Poëzie als programmeertaal

door Bertram Mourits

Gerrit Krol was een groot bewonderaar van Gerrit Achterberg. Hij bewonderde de techniek, en vooral de procesachtige manier waarop Achterberg bewegingen kon beschrijven. In zijn biografische bundel Van Korreweg naar Korreweg. 75 plaatsen in het leven van Gerrit Krol (2010) beschrijft Ad Zuiderent hoe geconcentreerd Krol las: ‘Hij onderstreepte regels als: “een been, dat om de hoek verdween” en “ik hol de huizenblokken om: / hetzelfde been staat andersom” – het ging hem om dat been, hoe een dichter dat in beweging kreeg. Hij turfde woorden, turfde zelfs letters, alsof hij zo het geheim van het magische, fysieke schrijven zou achterhalen.’ Want veel meer dan de thematiek van de verloren geliefde, die gewoonlijk met Achterberg wordt geassocieerd, was dat voor Krol het geheim van Achterberg: de manier waarop hij het exacte en het poëtische wist te verzoenen.

 

In 1985 zocht hij contact met J.C. Achterberg-Van Baak, de weduwe, in een nieuwe poging dat mysterie te ontrafelen. Hij vertelde haar waar hij nieuwsgierig naar was: ‘de wijze waarop uw man zijn natuurwetenschappelijke lektuur hanteerde, hoe las hij dat. En het tweede: hoe bewoog hij zich in huis.’

Exactheid en beweging: het zijn twee motieven die ten grondslag liggen aan veel van Krols poëzie. En hij benadert die kwestie in zijn werk op een totaal andere manier dan Achterberg. Die koos strakke vormen, waarin hij de inhoud vrijelijk rond liet stuiteren. Krols vers is uitgesproken vrij, maar wat inhoud betreft soms zo streng als een formule in de taal van de filosofische logica:

Over het uittrekken van een broek

In het algemeen zijn er twee broeken,
(a) de eigen broek, (b) de broek
van een ander.

Trekt men zijn eigen broek uit dan
heeft men het voordeel dat men daarbij
alleen kan zijn. Trekt men evenwel
de broek van een ander uit, dan is men daartoe
op z’n minst met zijn tweeën. Men kan
in zo’n geval
ook
de broek van elkaar uittrekken
(dualisme)

 

Het gedicht gaat overigens over seks, en de verteller legt uit dat daarvoor de broeken uit moeten. En even nuchter legt het uit dat na het ‘tot elkaar ingaan’ de broeken weer aangetrokken worden. Ook goed om te weten: 

Tot elkaar ingaan,
ook al is men van een verschillend geslacht,
met een broek aan is niet mogelijk.

 

Taal die onderkoeld is als die van een computerprogramma, waarbij het komisch effect ontstaat juist dankzij de tegenstelling tussen het lichamelijk bedrijven van de liefde en een gestructureerd beschreven proces.

Het was een kleine stap naar het daadwerkelijk programmeren van poëtische mogelijkheden, en dat is precies wat Krol een jaar later zou gaan doen. Voor zijn werk bij Shell was hij bezig met computers, en hij raakte geïnteresseerd in de manieren waarop hij die zou kunnen gebruiken om ze te laten denken en dichten. (Opmerkelijk genoeg niet om in te zetten als schrijfgereedschap: Krol zou nooit een tekstverwerker gebruiken.) Het programma heette ‘APPI’: Automatic Poetry by Pointed Information. En zo heette het bijbehorende boek ook: het was een essay met illustraties. Om het fenomeen poëzie voor een computer behapbaar te maken, begint Krol met een systematische ontleding van wat een gedicht is:

 

Wanneer is een reeks woorden een gedicht? Je zou kunnen zeggen: een reeks woorden is een gedicht als:
- ze een beeld of een voorstelling beschrijven
- een ander zich van die woorden een voorstelling kan maken
- als hij het prettig vindt zich deze voorstelling te maken
- de woorden, in die volgorde, niet worden gebruikt voor andere doeleinden.
 

Achter deze stap-voor-stapbenadering gaat een traditionele poëzieopvatting schuil: een gedicht brengt het idee over van dichter tot lezer op een manier die geen andere functie kan hebben. Deze vragen vormen het vertrekpunt, en met behulp van schema’s en formules probeert Krol een gedicht in formules te vangen, eerst taalkundig, maar langzaam maar zeker steeds exacter. Woorden, voegwoorden, zinsneden, betekenissen, en ook hele gedichten worden ingevoerd in de computer om hem de kennis te geven om zelf tot poëzie te komen. Onnavolgbare programmeertaal, lijsten en stroomdiagrammen waarin de beslissingen over de volgende regel werden gemaakt: het staat zo ver af van wat we nog steeds geneigd zijn als poëzie te beschouwen – de poëtische verwerking van persoonlijk materiaal – dat dit bijna 50 jaar oude experiment nog steeds futuristisch aandoet.

De kwestie is natuurlijk dat wat er úit een computer komt, sterk afhankelijk is van wat je erin hebt gestopt. Geef de computer ‘pointed information’ en wat dat oplevert – automatic poetry – zal sterk gebaseerd zijn op die informatie, zeker bij de vanuit ons perspectief simplistische computers waarover Krol kon beschikken.

ze heeft een nieuw badpak aan
misschien gaat ze zwemmen
ze steunt op haar hand
om niet te vallen
een aardige vrouw om te zien
een wereld op zich
een denkend wezen
dat haar lippen verft
een lok voor haar ogen
haar oksel is niet te zien
als ze haar arm opheft
zie je die wel
als je haar van de andere kant bekijkt
zie je de andere oksel ook
voor hetzelfde geld kun je zeggen
een nieuw badpak
nu al kiezen
en straks kopen
en het plaatje vergeten

 

Je zou dit eigenlijk willen lezen zonder de voorkennis over de ontstaansgeschiedenis – maar zo heeft Krol het niet bedoeld. Wat je kunt opmerken: het is een beetje readymade-achtig, sterk analytisch en beschrijvend, en het beeld wordt opvallend traag opgebouwd. Alle gedachtesprongen zijn expliciet, en daarom verrast het gedicht niet. Hoewel het herkenbare elementen bevat (het vrouwbeeld doet denken aan dat in De ziekte van Middleton uit 1969) is het geen typisch Krol-gedicht geworden. Maar wat dan wel?

 

Het is intrigerend, maar wordt niet zo grappig als ‘Over het uittrekken van een broek’. De balans tussen serieus en ironisch, tussen nauwkeurig en spontaan, die Krol in zijn eigen gedichten met verve wist te vinden, ontbreekt in de gegenereerde gedichten. Krol nam er dan ook al snel afstand van. De gedichten van zijn computer zouden nooit een bloemlezing of verzamelbundel halen, en hij omschreef het APPI-werk als: ‘een grap die mislukt is’. Maar daarmee doet hij misschien niet zozeer de gedichten tekort, als wel het programmeerwerk en het denkwerk over wat poëzie is. Dat vorm en inhoud niet onafhankelijk van elkaar kunnen ontstaan is een cliché geworden, maar het wordt hier duidelijk bewezen.

 

Wat wilde Krol nu eigenlijk met APPI? De grootste uitdaging was misschien niet om goede gedichten te laten leveren door een programma, maar om te proberen de computer te vertellen wat poëzie is. Dat ging niet, vooral omdat Krols poëzie altijd werd gekenmerkt door ambiguïteit, humor en het inzetten van onpoëtisch materiaal. Wanneer je de onzekerheid uitbant, kun je nooit meer poëzie krijgen, dát is de les van APPI, die het Krol mogelijk maakte nog jarenlang geestige, dwarse, ongrijpbare essays, romans en gedichten te produceren.