Niet zomaar uit de mouw geschud

door Marc van Zoggel

In augustus 1968 verscheen bij uitgeverij De Arbeiderspers Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten, de debuutbundel van Gerrit Komrij. De 24-jarige dichter was volgens literatuurhistoricus Hugo Brems ‘een van de eersten om opnieuw vormvaste poëzie te schrijven: gedichten die bestaan uit drie kunstig rijmende kwatrijnen in vijfvoetige jamben.’ De gedichten zijn nochtans alleen op het eerste gezicht conventioneel. Komrij speelt met de clichés van de traditionele dichtkunst, bijvoorbeeld in ‘Een gedicht’: ‘De eerste regel is om te beginnen. / De tweede is de elfde van beneden. / De derde eerst brengt orde in u binnen. / De vierde moet weer rijmen met de tweede.’ – et cetera.

 

Komrij provoceerde volgens Brems ‘de ingetogen pratende, luidruchtig geëngageerde dan wel in taal gravende poëzie van zijn tijdgenoten’. Het precieuze taalgebruik is doorspekt met obsceniteiten: in ‘Paarden in een kipperen’ zit het lyrisch ik op het toilet en legt er ‘langzaamaan waanzinnig warme drollen’; in ‘Vergeetachtigheid’ oppert hij als penitentie voor een vergeten telefoontje: ‘Ik zou, ha! met konfetti en met kralen / Mijn lul moeten versieren als ekskuus’. In een bespreking van de bundel in Wending, een protestants-christelijk periodiek, karakteriseerde Ad den Besten, bloemlezer en poëzie-uitgever, de gedichten als ‘in grollen verpakte weerzin tegen het leven’, opgesteld in een ‘wansmakelijk vocabularium’. Hij voegde daar de verzuchting aan toe: ‘Rijmende gedichten zijn het nota bene’ – alsof al die smeerlapperij nog een graadje erger was nu zelfs het zuivere rijm ermee was bezoedeld.

 

Komrijs venijnige ironie manifesteert zich met name in de ondermijnende slotregels van de gedichten; ze hebben het effect van de ferme ruk aan het tafellaken waarmee de dichter het zojuist zo geraffineerd geëtaleerde servies rücksichtslos aan diggelen laat vallen. Zo eindigt ‘De jeugd van mijn held’, waarin de sfeer van een arcadisch dorpje met een ‘watertoren’, een ‘molen’ en ‘huizen van katoen’ wordt opgeroepen, met de uitsmijter: ‘Zomaar een idille uit de mouw geschud.’ In zijn recensie van de bundel riep Gerrit Krol uit: ‘Deze laatste regel is wel karakteristiek! Komrij doet niet anders dan geschiedenissen uit de mouw schudden.’


Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten

 

Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten bestaat uit 29 gedichten, verdeeld over zes afdelingen van elk vijf gedichten, met uitzondering van de vijfde afdeling, die maar vier gedichten telt. In het archief-Komrij in het Literatuurmuseum bevindt zich een gele doos met het opschrift ‘Debuut en daarvoor / 1965-1968’, met daarin onder meer een dikke map met kladjes, handschriften, typoscripten, notities, lijstjes en schema’s voor de debuutbundel. Hieruit blijkt dat Komrij aanvankelijk zeven afdelingen van vijf gedichten begrootte – in totaal 35 gedichten.

 

Arie Pos vertelt in ‘Komrij op Kreta’ (in De lange oren van Midas) dat Komrij in juli 1964 al plannen had voor een eerste bundel en dat zijn latere uitgever Theo Sontrop in 1965 een selectie uit zijn gedichten maakte om daarmee tijdschriften en uitgevers te benaderen. Deze selectie vormde de basis voor de samenstelling van Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten. Op een blaadje noteerde Komrij het ‘[t]otaal aantal, tot dusverre’:

 

Selektie van Sontrop

Enveloppe van Sontrop

Blauwe schrift

Losse gedichten

Hollands Maandblad

Proefpagina

 

Op de ommezijde zette Komrij 33 gedichten die in aanmerking kwamen voor zijn debuut onder elkaar: ‘bundel – eerste selektie’. Ernaast, onder het kopje ‘bundel – proeve v. volgorde’, werden de gekozen gedichten, aangevuld met twee nieuwe, over zeven afdelingen van vijf gedichten verdeeld. Die twee nieuwe waren het gevolg van een to-do-list, die Komrij op een ander blaadje onder het kopje ‘35 gedichten’ neerschreef:

 

Nog 2 gedichten maken in de groep ‘Sprookje’

Eventueel nog enkele oudere door nieuwe vervangen (2 of 3)

Alles verbeteren, aanpassen, redelijker maken – titels eveneens.

1 met de titel maken ‘De Rechte Bultenaar’.

 

Elders noteerde hij de titels van de gedichten die hij in Propria CuresHollands MaandbladProefpaginaTirade en Avenue had voorgepubliceerd of aan deze bladen had aangeboden. Dit leidde tot een rekensommetje: ‘Opnemen: bovenstaande 20’; ‘maken nog: 2’; aangevuld met ‘Het testament van de kluizenaar’, dat in december 1967 in Maatstaf zou verschijnen, kwam hij aan 23 gedichten. Met de overige had Komrij specifieke plannen:

 

De rest (12 gedichten):
a. vervangen
b. schokkend maken
c. eroticiseren
d. verlaconiseren, ontnuchteren

 

Een intrigerend poëtisch program. De gedichten moesten een ontnuchterende uitwerking hebben op de lezer, juist door te choqueren – wat een adequate typering is van het effect van de vaak scabreuze slotregels. De woorden ‘eroticiseren’ en ‘verlaconiseren’ lijken te verwijzen naar respectievelijk het seksuele of pornografische idioom en naar iets wat we misschien het beste kunnen begrijpen als het doelbewust vermijden van fraaie, melodieuze regels, ten faveure van afgemeten, gekunstelde zinnetjes – ‘laconiseren’ is een archaïsch woord voor ‘kort en bondig spreken’.

 

Een van de twee ‘nieuwe’ gedichten die bestemd waren voor wat hierboven ‘de groep “Sprookje”’ genoemd wordt – de vijfde afdeling – is getiteld ‘Op mijn ziekte’. Het verscheen echter pas in 1979 onder de titel ‘Ziekenhuis’ in de verzamelbundel Het schip De Wanhoop. Gedichten 1964-1979, in de afdeling ‘Gedichten gevonden in een map, gedateerd 1964’:

Heel voorzichtig uit het wit.

Ik masseer mijn zere voet.

           

Ik loop wat beter, en denk dit:

Al weet je nog zo wat je doet,

           

En wat je zwart op wit bezit:

Iedere dag een andere dood.

 

Het oorspronkelijke gedicht was ruim twee keer zo lang; er gingen nog acht regels aan vooraf:

Oh, laat het getij niet keren.

De draden wil ik buiten hangen,

Waar ze in de dag verweren.

Want binnen kan ik niet ontvangen.

Korte vezels worden langer

En omspinnen onze kleren.

De schavuit, die me wil vangen,

Kan niet zo gratuit bezeren.

 

Op een van de typoscripten van het gedicht die in de map worden bewaard, heeft het gedicht een opdracht: ‘voor Eli’. De uitgever Eli Scheen was Komrijs gids in de homoseksuele scene van Amsterdam en tevens degene die hem in contact bracht met Theo Sontrop. Deze autobiografische achtergrond verklaart wellicht waarom dit gedicht de bundel niet haalde: de ironische distantie en de zo karakteristieke combinatie van ernst en spot, van choqueren en ontnuchteren, ontbreken.

Komrij verving volgens plan nog gedichten uit de eerste selectie en verdeelde de 35 gedichten opnieuw over zeven groepen. Enkele afdelingstitels voorzag hij van satirische introducties, die in de uiteindelijke bundel evenwel ontbreken. De eerste luidt bijvoorbeeld: ‘Hoe De Dichter Begint Met Uitgangspunten & Vandaar Op Zijn Jeugd Terechtkomt’. Ook de zevende afdeling heeft zo’n aanduiding: ‘Hoe De Dichter Wordt Verleid tot Bespiegelende Theorie & Onder Meer Ook Een Collega Ten Tonele Voert’.

 

Die zevende afdeling zou blijkens een structuuraanwijzing een ‘theorie over dichtkunst & maatschappij + besluit’ bevatten, maar Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten bestaat als gezegd niet uit zeven maar zes afdelingen. Naar de reden van de inkorting is het gissen; drie van de vijf gedichten belandden in elk geval (deels) elders in de bundel. De twee die geheel ontbreken zijn ‘Maatschappij’ en ‘De dichter’, ogenschijnlijk twee geëngageerde gedichten. ‘Maatschappij’ lijkt een aanklacht tegen zowel de luidruchtige maatschappijhervormers als tegen de cultuurbarbaren. Het slotkwatrijn luidt:

Maar al zou ik ’s avonds rustig slapen,

Ik heb geen toeterend heilssecreet.

En waar ik nu ben, tel ik de schapen,

Tot ik het malle hoempavolk vergeet.

 

‘De dichter’ – niet te verwarren met het gedicht met dezelfde titel in Tutti-frutti (1972) – is eveneens te lezen als een krachtige polemische positionering: de geportretteerde dichter, ‘in een weldadig en slapend gehucht’ geboren, zocht als kind in de sloot naar ‘dikkopjes’. Maar toen stierven zijn ‘goede moeder’ en ‘slechte vader’:

Belaagd en beklaagd in het dorpse milieu,

En zo jong nog! Op morsig papier, te geef,

Schrijft hij al razend op het stramien: Gij reu,

Gij bedoelt ogenschijnlijk uw eigen teef.

 

Zulke sneers zijn alleen, zegt hij, nog souvenirs,

Die hij bewaart in een la van een lege kast.

Want van zijn Laatste Boek zijn de ideeënpoeliers

Van links (zoals dat gaat) weer veel te enthousiast.

 

Als essayist en ook in zijn hoedanigheid van Dichter des Vaderlands zou Komrij zich later een scherpzinnig ontmaskeraar van politieke charlatanerie tonen, bijvoorbeeld in het geruchtmakende gedicht na de moord op Fortuyn, ‘De zittende politicus’ (2002), waarin hij zowel de geborneerde regentenkaste (de ‘vale klerkensmoel’ van Ad Melkert) als het populisme (‘het echte monster’) op de korrel nam. In 1968 kwamen de ‘ideeënpoeliers van links’ en het ‘hoempavolk’ dus al aan de beurt, maar Komrij nam deze gedichten uiteindelijk niet op in zijn debuut. Detoneerde het politieke engagement met de meer ironisch-suggestieve toon van de bundel? Of viel een dergelijke misprijzing van links niet in goede aarde bij de ‘rode’ Arbeiderspers?

 

Komrij wikte en woog niet alleen qua samenstelling en structuur, ook aan zijn gedichten bleef hij schaven. In het titelgedicht, dat aanvankelijk ‘Opflikkeren’ heette, verving hij hele regels. De door Krol uitgelichte slotregel van ‘De jeugd van de dichter’ luidde eerst nog: ‘Meer weet ik niet. Hij is er maar geboren’. Pas via ‘Meer weet ik niet. Ik ben er niet geboren’ kwam Komrij op ‘Zomaar een idille uit de mouw geschud’. Het rijke materiaal licht slechts een tip van de sluier op over de ontstaansgeschiedenis van Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten, maar één conclusie kunnen we veilig trekken: de bundel werd allesbehalve zomaar uit de mouw geschud.

Colofon

Geraadpleegde literatuur:

 

Ad den Besten, ‘Kroniek van de Nederlandse poëzie’. In: Wending, 23 (1968-1969), afl. 12 (februari 1969), p. 884-906.

Hugo Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005. Amsterdam, 2009.

Gerrit Komrij, Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten. Amsterdam, 1968.

Gerrit Komrij, Het schip De Wanhoop. Gedichten 1964-1979. Amsterdam, 1979.

Gerrit Komrij, Alle gedichten tot gisteren. Derde, vermeerderde druk. Amsterdam, 2004.

Gerrit Komrij, De lange oren van Midas. Het begin van een schrijverschap. Ingeleid en bezorgd door Arie Pos. Amsterdam, 2017.

Gerrit Krol, ‘Poëzie – volheid of leegte?’ In: Algemeen Handelsblad, 8 maart 1969.