In 1964 vroeg Godfried Bomans zich al af ‘Wat is een Nederlander?’

Nadenken over de Nederlandse identiteit is niet nieuw. In 1964 vroeg Godfried Bomans zich al af ‘Wat is een Nederlander?’ En hij kende uiteraard het antwoord. ‘Als je een foto zou maken van de zee en je zou vergeten die te ontwikkelen, dan zou je een Nederlander krijgen.’

 

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) publiceerde in de zomer van 2019 een dik rapport over de Nederlandse identiteit, Denkend aan Nederland (inderdaad, vrij naar de beroemde openingsregel van Hendrik Marsman). Het rapport was de weergave van twee jaar onderzoek naar hoe ‘gewone Nederlanders’ over de Nederlandse identiteit denken en waarvoor met 5000 mensen werd gesproken. En? Wat vonden al die Nederlanders? De meerderheid vond in ieder geval dat er zoiets als de Nederlandse identiteit bestaat, al dan niet ‘in sommige opzichten’. En wat is dan het meest ‘Nederlands’ aan die identiteit? Nou, goed nieuws voor alle schrijvers en lezers: de taal.

 

Verder werden genoemd: tradities en symbolen – Koningsdag, Dodenherdenking, oliebollen tijdens Oud en Nieuw en, jawel, de Nederlandse vlag – en kenmerken van het landschap of de omgeving: Nederlandse wolkenluchten, de polder, ‘onze’ strijd tegen het water.

Nog een fun fact voor de schrijvers en lezers onder ons: veel van de beelden die we gebruiken voor dit zelfbeeld komen van oudsher uit de literatuur.

 

In de collectie van het Literatuurmuseum bevindt zich de nalatenschap van honderden Nederlandse literatoren. Met hun werk bespiegelen deze ‘niet-zulke-gewone Nederlanders’ het Nederlandse zelfbeeld, vaak impliciet, in verhaalvorm, soms heel expliciet, in de vorm van een beschouwing over die Nederlandse identiteit.

 

Godfried Bomans schreef in 1964 een humoristisch opstel met als thema de vraag ‘Wat is een Nederlander?’, dat werd gecatalogiseerd onder zijn ‘Mengelwerk’ (ook een goede beschrijving van de Nederlandse individualiteit). De spagaat van de columnist is uiteraard altijd de Hollander zo te beschrijven dat hij zich herkent, en hem met dat zelfbeeld te vleien, alsook hem een beetje te jennen.

 

 

‘Als je een foto zou maken van de zee en je zou vergeten die te ontwikkelen, dan zou je een Nederlander krijgen’

 

 

‘Wat is een Nederlander?’ is een herkenbare Bomans-tekst, met zinnen als ‘Als je een foto zou maken van de zee en je zou vergeten die te ontwikkelen, dan zou je een Nederlander krijgen’ en ‘[Het is] in Nederland een belediging om iemand na een prestatie te prijzen, omdat deze daardoor in de mening komt te verkeren, ten eerste, dat het niets was en ten tweede, dat hij een te zwakke persoonlijkheid is om hem dit regelrecht te zeggen.’

 

Volgens Bomans zijn er drie ‘determinanten’ die de ‘aard van een volk bepalen’: het landschap, het klimaat en de godsdienst. ‘De’ Nederlander is volgens Bomans als gevolg van deze drie factoren: individualistisch, ironisch, ofwel ernstig of onbekommerd (dat wil zeggen, protestants of katholiek), maar vooral: volhardend.

 

 

Godfried Bomans neemt een blokje Hollandse kaas. Foto: collectie Literatuurmuseum

 

 

Het eerste kenmerk komt ook voor in het SCP-rapport, het Nederlandse individualisme komt volgens Bomans door de geschiedenis van ons door-water-bedreigde landschap: ‘Telkens knabbelden wij een stukje van het water af en zodra we dat veroverd hadden legden we er een dijkje omheen.’ In elk van die vakjes, polders, woont een Nederlands gezin en ieder van hen voelt zich volgens Bomans koning van zijn domein. ‘Daarom heeft het ook zo lang geduurd, eer wij één koninkrijk werden. We hebben daar van 1568 tot 1813 over gedaan, het is eigenlijk nog niet helemaal voor elkaar.’

 

Bomans gaat hier van samenwerking (polders aanleggen) naar individualisme (jezelf voor een gezamenlijke inspanning persoonlijk op de borst kloppen). Het lijkt mij, inderdaad, heel Nederlands om jezelf als heel uniek en bijzonder te zien en het gevoel te hebben dat Nederlanders geen eenheidsworst vormen, terwijl je je de hele tijd – al dan niet vrijwillig – voegt naar het sociale keurslijf: in onze hoofdstad lijkt iedereen er hetzelfde uit te zien, en dan niet enkel wanneer een voetbalteam op een WK de finale haalt.

 

Handschrift ‘Wat is een Nederlander’ van Godfried Bomans, collectie Literatuurmuseum

 

 

Het tweede kenmerk van de Nederlander is volgens Bomans zijn ironie. Dit is het gevolg van zijn gebrek aan talent voor vervoering (Bomans bedoelt dat wij een omgekeerd pathos hebben, dus geen surplus aan gevoel, maar een tekort). Dit uit zich onder meer door de meest bekende vorm van ‘understatement’ van onze taal: verkleinwoordjes. Bomans geeft het voorbeeld van een ‘kopje koffie’ in plaats van een ‘kop koffie’. Wil je echt een kleine kop koffie (de betekenis, immers van een kopje koffie), dan zeg je ‘Mag ik een klein kopje kof.’ Maar aan overdreven loftuitingen doen we ook niet, schrijft Bomans: iets is ‘niet slecht’ als het goed is, of ‘lang niet slecht’. De Nederlandse taal is ‘of men roffelt op een klein trommetje of bazuingeschal wil laten horen op een kinderfluit’. Bomans wil daarmee overigens niet beweren dat de Nederlandse taal ‘een gebrekkig instrument is. Ik bespeel het zelf en ben er zeer tevreden mee.’ De Nederlander ‘vertaalt woorden door naar hun melodie te luisteren’.

 

Die enorme spanning ‘die er bestaat tussen wat er gezegd en wat er begrepen wordt, is een elektrisch veld, dat gewoonlijk door de humor ontladen wordt’. De spotgeest ziet het goed: de Nederlandse manier van spreken ontkent inderdaad vaak datgene wat wij belangrijk vinden, alsof het schaamtevol is je ergens vol voor of over uit te spreken.

 

Evengoed wordt ironie in Nederland vaak als een verkleedpak gebruikt waarin je mag zeggen wat je wilt. Dan bestaat die door Bomans veronderstelde spanning helemaal niet, dat wil zeggen: dan kun je wat wordt gezegd precies zoals het wordt gezegd opvatten. Denk aan racistische ‘grapjes’, breedgedragen, zogenaamd onschuldige ‘vooroordelen’ over vrouwen en de vele vernederende of pesterige opmerkingen die varen onder de vlag van ‘het was maar een gebbetje’ maar niets anders zijn dan een geintje met een seintje: ‘buitenlanders zijn lui’, ‘vrouwen kunnen niet inparkeren’ en ‘Mensen met het syndroom van Down zijn net honden: ze kosten tijd en geld en doen niets anders dan de hele dag kwijlen.’ Zo voegen we ons als kuddedieren naar de voor ons insluitende en de voor anderen onderdrukkende mening van de goegemeente.

 

Getypte versie ‘Wat is een Nederlander’ van Godfried Bomans, collectie Literatuurmuseum

 

 

De derde eigenschap: de Nederlander ís. Volhardend.

 

Bomans: ‘[Het Nederlandse klimaat] is het ergste van de gehele wereld. Men beweert wel, dat het in Schotland nog erger is, maar dit is niet juist. Ik ben daar expres naar toegegaan om te kijken of het waar was en ik heb daar duidelijk de zon gezien. Het was maar heel even, ongeveer drie seconden, en ik vroeg direct aan een Schotse voorbijganger wat dit was. De zon, zei hij onmiddellijk. Welnu, dit zou hij nooit kunnen weten, als de zon daar al niet eerder geschenen had.’

 

 

‘Ieder ander Europeeër zou in deze motregen allang zijn weggekwijnd. Grieken, Italianen en Spanjaarden geef ik hier geen dag, een Fransman een week’

 

 

En dit gegeven, zegt Bomans, volgens mij met een fijn gevoel voor ironie, is van doorslaggevend belang geweest voor de Nederlandse identiteit. ‘De zaak is niet, dat wij fouten hebben, maar dat wij er überhaupt in slagen om te leven. Ieder ander Europeeër zou in deze motregen allang zijn weggekwijnd. Grieken, Italianen en Spanjaarden geef ik hier geen dag, een Fransman een week, terwijl een Pruis het een maand zou uithouden. Dat is het maximum. Wij, Nederlanders, bestaan nog steeds. Tegenover deze ongehoorde prestatie valt het “hoe” als onbelangrijk weg.’

 

Kortom: dat wij bestaan, is al heel wat. Het Nederlandse zelfbeeld vraagt verder vooral om niet te veel reflectie. Bomans impliceert dat wie op zichzelf reflecteert, erachter komen zal dat een groot deel van zijn zelfbeeld voortkomt uit de identiteit van zijn groep – en dat een besef van die identiteit onaangenaam verrassend kan zijn (zogenaamd niet-nationalistische Nederlanders die huilen bij het Wilhelmus, zogenaamd ‘zelfstandig denkende’ Nederlanders die allemaal dezelfde boeken en kranten lezen, zogenaamde ‘kinderfeestjes’ die kinderen met een andere kleur dan wit uitsluiten).

 

Getypte versie ‘Wat is een Nederlander’ van Godfried Bomans, collectie Literatuurmuseum

 

 

‘Het is eigenlijk onjuist om een Nederlander te vragen, wat een Nederlander is. Alleen de buitenlander kan iets over ons volkskarakter zeggen’

 

 

Identiteit is niet iets statisch, maar veranderlijk al naargelang de context verandert.

 

Dat kenmerkt wat mij betreft de Nederlander: hij is zeer tevreden met zichzelf. Maar niet zonder dat ironisch te zeggen. Tenzij je doorvraagt, dan is hij vaak toch wel trots op zijn identiteit. Zonder dat hij nou precies weet waarom. En vaak laat de Nederlander dat maar al te graag zo. Want als hij zich daadwerkelijk verdiept in zijn (collectieve) identiteit blijkt door zijn eerdere onwil dat veel ondeugden voortduren: dat hij niet alleen in woord maar ook in daad een botterik is richting vele van zijn landgenoten. En die inzichtsverandering maakt ongemakkelijk en is dus ongewenst.

 

Of, zoals Bomans zelf schrijft: ‘Het is eigenlijk onjuist om een Nederlander te vragen, wat een Nederlander is. Hij kan dat niet weten, want hij is zelf een Nederlander. Hij maakt deel uit van het probleem, dat hij behandelen moet. Alleen de buitenlander kan iets over ons volkskarakter zeggen, omdat hij anders is. […] Ik heb inderdaad eens een lezing over het Duitse volkskarakter gegeven voor de studenten in Bonn en Marburg en in beide gevallen werd ik de zaal uitgegooid. Ik beschouw dit als een teken, dat mijn visie juist was, anders hadden die jongens geapplaudisseerd.’

 

Dit lijkt me een noodzakelijke correctie op het Nederlandse zelfbeeld, aangedragen – inderdaad – door de literatuur.