‘Och, die lieve kikkers, ik wil daar best over schrijven. Jij begint!’ – De kikkergedichten van Beurskens en Vroman

‘Gefröbel. Forget it,’ bagatelliseert Huub Beurskens zijn eigen voorstel aan de door hem bewonderde schrijver Leo Vroman om samen iets te dichten bij een kikkerprent. Maar Vroman reageert sportief en acht maanden later is er de Kikker-cyclus, die in 1995 wordt gepubliceerd in De Gids.

 

Vierenveertig is schrijver, dichter, vertaler en kunstschilder Huub Beurskens als hij op 9 maart 1992 zijn eerste handgeschreven brief naar de dan 76-jarige Leo Vroman in Brooklyn stuurt. In het archief van het Literatuurmuseum stuit ik op de briefwisseling die met dit schrijven begint. 

 

Beurskens voegt een door hemzelf geschreven essay toe over het werk van Vroman, die hij duidelijk bewondert. Zijn korte formele brief sluit hij af met de woorden: ‘Ik ben zo vrij om ook nog een bundeltje eigen poëzie mee te sturen dat ik in 1988, geheel buiten het uitgeefcircuit om, voor eigen geefplezier liet drukken. Niet om te laten zien hoe goed of belabberd ik het zelf kan, maar louter als blijk van waardering.’ Het gebaar wordt gewaardeerd door Vroman, zo blijkt als hij op 19 maart zijn antwoord stuurt: ‘Ik vind zowel de verzen mooi als het artikel boeiend. Het lijkt soms wel of we woorden achterlaten zoals het slijmspoor van een slak waar zout op is gestrooid. Elk woord is een eeuwig afscheid van het vorige ogenblik en welke daarvan ten slotte dan door de dood wordt aangedikt.’

 

Op 17 maart 1994 stuurt Beurskens een brief waarin hij reageert op Vromans autobiografie Warm, rood, nat & lief, waarin het wetenschappelijk onderzoek dat Vroman jarenlang als bioloog deed naar bloedstolling een belangrijke rol inneemt.

 

‘Ik kan nu van alles en nog wat gaan opnoemen van wat ik er goed aan vind (…) maar het lijkt me weinig zinvol citaten uit Brooklyn naar Brooklyn terug te sturen. Hoewel ik toch nog kwijt wil dat ik dat verhaal van die doorgeknipte kikkerkoppen niet meer kwijt raak. Ik vind het afschuwelijk en afgrijselijk fascinerend. Het zal er ook mee te maken hebben dat ik hier al een paar weken zit aan te kijken tegen een reproductie van een blad met vier kikkerstudies, gemaakt rond 1600 door [de Nederlandse schilder] Jacques de Gheyn II – ook hier, bij een onschuldige tekenaar, spelen het “gebiologeerd” zijn door de natuur en tegelijkertijd daarvoor en daardoor de natuur kwellen zo merkwaardig door elkaar als in jouw boek, want geen kikker die vrijwillig poseert, dunkt me. (…) Dat kikkerblad zal wel een dezer dagen of weken poëzie gaan opleveren: ‘‘Kikker van De Gheyn’’.*’

 

Vier studies van een kikker door Jacques de Gheyn II (Rijksmuseum Amsterdam)

 

 

In een toelichting onder aan de brief komt Beurskens hierop terug. Hij schrijft: ‘Even flitste een idee door mijn hoofd, om daar op de een of andere manier samen, op elkaar reagerend in versvorm o.i.d., iets over te dichten. Maar misschien werkt zoiets niet. Misschien zie je daar totaal niks in. Gefröbel. Forget it.’ 

 

Toch laat Beurskens die toelichting staan. Er gaat geen typex overheen. Waarom typt hij de brief niet even opnieuw en dan zonder die toevoeging? Hij wil dat Vroman zijn gewaagde verzoek leest, en kijk eens aan: het werkt. Op 8 april volgt een korte brief van Vroman, die hij ondertekent met zijn voornaam waarvan hij een gezichtje heeft gemaakt, met daaronder een klein kikkertje. Hij schrijft: ‘En och, die lieve kikkers, ik wil daar best over heen en weer schrijven en denken. Jij begint!’

Het duurt een paar maanden voordat Beurskens de handschoen oppakt, pas op 6 november stuurt hij een gedicht, waarbij hij opmerkt: ‘Ik werk inmiddels aan een volgende gedichtenbundel. Ik wil daar zo’n klein jaartje mee bezig zijn en hoop dan dat hij weer kan worden uitgegeven. Een van de afdelingen daarin moet de titel Kikker van de Gheyn hebben. (…) Ik zou het fantastisch vinden als ik die ‘kikker’-afdeling voor de bundel met jou zou mogen en kunnen maken. (…) Ik stel (me) voor – dat is puur intuïtief – dat we er een zestal (niet al te lange) gedichten van maken, om en om; dus ik begin inderdaad en het laatste woord is straks, in gedicht nummer zes aan jou. Wat vind je ervan?’ 
 
Vroman stuurt na zeven dagen een gedicht terug, in de kantlijn schrijft hij: ‘Beste Huub, in antwoord op je eerste kikker, ok?’ 

 

 

 

Vrijwel meteen reageert Beurskens met een eveneens korte brief en hij stuurt zijn tweede gedicht mee. Het is opvallend hoe snel de brieven elkaar nu opvolgen, en hoe weinig woorden er overschieten voor plichtplegingen. Het gaat om de poëzie. Het vierde gedicht van de reeks volgt dan ook snel, op 29 november, met slechts een groet in de kantlijn.

 

Het is Beurskens die uiteindelijk breekt met de traditie van weinig woorden en louter poëzie. Op 9 december stuurt hij zijn laatste gedicht, en schrijft daarbij: ‘Ik heb bijzonder veel plezier in de onderneming. Ik vind het fantastisch hoe je reageert: je gedichten zijn fraai en je tempo is enthousiasmerend. Mogelijk heeft het er ook mee te maken dat we elkaar nog steeds niet ontmoet hebben (hoewel ik vermoed dat zo’n ontmoeting er amper iets aan zou afdoen), maar ik heb geen enkele keer het gevoel dat er een leeftijdsverschil van enkele decennia tussen ons bestaat!’

 

Hierna voelt Beurskens zich genoodzaakt een paar praktische zaken aan te stippen, zo vraagt hij toestemming om de Gheyn-reeks deels ter ere van Vromans tachtigste verjaardag in het aprilnummer van De Gids af te drukken. Waarna hij voor de zekerheid informeert of Vroman nog steeds akkoord is om de gedichten in zijn volgende bundel op te laten nemen.

 

 

Zes dagen later stuurt Vroman het laatste gedicht getiteld ‘Perspectief’. Hij sluit af met weer een kleine tekening van zijn naam: een gezichtje met kikkerpoten. Uiteindelijk verschuift de planning voor publicatie en op 18 december stuurt Beurskens hierover een brief, een brief waaruit blijkt dat de hoofdrolspelers inmiddels ook telefonisch contact hebben, waardoor de briefwisseling niet langer een exclusieve blik biedt op de relatie tussen beide mannen. Op 24 december reageert Beurskens op het dan inmiddels ontvangen laatste deel van de reeks, dat hij ‘een fraaie afsluiting’ noemt.

 

In 1995 – het jaar waarin de Kikker-reeks wordt gepubliceerd in De Gids – volgen er nog enkele brieven. Een hoogtepunt in de briefwisseling verstuurt Vroman op 21 december van dat jaar. De inhoud doet er niet eens zoveel toe, maar de brief is getypt en voorzien van merkwaardige lettertypen; Vroman bedrijft word-art. Zo staat BESTE HUUB erboven in doorschijnende reuzeletters. Vroman: ‘Even een paar fonten op je loslaten. Ik heb pret met mijn Power Mac en de Microsoft Word 6.01, b.v. Gisteren, omdat het toch zo sneeuwde, enige tijd besteed aan het maken van een verjaardagskalender met automatische rangschikking naar datum en ook alfabetisch.’

 

Met deze brief sluiten de heren de geschreven en getypte correspondentie voor zover terug te vinden in het archief van het Literatuurmuseum af.

 

 

 

Wel volgen er in 2002 en 2005 e-mails, wederzijds steeds hartelijk van toon. De laatste e-mail in het archief van het Literatuurmuseum is niet gedateerd, maar moet ergens midden november 2005 zijn verzonden door Leo Vroman. Hij schrijft in reactie op een slechte recensie waarop Beurskens is getrakteerd door Gerrit Komrij:

 

‘In Holland moet blijkbaar altijd iets kapot, de pen, de naam, de eer, de strot. Niet vaak besproken is helaas de bloei van de gebroken vaas. Het onrecht dat wordt aangedaan niet te verdragen doet de geslagene rechtop staan. Of zo iets. Zolang het rijmt zal het waar zijn.’

 

Vroman overlijdt in 2014 op 98-jarige leeftijd in Fort Worth, Texas.

 

 

De Kikker-cyclus zoals in 1995 gepubliceerd in De Gidsis hier in zijn geheel te lezen. De gedichten verschenen datzelfde jaar ook in de bundel Iets zo eenvoudigs van Huub Beurskens.