‘Lief Museum, wat schrijf je me toch een gezellige brieven’ – Penvrienden Ellen Warmond en Simon Carmiggelt

In 1964 schrijft dichter Ellen Warmond als medewerker van het Literatuurmuseum een brief aan Simon Carmiggelt, met de vraag of hij wil meewerken aan een tentoonstelling. Het is het begin van een unieke, warme en geestige correspondentie, nu gebundeld in het boek Lief Museum. Philip Huff leest de brieven in het museum met genoegen.

 

De poëzie van Ellen Warmond is kalm, vastberaden, vormvast. En prachtig, als je het mij vraagt. Maar nooit echt grappig. Voor mij wás de dichteres haar poëzie: iemand met een melancholische dispositie, een sombere maar scherpe sensibiliteit. 

 

Een favoriet. 

 

Als Pietronella Cornelia van Yperen werkte de dichteres jarenlang (van 1955 tot 1983) bij het Literatuurmuseum, toen nog Letterkundig Museum geheten. Ze verzorgde daar diverse publicaties over Blaman, Slauerhoff, Vestdijk en anderen. Haar werk bestond uit brieven schrijven, handschriften lezen, documenten beschrijven, uiterst braaf ‘klerkenwerk’. Nuttig, belangrijk werk, maar geen dienstverband, lijkt het, waar men zijn geestigheid in kwijt kan. 

Wat blijkt maar weer? De blinde vlek. 

 

Want Warmond is als brievenschrijver in de eerste plaats scherp: soms – nog altijd – somber, vaak juist ook heel grappig. Dit blijkt uit het nieuwe boek Lief Museum, bezorgd door Bertram Mourits en Trudy van Wijk, dat 17 augustus verschijnt bij uitgeverij Querido.  

 

 

Ellen Warmond. Foto: Edith Visser, collectie Literatuurmuseum

 

 

Warmond werd op 23 september 1930 geboren in Rotterdam. Na de hbs volgde zij een balletopleiding en ze danste in het Rotterdams Ballet. Voor haar eerste dichtbundel Proeftuin kreeg ze in 1953 de Reina Prinsen Geerligsprijs (ze deelde de prijs met Remco Campert). In deze bundel staat het gedicht ‘Changement de décor’, dat in een rechtvaardiger wereld een klassieker zou zijn: 

 

 

Zodra de dag als een dreigbrief 

in mijn kamer wordt geschoven 

worden de rode zegels van de droom 

door snelle messen zonlicht losgebroken 

 

huizen slaan traag hun bittere ogen op 

en sterren vallen doodsbleek uit hun banen 

 

terwijl de zwijgende schildwachten 

nachtdroom en dagdroom haastig 

elkaar hun plaatsen afstaan 

legt het vuurpeloton van de twaalf 

nieuwe uren bedaard op mij aan. 

 

Een van mijn andere favorieten is ‘Advies’, onder meer te vinden in de bundel Tegenspeler tijd, een keuze uit de gedichten (1979). 

 

 

Van omgelogen dromen geen 

museum maken en een ander 

middelpunt aannemen dan de 

verwarmde holte van de eigen hand 

het prentenboek van kinderlijke  

teleurstelling verbranden 

de spiegel uit zijn recht ontzetten 

van de eerste bezienswaardigheid 

de afgepaste vakken van de tijd 

niet meer te buiten willen gaan 

het ruiterstandbeeld van het zelfbedrog 

in het publiek onthullen 

de horizon als enig vaste lijn 

aanvaarden en de dingen verder 

maar onbewogen laten wat ze zijn. 

 

De dichteres zou vele dichtbundels, één verhalenbundel en een roman publiceren, maar kreeg daarvoor nog slechts eenmaal een titelprijs (de Jan Campert-prijs voor haar bundel Warmte, een woonplaats). In 1987 volgde de Anna Bijns Prijs voor haar gehele oeuvre. 

 

Tussen september 1964 en november 1979 onderhield Warmond een correspondentie met Simon Carmiggelt, niet alleen de meest productieve, maar ook de meest gelezen en gelauwerde columnist van Nederland; de journalist, schrijver en dichter had bijna veertig jaar lang een column in Het Parool en kreeg de Constantijn Huygens- en de P.C. Hooft-prijs

 

 

Simon Carmiggelt in 1979. Foto: Eric Dix, collectie Literatuurmuseum

 

 

De briefwisseling begint op 23 september 1964 met een verzoek van Warmond: ze wil ‘een (sprak zij bescheiden)’ van zijn ‘handschriftcahiers’ voor een toekomstige tentoonstelling in het museum: 

 

 

Ik kan talloze min of meer steekhoudende motieven verzinnen waarom u dat beslist moet doen, 1) om niet door ons te worden lastig gevallen met het verzoek om bruikleen van een handschrift […] 2) als niemand meer iets aan ons afstond zou het Museum droevig verkommeren, wat gelijk staat met een omslachtige vorm van broodroof van 8 mensen [waaronder vier met een gezin]. Ik bedoel maar; het is een hele verantwoordelijkheid. / In de hoop dat u dus erge wroeging krijgt en met vriendelijke groet 

 

Al in november, na wat kattebelletjes over zijn cahiers, begint Carmiggelt zijn brief als volgt: ‘Lief Museum, wat schrijf je me toch een gezellige brieven.’ 

 

Carmiggelt en Warmond waren geen huisvrienden (de twee ontmoetten elkaar zelden), wel penvrienden, een type vriendschap dat met uitsterven wordt bedreigd. Wat er met dat genre verloren gaat, is in de brieven tussen Warmond en Carmiggelt te lezen. 

 

De auteurs gebruiken het papier om hun pen te scherpen – en hun karakter. De brieven van Warmond zijn een revelatie: de zachtaardige dichteres blijkt een vlijmscherpe observator te zijn, geestig, cynisch en lekker vilein. 

 

Carmiggelt was zo onder de indruk van haar brieven dat hij ‘zijn’ krant Het Parool voorstelde haar een eigen rubriek te geven, die Warmond krijgt, maar niet lang invulde vanwege haar verplichtingen bij het museum en haar eigen literaire werk. 

 

Warmond tikt haar brieven, meestal op gekleurd papier, Carmiggelt schrijft met de hand. De twee corresponderen over Den Haag (Carmiggelt woonde daar voor de oorlog, Warmond verhuisde er eind jaren zestig vanuit Rotterdam naartoe), hun moeders, de stand van het land en verder, uiteraard, veel over het museum en de literatuur, met roddels. Warmond schrijft in 1977 bijvoorbeeld:  

 

 

Toch is mijn vak niet geschikt voor een gevoelig mens. Het is nl. zo, dat de goede schrijvers bijna nooit iets aan het LM afstaan en bovendien in grote getale angstaanjagend vroeg dood gaan, terwijl de tiende en noglagereklassers 100 jaar worden en die tijd vullen met het schrijven van dagboeken [die ze dan aan ons geven]. Onwillekeurig lees je hier en daar een stukje en dan ligt meteen mijn pad naar Koning Alkohol, zoals Gerard dat noemde, weer voor dagen geëffend.

 

Carmiggelt heeft het vaak over Reve, met wie hij begin jaren zeventig een correspondentie onderhield, zijn wandelingen door Amsterdam, Parijs en Florence (waar, zo schrijft Carmiggelt, Dostojevski in een verdieping tegenover het Pitti-paleis De idioot schreef: ‘Ik liep twee trappen op. Een deur. Daar woonde gewoon de heer J. Perucci. Je kunt dan moeilijk aanbellen bij zo’n man, vind ik. Ik liep weer de trap af.’), zijn drankgebruik en zijn afkeer van lezingen. 

 

Warmond schrijft over het museum, haar baas Gerrit Borgers (‘die met griep thuis zit en wiens enige bijdrage aan de samenleving bestaat uit gepiep, geknars en gereutel’), de literatuur (‘Ik hou van het proza, dat tussen haakjes op je afstrompelt’), haar behuizing en háár inname: ‘Om mijn leed te vergeten ben ik zoals altijd in zulke situaties dicht bij een ober gaan staan onder het motto “volgooien, maar!”’. Carmiggelt stuurt Warmond begin jaren zeventig het titelblad van ‘De gevolgen van het drankgebruik, voorgesteld in acht steenetsen, naar de oorspronkelijk gravuren van G. Cruikshank’. 

 

Het beeld dat oprijst, is van twee titanen met een gelijksoortige aanleg (schrijven, schrijven, schrijven om de boel te begrijpen!) en sensibiliteit (een neiging tot humor en melancholie), twee dichters die elkaar waarderen, die (mijn inschatting) elkanders werk en wederwaardigheden zonder jaloezie en met interesse lezen, in een tijd waarin de literatuur nog centraal stond (Carmiggelt, bijvoorbeeld, verkocht in 1970 bijna 80.000 bundels van zijn werk) en zij tweeën grote spelers waren. 

 

Een van de vele hoogtepunten: de brieven van eind 1969, als beide schrijvers zijn ingesneeuwd. We leren daar dat Carmiggelt soms, op zijn Reve’s, de neiging heeft een god aan te halen: ‘Onze daden volgen ons en alles wordt gezien. Het sneeuwt nog steeds’, en Warmonds epistel over haar broer en neefjes en kindervragen en -wijsheden is heerlijk onderkoeld: ‘Als dit gehele schrijven geen stroomloos gezwets is, wat dan wel? Nu ja, je moet maar denken, het is een vorm van sneeuwruimen…’ 

 

In een brief uit 1972 schrijft Carmiggelt dat er een boek gaat verschijnen getiteld Een eindje om. Warmond had zich die titel eerder eens verkeerd herinnerd als een Carmiggelt-titel, waarna de schrijver ’m had onthouden, en nu inzette: ‘Ik bereid je er dus op voor dat ik je in 1973 ga bestelen. Als je dat niet neemt, zie ik dat wel aan het briefhoofd van je advocaat.’ (Uiteindelijk gebruikte Carmiggelt de titel niet omdat er al een gelijknamig boek van Henriëtte van Eyk was.) 

 

Naarmate de jaren zeventig vorderen, neemt de frequentie van de brieven af. De twee spreken elkaar nog steeds aan met ‘Lieve Simon’ en ‘je Ellen’ en ‘Wees hartelijk gegroet’ en ze gebruiken postpapier met bloemen en ansichtkaarten met lieve krullen maar dan houdt het toch, ineens, op. Dat is jammer, vooral voor de Warmond-liefhebber. Want Warmonds zinsbouw, vocabulaire en toon in deze correspondentie blijken haar meest natuurlijke toon te zijn (ze schrijft Carmiggelt vaak, lijkt het, aus einem Guss een brief, soms zelfs zonder alinea-indeling) en het is een genoegen ernaar te mogen luisteren.

 

In haar eerste brief aan Carmiggelt: ‘Aangezien ik mijn brood verdien met het helpen bewaren van handschriften van schrijvers voor de eeuwigheid en andere belangstellenden in het Letterkundig Museum, heeft mijn eigenbelang een soort beroepsdeformatie veroorzaakt, die maakt dat ik schrijvers ongaarne iets zie verscheuren.’ Het is een groot geluk dat de schrijfster haar correspondentie met Carmiggelt heeft bewaard en dat deze nu – eindelijk – is bezorgd.