Simon Carmiggelt en Karel van het Reve: verslag van een genegenheid in kaarten

De correspondentie tussen Simon Carmiggelt en Karel van het Reve (een stuk minder bekend dan die tussen Carmiggelt en de andere Reve-telg) ademt genegenheid en waardering. John-Alexander Janssen bekijkt de collectie brieven en kaarten in het Literatuurmuseum.

 

Er staat geen jaartal op de ansichtkaart, maar één ding weten we: hij werd geschreven in Parijs, op 14 oktober. 

 

‘Beste Karel,’ staat er, ‘Tiny zat, wachtend op mij op het terras van de Dôme, te lezen in jouw “Uren”, toen een grijze heer aan het tafeltje naast haar kwam zitten. Zij bekoorde hem. Hij bekeek geruime tijd haar gezicht, waarop de uitwerking van je proza telkens zichtbaar werd. Eindelijk vermande de man zich en sprak: “Madame, ce que vous lisez, doit être très passionant.” Het is maar dat je het weet. Volledigheidshalve: we zijn nog steeds bij elkaar. Hartelijk gegroet, ook aan je vrouw, Simon (Niet Vinkenoog).’ 

 

 

 

 

Niet Vinkenoog. Welke Simon dan wel? Antwoord: niemand minder dan Carmiggelt. Met ‘Uren’ doelde hij op Uren met Henk Broekhuis (een pseudoniem van Karel van het Reve). Het boek bevat een verzameling korte stukjes over algemeen aanvaarde uitspraken of opvattingen die, nader beschouwd, de toets der Reviaanse kritiek niet doorstonden. Over onzin, dus. 

 

Zo draagt een van die stukjes de lange, maar de lading prima dekkende titel ‘Bijna iedereen denkt dat Philips best gloeilampen zou kunnen maken die niet stukbranden, maar dat niet doet omdat Philips dan failliet zou gaan want dan hoefde je maar één keer zo’n lamp te kopen’. Een andere titel: ‘Op welhaast alle scholen zegt de meester dat je herhaling van hetzelfde woord moet vermijden’.

 

Dit laatste klopte niet, volgens Broekhuis. Stijl, meende hij, kent geen concrete regels. Je mag een brief bijvoorbeeld best met ‘Ik’ beginnen, want ‘je kunt een heel onbeleefde en egoïstische brief schrijven zonder ook maar één keer het woord “ik” te gebruiken, en je kunt een alleraardigste en uiterst bescheiden brief beginnen met “ik”.’ Net als met herhaling is ‘de grote moeilijkheid (...) deze: de bedoeling van het schrijven is, dat je de mensen niet verveelt. Een van de dingen waar je de mensen mee kunt vervelen is herhaling. Maar herhaling is tegelijk ook iets waar je de mensen mee kunt vermaken. Op zichzelf is herhaling iets neutraals.’ 

 

Zit wat in. Maar het was vast niet dit proza dat een dermate sterke uitwerking had op het gezicht van Tiny Carmiggelt dat het de grijze heer deed opmerken dat haar lectuur wel ‘bijzonder opwindend’ moest zijn. Mogelijkerwijs ging het eerder om dít essay: ‘Er is nauwelijks een zichzelf respecterend intellectueel in de westerse wereld te vinden, die niet gelooft dat vele in dromen, beeldende kunst en literatuur voorkomende potloden en andere langwerpige dingen fallische symbolen zijn’. 

 

Carmiggelt zelf wordt overigens verschillende keren in Uren opgevoerd. Onder andere in het stuk ‘Mensen die over kunst (literatuur, schilderkunst, muziek etc.) schrijven en spreken geloven meestal dat slechte kunst geen kunst is’. Een ‘merkwaardige indeling’, merkt Broekhuis op, ‘die andere vakken niet hebben. Er zijn geen gebeurtenissen die niet bij de geschiedenis horen (...). Ook zijn er geen dieren die buiten de zoölogie vallen, of landstreken die niet geografisch zijn, of niet tot de natuur behorende natuurverschijnselen (...). Soms heeft die niet tot de kunst gerekende kunst formele kenmerken. Een voor de krant geschreven stukje bijvoorbeeld hoort niet tot de literatuur. In heel, heel bijzondere gevallen kan hier dispensatie worden verleend. Carmiggelt bijvoorbeeld schrijft voor de krant, maar heeft toch een plaats in de Nederlandse literatuur.’ 

 

Uren verscheen in 1978. Carmiggelt en Van het Reve, inmiddels allebei vereeuwigd in de geografie van Amsterdam, hadden er toen al heel wat jaren aan correspondentie op zitten, een correspondentie die een stuk minder bekend is dan die van Carmiggelt met Van het Reves broer en oud-Parool-collega Gerard Reve, begin jaren zeventig, tot die laatste de banden verbrak. 

 


 

Brieven en kaarten van Simon Carmiggelt aan Karel van het Reve, collectie Literatuurmuseum

 



Misschien is het woord ‘correspondentie’ te fors voor wat Carmiggelt en Van het Reve werkelijk hadden en kunnen we beter zeggen: er was post. Maar er was absoluut genegenheid, kameraadschap zelfs, een gevoel dat – getuige Uren en onderstaande fragmenten – haast wel wederzijds moet zijn geweest, ook al moeten we het voor wat Van het Reve betreft vooral doen met indirect bewijs. Soms is een archief onverbiddelijk. 

 

Het directe bewijs waarover we beschikken komt van Carmiggelt. Dat bewijs is eenduidig. Het ademt waardering. 

 

Op een ansichtkaart gericht aan een adres in Moskou (Van het Reve was er in 1967-1968 correspondent voor Het Parool) lezen we: ‘Beste Karel, Dank voor je voortreffelijke en dan ook onverwijld opgenomen bijdrage. Ik hou mij ook voor de toekomst, minzaam aanbevolen (...).’ Of de kaart van 18 april 1982, waarin Carmiggelt Van het Reve in versvorm feliciteert met het winnen van de P.C. Hooft-prijs: 

 

 

Wees welkom in ’t Rijk van oude P.C. Hooft      

Die prijs was je, door mij, allang beloofd. 

Maar juries lopen traag in Nederland 

Nu zijn ze toch nog bij de ware aangeland 

 

Veel and’ren ergeren zich vandaag kapot, 

omdat zij niet reçu zijn in het Muiderslot. 

Jij wel. Ofschoon je je daarop natuurlijk niet verkijkt. 

Je wàs al goed. Dus met die ketting heb je niks bereikt. 

 

Hartelijke groeten, Simon Carmiggelt

 

 

 

En ook over Van het Reves magnum opus, Geschiedenis van de Russische literatuur. Van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov (in 2014 toe aan de achtste druk) was Carmiggelt lyrisch. En liet dat weten. ‘Jouw boek,’ schreef hij in oktober 1985, ‘is gelukkig geen geleerde professor Unrath*, maar meer zo’n vrouw waar je niet van af kunt blijven. Heerlijk. En toch stichtend (...).’ 

 


 

 

Zoals gezegd: helaas geen overgeleverd schrijven in omgekeerde richting. Maar iets anders is er gelukkig wel. In een artikel over Mijn beter ik, het boek waarin Renate Rubinstein postuum haar tien jaar lange en geheime verhouding met Carmiggelt uit de doeken doet, gaf Van het Reve zich van Carmiggelts karakter rekenschap. Simon Carmiggelt, schreef hij, ‘had iets ongenaakbaars. Hij was ontzettend vriendelijk, welwillend, behulpzaam, beleefd.’ 

 

‘Maar,’ schreef hij, ‘je drong moeilijk tot hem door.’ En: ‘Hij moet zich in menig gezelschap vaak ontzettend verveeld hebben. Je kunt je afvragen waarom hij bij interviews en op andere plaatsen niet eens uit zijn slof is geschoten. Maar hij was niet alleen de meest getrouwde, maar ook de meest correcte en afgemeten schrijver van Nederland (...).’ 

 

De meest correcte en afgemeten schrijver van Nederland.  

 

Niet echt rock-’n-roll of James Dean. Ook lang niet zo poëtisch als, zeg, ‘de man die de engel zag’. Maar dat was Carmiggelt dan ook niet. Bovendien, als Karel van het Reve dat over je schrijft: het kan een stuk slechter. Eén ding kunnen we wel aannemen. Als Carmiggelt nog had geleefd, dan had hij er vast niet over geklaagd. 

 

 

Simon Carmiggelt in 1985. Foto: Jan Drukker, collectie Literatuurmuseum

 

 

Een verwijzing naar de hoofdpersoon van de roman Professor Unrat (door Carmiggelt met een h geschreven) van Heinrich Mann, in de verfilming Der blaue Engel gespeeld door Emil Jannings, die helemaal in de ban raakt van de zangeres Lola-Lola (Marlene Dietrich). 
Voor dit artikel heb ik geput uit Karel van het Reve, Verzameld werk 4 (Van Oorschot, Amsterdam 1978).