Liefdevol en beledigend

door Bertram Mourits

‘Dag mijn zoet krekeltje!’ Dat er meer was in het leven van dichter Johan Andreas dèr Mouw dan depressie en compromisloosheid, blijkt uit de schattige brieven die hij schreef aan zijn geadopteerde dochtertje Hetty.

 

Hij is sinds 8 juli een eeuw dood: Johan Andreas dèr Mouw, een dichter die je het best kunt introduceren door middel van zijn bekendste dichtregels:

’k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een’ge, wat ik kan:
’K gooi mijn vuilwater weg en vul de kan.
Maar ’k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.

Het zijn regels naar aanleiding waarvan je kunt filosoferen over het hoge en het lage. Het hoogste, Brahman, de goddelijke entiteit van het hindoeïsme, heeft behoefte aan een werkster, en is een tikje klunzig nu hij het zonder moet doen. Maar het is ook een grappig gedicht: ‘ik mors altijd’ staat er zo droog en plompverloren bij, dat je je het plezier kunt voorstellen waarmee de dichter te werk gegaan moet zijn.

 

Dèr Mouw met zijn klas van het gymnasium te Doetinchem. Datum onbekend

Bijna al zijn poëzie is tot stand gekomen in de laatste zes of zeven jaar van zijn leven. Voordat hij dichter werd, had hij al een heel leven achter de rug en rimpelloos was dat niet. Zijn principes zaten hem in de weg op zijn werk, aan het gymnasium waar hij les gaf. Hij was anti-christelijk en alleen al daarom controversieel. Ook was hij soms depressief – hij deed twee zelfmoordpogingen – en altijd compromisloos. Hij deed zijn mond open over wat hem als misstand trof; machtsmisbruik en vriendjespolitiek. Blijkbaar deed hij dat in niet mis te verstane termen want hij kreeg een rechtszaak aan zijn broek. De documenten betreffende die zaak bevinden zich ook in het Literatuurmuseum, en het is ontluisterend om te zien dat Dèr Mouw werd veroordeeld.

Er was een aanklacht vanwege het feit dat hij ‘den 20 juni 1904 te Doetinchem opzettelijk den rector van het gymnasium aldaar heeft beledigd door opzettelijk beleedigingen mondeling toe te voegen’. 150 gulden was de eis, en Dèr Mouw werd veroordeeld, en verhuisde uiteindelijk naar Den Haag – min of meer weggejaagd.

Dèr Mouw in de jaren '80 van de negentiende eeuw

Kleine briefjes met citaten

 

In het Dèr Mouw-archief in het Literatuurmuseum bevinden zich, naast de documenten rondom deze kwestie, ook handschriften (meestal heel netjes, wat suggereert dat hij kladversies weggooide) en ander mooi materiaal, zoals kleine briefjes met citaten die hij blijkbaar bij zich wilde dragen. Zo is er een los briefje met een tweeregelig gedichtje:

Was wir bergen in den Särgen ist der Erde Kleid.

Was wir lieben ist geblieben, bleibt in Ewigkeit.

Het betekent zo ongeveer: ‘Wat we in de lijkkist stoppen is louter de aardse verpakking. Dat wat we liefhebben zal eeuwig bij ons blijven.’ Het is bíjna de tekst van een Duitse Romantische dichter, Ernst Schulze, wiens ‘Trauerspruch’ nummer 582 als volgt luidt:

Was wir bergen in den Särgen

das ist nur der Erde Kleid

was wir lieben ist geblieben

bleibt uns auch in Ewigkeit.

Net als een Rilke-citaat (wel correct geciteerd) staat dit op een briefje dat eruit ziet alsof het talloze malen dubbelgevouwen is geweest; zo te zien droeg hij de teksten altijd bij zich. Je kan je voorstellen hoe deze citaten troost hebben geboden bij de aardse beslommeringen waaronder Dèr Mouw zoveel had te lijden, zeker voordat hij ze zelf in gedichten wist om te zetten.

Dat er meer in zijn leven was dan depressie en compromisloosheid, blijkt uit ander schriftelijk materiaal: de brieven aan Teuntje Vink, zijn in 1902 geadopteerde dochter die officieel Hetty Hanna dèr Mouw' zou gaan heten. Schattig zijn ze: ‘Dag mijn zoet krekeltje! Vaap [zoals hij zichzelf noemt] schrijft nog een brief aan zijn eigen klein wurmevogeltje’. En er staan prachtige tekeningetjes bij het volgende briefje: ‘Dus ga nu maar heel veel eten: tien boterhammen ’s morgens, en twintig ’s middags, en veertig borden vol om vijf uur. Je moet helemaal rond worden, zoo:’ Volgt een cirkeltje met handjes en voetjes. Hij is zorgzaam: ‘Speel je prettig aan het strand? En loop je niet te veel met bloote pootjes in ’t water? En eet je goed? En slaap je lekker?’

Hij speelde vooral met de vogelnaam: ‘Vink’ werd een spreeuwtje en ook beertje, krekeltje – en de brieven suggereren een soort ondubbelzinnige, probleemloze, ideale liefde die hem eigenlijk niet was gegund. Het is oppassen met ongewenst psychologiseren, maar soms klinkt hij bijna bezwerend: ‘Dan mijn klein zoet hartje, mijn eigen kindje. Vaap schrijft nog eens aan z’n krekeltje en zegt: Vaap heeft een verrassing voor zijn kindje.’

Met dochter Hetty (1904)

Tussen een aanklacht vanwege een scheldkanonnade en deze lieflijke brieven beweegt zich de persoonlijkheid van een dichter die zowel romantisch als humoristisch was, die zich in het hoogste wilde verplaatsen maar die zich realiseerde dat hij niet zonder het aardse kon. Het mysterie Adwaita wordt er niet kleiner op – en zo hoort het ook.

 

(met dank aan Co Woudsma)