In deze alsmaar grimmigere wereld is Tjalie Robinson actueler dan ooit

Mohammed Benzakour laat deze keer meesterobservator Tjalie Robinson zelf aan het woord, wiens kleurrijk leven zich bewoog op het snijvlak van velerlei culturen. Een romantische socialist van wie verhalen en verslagen, zelfs in gewone krantenstukjes, een niveau bereikten dat zeldzaam is.

 

Deel 1: Tjalie Robinson, de grootste ongehoorde stem van de Indo-Europeaan

Lees meer

In de vorige aflevering besprak ik de betekenis van Tjalie, voor mij persoonlijk als lezer, maar behandelde ik z’n werk ook in letterkundig en historisch perspectief. 


Maar laten we in dit tweede deel Tjalie zelf wat meer het woord geven:

 

 

Als je even rust en naar buiten kijkt, voel je je opeens niet meer alleen: de groeiende boom trekt steeds weer nieuwe en verrukkelijke lijnen in de lucht, de dartele zwaluw trekt zijn wonderlijke lijnen, lussen en krullen, het blijde hondje rent door de wereld volgens magische schriftlijnen, de waterspinnen schrijven onvermoeid hun cryptische mededelingen op het watervlak. Zonder enige pretentie, zonder doel, zonder nut, zonder ga-maar-door. Alleen de mens verbeeldt zich een hoop. 

 

Verademend is dat Tjalie als mengbloed allesbehalve zijn best deed om zich aan te passen aan de Hollanders. Sterker, hij stak voortdurend de draak met Hollandse eigenaardigheden en hield de ‘superieure’ Hollander graag een spiegel voor. 

 

 

Dit is dus Holland. Land zonder bruine mensen. Alle mensen zijn blank hier. Dus zijn alle mensen beschaafd, dus superieur. Dat kun je aan alles zien. Hier loopt bijvoorbeeld niemand op blote voeten. Wie in Indonesië op blote voeten gaat, is in de eerste plaats niet blank. In de tweede plaats behoort hij tot de onbeschaafde bruinen: de koelie, de tani, de straatventer, de bedelaar.


[….]


Er zijn ongelofelijk veel mensen zonder schoenen in Indonesië. Zoveel dat men enigszins verward is als men plotseling tegenover een gewoon bruin gezicht komt te staan waaronder twee keurige schoenen zitten. En als dat gezicht bovendien Hollands spreekt en vaak slechts gezien wordt achter de venstertjes van een luxe sedan, dan heeft menig blanke het idee dat er iets fout zit. Hij zegt dan ‘Het Oosten ontwaakt hoor!’


[…]


Voor de beschaafde mens in successie: schoenen, een auto, een atoombom. […] Laat ons derhalve beginnen met onze bruine broeders schoenen toe te sturen.


En hier is de socioloog met scherpe eigentijdse observaties aan het woord:

 

 

Overal zijn klokken. Alle mensen hebben horloges. Alle huizen hebben wekkers. Opstaan, haasten, doorlopen, doorwerken, wachten. (God, hoe lang al!), haasten, haasten. De tijd beveelt. De mens gehoorzaamt. Vroeger waren geen klokken. Vroeger (en nu nog in het Oosten) bestond geen tijd. Althans niet als meester maar als dienaar: de tijd bood in gemoedelijke en ongemerkte opeenvolging een bonte verscheidenheid van levensmogelijkheden. De mogelijkheid van nu werd nu geleefd. Die van straks zou straks geleefd worden.

 

Tjalie Robinson door R.L. Mellema, 1966. Foto: collectie Literatuurmuseum

 

Zo actueel is Tjalie dus. Let ook op zijn moderne, knisperfrisse stijl. De stukken kunnen zo weer in Het Parool. Heerlijk zijn ook de ironische, cultuur-nostalgische notities. Zoals deze, over Indonesische eetkraampjes versus Hollandse restaurants. 

 

 

Ik mis in Holland het wandelend eetstalletje. Waar de armste man het goedkoopste en toch genoeg kan eten. De eterijenverkoper is een man, die aan een juk twee torentjes van eetwaar met zich rond draagt: rijst met een eenvoudig groentegerecht, stukjes gebakken pens, bloed of hoef, allerlei baksels en misbaksels van tapiocaknol of kleefrijst met suiker of geraspt vruchtvlees van de kokosnoot, stukjes geroosterd geit- of kippenvlees met gepeperde pindasaus, groente en vruchtenslaatjes, koffie, stroop, ijs en tientallen aftreksels en brouwsels uit allerlei soorten planten. Dit alles geserveerd met zó krankzinnige dosis cholera-, tyfus- en dysenterievergif, dat niemand er ziek van wordt, behalve de blanke die zelfs door geen preventieve injectie gered kan worden.


Maar de blanke eet niet op straat. Dat is levensgevaarlijk, onzindelijk, en bovendien onfatsoenlijk. Dit laatste is doorslaggevend. Wie eten nou op straat! 

 

[…]


Men neemt een kaart van de tafel en kijkt naar de cijferrijtjes erop. Heeft men met veel moeite een laag cijfer ontdekt, dan kijkt men naar het gerecht dat ervoor staat. Dan verdwijnt de eetlust. En men zoekt naar een gerecht dat de eetlust opwekt. Maar de prijs erachter doet wederom de eetlust verdwijnen. Tenslotte zoek men naar het billijkste compromis tussen beurs en smaak en doet een bestelling. Na een hele poos krijgt men een schotel die er altijd minder smakelijk uitziet en kleiner dan de bestelling van de andere gasten. Maar men laat zijn afgunst niet blijken. Men eet beschaafder dan thuis, men eet het bord niet schoon en men betaalt nonchalant. Dan blijft men nog wat zitten om kritiek uit te oefenen op het ordinaire behang, smakeloze inrichting en het onwaardige milieu.


Ook de kleine boengs, Indische burgermannen, waar Tjalie over schrijft, handhaafden voor een deel de Tempo Doeloe-traditie van de grand-seigneurs in hun armoede aan de rand van de kampong. Als meesterobservator zag Tjalie details die anderen niet meteen zouden opmerken, wat van hem beslist een Bomans of Carmiggelt avant la lettre maakt. Zo noteert hij ergens hoe in dat oliedrukke Jakarta een man midden op een plein staat te vissen. In kleur en detail weidt hij uit over het ritueel van mensen zodra de hitte-verdrijvende regenmoesson begon te klateren. 


Maar méér nog dan iemand met een zwak voor stedelijke taferelen en vertier was Tjalie diep vanbinnen een ‘natuurromanticus’. Een wandelaar die liever de wildernis in trok om eindeloos tussen de rijstvelden en de bomen te verdwalen – om ten slotte verschrikt te moeten vaststellen dat zijn fysieke conditie hem in de steek had gelaten en, nog erger, hij z’n ‘instincten’ voor de natuur was kwijtgeraakt. 

 

 

Ik was als stadsmens geen normale biologische factor meer in het organiek der natuur. Mijn instinct, dus mijn natuurlijke aanpassingsvermogen was weg, dus stond de natuur vijandig over me. Er scheen een soort ‘repelling scent’ van me uit te gaan, waardoor levende wezens van me wegvluchtten.


Maar hij zet door, en na enkele maanden stug ploeteren voelt hij zich herboren. Hij stopt subiet met alcohol, rookt nauwelijks meer en eet alleen nog maar natuurlijke spijzen. Zijn ‘repelling scent’ verdween.

 

 

Ik merkte dat ik steeds eenvoudiger wilde leven, kon leven en ging leven. Mijn defensieve apparaat, op de boksles slechts een kunst, was hier een natuurlijke functie geworden. De buks, die ik anders op de schietschijf met een soort mechanische concentratie als kunstmatige werktuig hanteerde, werd nu een automatisch deel van mijn defensieve en offensieve wezen. Dreigde er gevaar dan was de kolf, haast vóór ik het wist, in een feilloze organische beweging aan de schouder gekomen, de greep was altijd vast en correct, het schot direct, bedaard, raak.

 

Illustraties van Tjalie Robinson bij het manuscript ‘Didi naar Holland’. Collectie Literatuurmuseum

 

Zijn liefde voor de jacht (zie het prachtige verhaal Tjoek’, onder heteroniem Vincent Mahieu) en zijn fascinatie voor de natuur groeiden alsmaar, terwijl bij terugkomst in Batavia zijn ergernis over de stadse drukte en hectiek navenant toenam. 

 

 

Wat in de eerste plaats de zenuwen aantastte was het enorme lawaai. Voor een honderdste deel van het getier op een druk stads kruispunt zou in de oetan meer dan een paniek nodig zijn. (….) Zelfs het kolossaal gehuil, dat uitgaat van een door een tijger bedreigde stam wau-wau’s, is niet zó gemeen als het gieren, huilen en brullen van verkeersvehikels. 


Hij kwam ook met stedenbouwkundige ideeën die later gemeengoed werden.

 

 

[…]  Waarom maken de mensen geen spiraalvormige verkeerswegen onder de stad en bouwen ze hun straten vol tuinen? Als over het paradijs van de bosloper zo’n dreiging zou hangen met zoveel dagelijkse slachtoffers, zou al het leven in paniek gevloden zijn.


In de bundel Didi in Holland treffen we op beide binnenflappen, naast een verklarende lijst Indonesische woorden en een zwart-witfoto van een rokende Tjalie aan de schrijftafel, twee handgeschreven dichtstukken. 


Voorin: 


Levend aan de tropenkant der keerkringen, 
behoor ik tot het evenaarsgeslacht 
dat uit gematigde zones gedacht  
steeds twee halfrondes kent

 

En achterin: 


Er lopen door de tropen van de ziel drie lijnen:
de breuklijn die elk levensevenwicht verhindert
de strook waarlangs de aardse zwaartekracht vermindert
en dan die luie van vulkanische domeinen

 

Het mag dan niet verwonderen dat Tjalies as niet is uitgestrooid in de Haagse duinen maar op de Pasar Ikan te Sunda Kelapa.

 

Het manuscript 'Didi naar Holland'. Foto: collectie Literatuurmuseum

 

Tot slot blijf ik zitten met één knagende vraag: hoelang blijft de Indische identiteit nog bestaan? Ik bedoel, wanneer is iemand nog echt indo? Als de ‘indo’ gevormd wordt door een min of meer gelijkmatige koppeling van Indonesië-Europa, zal strikt biologisch-evolutionair gezien de Indische gemeenschap hoe langer hoe meer verdunnen tot zij op een dag letterlijk uit zicht verdwijnt. Immers, elke volgende Indische generatie zal zich verder vermengen met andere bloedlijnen (Europees, Afrikaans, Latijns-Amerikaans, etc.) en dan zal dus het nominale gehalte puur Indonesisch bloed logischerwijs afnemen – of zie ik het verkeerd?

 
Ik roep daarom graag in herinnering de woorden op van Tjalies Surinaamse evenknie, Anil Ramdas die zichzelf zo omschrijft: ‘Doet u mij maar kosmopoliet en mag het ietsje meer zijn: brahmaan, hindoestaanse Surinamer, migrant, Nederlander, Indiër, liefhebber van Flaubert, Naipaul en Bellow, van film en Indiase muziek van Franse wijn en Italiaanse pasta.’


De samengesteld identiteit als het wezen van de toekomst. 


Hoe dan ook, in de herinneringen aan Tjalie Robinson is het beeld van Tjalie als ‘vechter’ tegen assimilatie en daarmee als vertegenwoordiger van de Indische gemeenschap dominant. 


En zeker, Tjalie wilde de geschiedenis van de Indo-Europeanen omvormen tot een verhaal om trots op te zijn. Maar Tjalie was au fond gelaagder en complexer dan dit; hij was een banneling in eigen vaderland, christen in een moslimwereld, een thuisloze, romantische prediker, strenge leraar, moraalridder, activist, maar bovenal: humanist in hart en nieren. Zijn scherp oog voor de marginalen, de verschoppelingen, de eenvoudigen, het pure; dat alles karakteriseerde hem, voor mij althans, het meest. Zijn kleurrijk leven bewoog zich op het snijvlak van velerlei culturen en atmosferen, een romantische socialist wiens verhalen en verslagen, zelfs in gewone krantenstukjes, een niveau bereikten dat zeldzaam is; misschien zo zeldzaam als de Javaanse kievit en Javaanse lijstergaai vandaag de dag.


Alleen al hierom is in deze alsmaar grimmigere wereld, een wereld waarin we gelukkig ook steeds vaker in het reine willen komen met onze geschiedenis, Tjalie actueler dan ooit. Het verbijstert mij dan ook zeer dat Tjalie nóóit een literaire prijs heeft mogen ontvangen, zelfs niet postuum. Het zou toch in de lijn van recht en eerbied liggen als ten minste een prijs naar hem wordt vernoemd. We hebben de Anna Blaman Prijs, Jan Campert-prijs, Herman Gorterprijs, Anil Ramdas Essayprijs, Bob den Uyl-prijs, J.M.A. Biesheuvelprijs, Jan Wolkers Prijs, you name it – maar waar blijft de Tjalie Robinsonprijs? 


Ik roep daarom de Moesson-redactie, Tjalies lievelingskindje, op: ‘Kom jongens, ik zie een schone taak voor u!’