dood heeft geen adres. Maar toch een brief,

vandaag, een dag als deze, droog, oud, een brief

aan iemand die van mensen houdt

 


Het is begrijpelijk, al die vragen: veel van de optredende dichters zijn vertrouwd met het podium en weten hoe de betekenis van hun tekst kan veranderen in confrontatie met een publiek. Maar hier is geen publiek: er is een gedicht aan niemand, gehoord door niemand (behalve de ambtenaar) en zo komt alle betekenis op de schouders van de dichter terecht. En hoe ga je daarmee om? Wat gebeurt er eigenlijk?

 

Een notitie met informatie over een ‘eenzame’ overledene. (Starik-collectie Literatuurmuseum)

Verbeelding

 

Zo’n blanco onderwerp met mysterieuze lading geeft soms ook ruimte aan de verbeelding, zoals in een gedicht van Neeltje Maria Min, die de witte plekken in het bestaan van haar onderwerp wil invullen:

 

Wat ik probeerde was je te omgeven met

huiselijk leven: een tafel, een stoel,

een broer en een moeder.

Maar voor ik had ingericht floepte

het licht uit, sloegen de deuren dicht,

werd je gewist.

Ze probeert nog een paar andere beelden (steeds ingeleid door de overgang ‘Iets anders dan’) voordat het gedicht toch eindigt op de plek waar de overledene werd gevonden:

 

Er stond in het draaiboek vermeld

het eindpunt zal zijn Keizersgracht.

Ik heb je erheen geschreven.

 

Marek Skarzinski, rust zacht.

Ze eindigt dus met het begrafeniscliché bij uitstek – maar die zachte rust is dankzij de fictionele strofen daarvoor al even wankel geworden. Rust zacht, het is maar een wens, vergelijkbaar met het huiselijk leven, een broer, een moeder die ze voor Marek schreef. En die had hij óók niet toen hij in de Keizersgracht werd gevonden.

Ook F. Starik vertelt in een van zijn gedichten verhalen, totdat een ervan plotseling samenvalt met de werkelijkheid. In ‘I.M. Michael’ somt hij de mogelijkheden voor het onbekende leven op: een vader, ‘dikwijls dronken’, een ‘kleine stevige moeder’, een maaltijd. Hij laat hem verhuizen naar een ‘troosteloze buitenwijk’, en geeft hem vervolgens in het gedicht de mogelijkheid daaraan te ontsnappen.

 

Ik geef je een stad van vrijheid en voorspoed.

Ik geef je een plein waar de welvaart bestaat uit

deur na deur een kroeg, de hel van peepshows,

disco’s, herrie, fastfood, gokpaleizen.

Ik geef je een eind en het eind komt te vroeg.

Met deze wapens gaan de dichters vaak het verdrietige en het onbekende te lijf: een eigen, persoonlijke inzet en de verbeelding.

De eerste keer dat Hans Verhagen schrijft voor de eenzame uitvaart, stelt hij zich dezelfde vragen die zoveel dichters zich voor hem al stelden: ‘Wie heeft niet gedroomd ooit een mysterie te heten’ en ‘Wie is nog geïnteresseerd in je naam?’ Als een van de weinigen geeft hij wel onmiddellijk enkele antwoorden, die hij vindt in zijn eigen dichterschap.

 

Ik heb zelf last gehad van een poëtisch ideaal als kwaal

om van alle menselijke smetten vrij te zijn, door

vele wateren gewassen zoals zij,

onbekende vrouw van omstreeks 35 jaar

opgevist uit het IJ.

Het is een opmerkelijke koppeling: de zelfmoord door verdrinking als een soort rituele reiniging waar de dichter, bij wijze van poëtisch ideaal, ook naar streeft. Er is bij deze overledene weer te weinig informatie om de identificatie compleet te maken:

 

de politie zwijgt als het graf

meer kan er in deze rotstad nooit vanaf

en minder poëtisch kan het ook al niet

 

 

Maar het geheim dat de vrouw herbergt is ‘niet helemaal niks’: wanneer de dood ook voor de dichter de ultieme reinigende factor is, dan kan hij aan het slot constateren dat hij ‘nog één zucht, één beweging, één gedachte’ van hetzelfde lot verwijderd is, en dan – constateert Verhagen eigenlijk met opluchting – is het zover: ‘wij zijn allebei vrij’.

 

Zo concreet als Verhagen identificeren de dichters zich zelden met hun onderwerp, maar eigenlijk is dit gedicht wel zo eerlijk: de dood is één manier om op zoek te gaan naar het ideaal van volmaakte verstilling. Een gedicht schrijven is een andere.

 

Links: brief van toenmalig burgemeester Van der Laan. Rechts: krantenknipsel uit The Independent over de eenzame uitvaarten. (Starik-collectie Literatuurmuseum)

Poëzie als poëzie

 

De eenzame uitvaart-gedichten vormen een bijzonder subgenre in de Nederlandse poëzie. Het zijn soms concrete, traditioneel rijmende gedichten, meer dan eens sijpelt de emotie de regels binnen, maar ook kiezen de dichters vaak voor koele beschrijvingen en harde typeringen. Meer dan dat ze ontstaan zijn nadat een dichter ‘ja’ zei op een uitnodiging lijken ze niet gemeen te hebben. De dichters hebben weinig gemeen, hun gedichten alleen het onderwerp.

De verzameling vormt een bijzonder geheel, ja, toch een geheel. Het onderwerp geeft aanleiding tot steeds ongeveer dezelfde vragen, en die gaan niet alleen over de mysterieuze dode, maar ook over het middel waarmee die herdacht wordt. Wat doet dit gedicht eigenlijk? is een terugkerend thema.

 

Namenlijst uit een jaarverslag van Stichting De Eenzame Uitvaart. (Starik-collectie Literatuurmuseum)

Het gedicht heeft een heel specifieke en concrete functie, zonder dat de inhoud daaraan ondergeschikt wordt, laat staan gecompromitteerd. De aanleiding werkt niet beperkend, integendeel, de dichters doen vaak aan een opvallend openhartig zelfonderzoek. De gedichten zijn geschreven voor volkomen onbekenden, en de dichters vragen zich vaak af wat er van hun woorden aankomt. Het zijn, behalve herinneringen aan het onbekende, ook rechtvaardigingen van de literatuuropvatting van de schrijver. Want eerst dient helemaal opnieuw de vraag beantwoord te worden: waarom dicht ik eigenlijk? Om troost te bieden? Ruimte te maken voor ontroering? Nee, dat is het allemaal niet. Het is het vertrouwen dat het zin heeft iets te zeggen in dichtvorm op een moment waar woorden machteloos zijn.

Dus daar staat de ‘dichter van dienst’, met een tekst waarvoor in eerste instantie eigenlijk geen publiek is. Een eerbetoon vaak aan iemand die tijdens het leven alle kans op een eerbetoon heeft verspeeld. De dichter leest een gedicht dat er is omdat er bij zo’n gelegenheid toch iets moet zijn. Het is als met het 27MC-bakkie van Ger Fritz – het medium valt samen met de boodschap en uiteindelijk roept de dichter eigenlijk alleen ‘hallo hallo’ naar de kist.

Het is een vorm van hermetische poëzie: de poëzie mag er zijn op zo’n begrafenis, omdat ze poëzie is.

 

Een langere versie van dit stuk stond in Raster 115, 2006.