Het juiste boek op het juiste moment: de verbazingwekkend succesvolle bloemlezingen van Rodenko

Hij was een gezaghebbend essayist, een veelzijdig dichter, soms traditioneel, soms modern, maar bovenal een verrassend succesrijk bloemlezer. Nieuwe griffels schone leien, zijn bloemlezing van avantgardistische poëzie, vond meer dan 90.000 kopers. Op 26 november is het 100 jaar geleden dat Paul Rodenko werd geboren.

 

Het klinkt als een noodkreet, het telegram dat Bert Bakker – toen nog namens uitgeverij Daamen – als aansporing naar Paul Rodenko stuurt. ‘Verwacht thans omgaand copy’, staat er, en die noodkreet is niet uniek: in menige brief, en dus zelfs in enkele telegrammen, jaagt Bakker zijn medewerker op. Waarmee dan wel? Wat was het dat niet kon wachten?

 

Het was een ander literair klimaat, want deze telegrammen zijn verstuurd in 1953 en 1954, toen Rodenko een gezaghebbend essayist was die artikelen schreef voor Critisch Bulletin en Maatstaf, en blijkbaar moeite had zijn deadlines te halen. Het is daarom ook grappig om te zien hoe Rodenko zijn ‘kantooragenda’ benut:
 

 

 

Hier en daar staat nog wel een aantekening die met een afspraak te maken heeft, maar het ding lijkt toch vooral een plek om invallen vast te leggen. Bovendien blijft het gebruik ervan zeer beperkt, vanaf de derde week van januari zijn de bladen onbeschreven. Maar productief was Rodenko wel. 


Een van de artikelen waarom Bert Bakker zo zat te springen, zou het titelessay worden van een bundel met ‘beschouwingen over moderne poëzie’, Tussen de regels. Het is tegenwoordig lastig voorstelbaar dat een uitgever haast wil maken met een essaybundel, helemaal over poëzie. Maar dat Bert Bakker geloof hechtte aan Rodenko als leverancier van goed verkopende en toegankelijke boeken, blijkt uit het feit dat het boek verscheen in de reeks Ooievaar Pockets, waarin spotgoedkope, kwalitatief hoogstaande boeken voor een breed publiek werden uitgegeven. Rodenko’s Tussen de regels was nummer 31 uit de reeks, en dat ook daar enige tijdsdruk op gelegen moet hebben, blijkt subtiel uit de inleiding, waarbij Rodenko uitlegt dat hij heeft gemeend: 

 

 

de artikelen (op enkele kleine wijzigingen na) onveranderd te moeten laten, daar juist hierdoor de verschillende aspecten van de moderne poëzie, die nu eenmaal nog geen gaaf en historisch-overzichtelijk geheel vormt, beter tot hun recht komen. Dat de lezer ook wel eens herhalingen aan zal treffen, lijkt mij niet zo erg: daardoor kunnen de leidende ideeën, die toch aan al deze artikelen ten grondslag liggen, alleen maar duidelijker worden.

 

Kortom: geen tijd (of zin) om van de losse stukken een samenhangend geheel te maken. De eerste oplage was 10.000 exemplaren, maar dit boek werd niet herdrukt. Het vertrouwen in Paul Rodenko als maker van goed verkopende boeken was te danken aan een andere Ooievaarpocket. Daarover straks meer.

 

Telegrammen van Bert Bakker aan Rodenko: ‘Verwacht thans omgaand copy’, ‘Breng direct stukken’, ‘Ben je al klaar’

 

 

Paul Rodenko kwam op 26 november 1920 ter wereld als zoon van een Engelse moeder en een Russische vader. Een van zijn eerste literaire wapenfeiten was de vertaling van ‘De twaalf’ (1947), een lang gedicht van de Russische Aleksandr Blok, en daarmee ook de eerste keer dat Rodenko zich opstelde als pleitbezorger van internationale literatuur. 

 

Ook was hij essayist: hij schreef regelmatig over Gerrit Achterberg, voor het eerst in de bundel Commentaar op Achterberg (1948), een verzameling essays over de dichter door ‘jonge schrijvers’ – terwijl Rodenko zich op dat moment als schrijver nog niet had laten zien. In het stuk verbond Rodenko het leven van de dichter met diens werk, en dat was tot groot ongenoegen van de dichter zelf, die het stuk had gelezen in Podium en daarna probeerde te voorkomen dat het in de bundel kwam. Achterberg dreigde met een aanklacht van ‘smaad, laster, enz.’

 

 

 

In zijn Rodenko-biografie ‘Ik ben een vreemdeling. Ik sta apart’ vertelt Koen Hilberdink met smaak over de afloop van de zaak. Rodenko sprak met Achterberg af in een restaurant, en legde uit dat hij, ondanks de psychologische observaties, toch echt over het werk had geschreven, en vooral: dat hij voor dat werk het grootste respect had. Achterberg liet zich overtuigen: ‘Ze waren als beste vrienden uit elkaar gegaan en Achterberg had zelfs beloofd de volgende bundel aan hem op te dragen. Maar toen hadden ze al de nodige borrels op.’


Het gevolg was wel dat Rodenko Achterberg trouw is gebleven. En belangrijker nog voor de waardering van Achterberg dan Rodenko’s essays, is waarschijnlijk Voorbij de laatste stad geweest, een bloemlezing van zo’n 200 pagina’s. Die verscheen voor het eerst in 1955, als deeltje in de Ooievaar-reeks, en werd bijna een halve eeuw lang herdrukt, zelfs toen ook Achterbergs Verzamelde gedichten allang en in betaalbare edities verkrijgbaar was.

 
Maar ook dit was niet het beroemdste Ooievaar-boekje waaraan Rodenko had gewerkt. Dat was zonder twijfel Nieuwe griffels schone leien (1954), een enorme bestseller.

 

Het is de moeite waard om de vorige zin niet voor vanzelfsprekend te nemen, want het is eigenlijk iets wonderbaarlijks. Nieuwe griffels schone leien is ‘een bloemlezing uit de poëzie der avantgarde, samengesteld en ingeleid door Paul Rodenko’. Ik heb hier een exemplaar voor me liggen uit 1974, de negende druk van een boek dat in eerste druk al verscheen in een oplage van 10.000 exemplaren. Vier maanden later verscheen een herdruk van 7.500 exemplaren, een halfjaar daarna nog eens 10.000; tot een totaal van ruim 90.000 (de tiende en laatste druk verscheen in 1977, een jaar na de dood van Rodenko).


Deze cijfers verbazen me nog steeds. Het concept klinkt niet als het recept voor een bestseller: Rodenko wilde de nieuwste poëzie uit die dagen, namelijk die van de Vijftigers, van een context voorzien: ‘Van Gorter tot Lucebert, van Gezelle tot Hugo Claus’, stond er op het omslag. En voor zo’n literair-historische onderneming, ingeleid met een essay dat begint bij Arthur Rimbaud, vindt hij zoveel kopers. Het is dan ook een inzichtelijke en rijke bloemlezing, al valt inmiddels op dat Rodenko weinig oog had voor poëzie van vrouwen. Het was het juiste boek op het juiste moment: er gebeurde iets in de poëzie, wat niet iedereen kon volgen. En deze bloemlezing verbond het nieuwe met het oude, liet zien dat ogenschijnlijke wartaal ook in een traditie stond. 

 

Een van de dichters die Rodenko opnam in zijn bloemlezing was hijzelf, en daar is zeker iets voor te zeggen, al deed hij dat met enige terughoudendheid; in het typoscript van een bloemlezing waarin hij eigen werk opnam, noemt hij zichzelf ‘Paultje’.

 

 

 

Hij stond weliswaar niet aan de voorhoede van de literaire vernieuwing in de jaren vijftig, maar zijn werk dat in de woorden van Adriaan Morriën een ‘agressieve’ en een ‘lieve’ kant heeft, is tijdloos gebleken. De Ooievaar-bloemlezingen worden niet meer herdrukt, maar Rodenko’s verzamelde poëzie, Orensnijder tulpensnijder, ligt nog steeds in de winkel. En juist in die veelzijdige poëzie, soms traditioneel, soms modern, zie je dat Rodenko zoveel van poëzie hield, dat hij aarzelde er iets eigens aan toe te voegen; het was geen koketterie, hij voelde zich een ‘Paultje’ op de Parnassos. Liefst gaf hij commentaar, natuurlijk ook – het kan niet missen – op Gerrit Achterberg. In Podium stonden in 1949 twee gedichten over Achterberg, waarvan het eerste voortborduurde op Achterbergs beroemde motto ‘Wat niet goed is, is niet geschreven’.

 

 

Geen berg is berg
zonder Achterberg.
Geen heelal heelal
buiten dit heelal.
Niets is
dat niet glas is.
Glas is
dat wat goed is.

 

Zo staat geschreven.

 

 

Hij had hiervoor overigens de toestemming van de dichter gevraagd – en gekregen.
 

Paul Rodenko (links) met Gerrit Achterberg in Neede