Wim de Bie en het hemelbed der Nederlandse literatuur

Bij het overlijden van Wim de Bie lag het accent logischerwijs op zijn grensverleggende televisiewerk met Van Kooten. Maar De Bie liet ook een imposant en volstrekt eigen literair oeuvre na. Thomas Heerma van Voss bekeek zijn archief in het Literatuurmuseum.

 

Het antwoord kwam met jaren vertraging. Al op 5 februari 1988 ontving Wim de Bie post van het Literatuurmuseum (dan nog Letterkundig Museum): of hij, met het oog op het verzamelen van ‘documentair materiaal betreffende moderne Nederlandse literatuur’, zijn volledige gegevens wilde opsturen. En eventueel kon hij natuurlijk ook – alvast – typoscripten of correspondenties bijvoegen. Tegen het einde van 1990 stuurde Wim de Bie eindelijk zijn handgeschreven antwoord retour, in krullende letters: Willem Philippe de Bie, 17-5-1939, ’s Gravenhage. Ik hoop u met deze gegevens van dienst te zijn geweest

 

 

Dit is een typisch De Bie-zinnetje: beleefd, bijna dienstbaar, en ook een beetje afstandelijk. De cabaretier, programmamaker en schrijver, die op 27 maart 2023 overleed, was nooit een pleaser, maar iemand die zijn hele leven bleef doen waar hij zin in had. Dat is ook de reden geweest dat de jury van de Henriette Roland Holst-prijs hem in 1990 bekroonde voor zijn boek Schoftentuig – een bundeling van brieven, monologen en interviews waarin De Bie allerlei typetjes opvoerde, zoals de zwerver/filosoof/ex-mijnbouwkundig ingenieur Walter de Rochebrune, die stevige uitspraken deed over de staat van Nederland. Vintage De Bie, kortom. Op 9 juni 1990 sprak De Bie bij het in ontvangst nemen van de prijs voor geëngageerde literatuur een van de leukste dankwoorden uit die ik ooit ben tegengekomen. Hierin thematiseerde De Bie op ironische wijze de spanning tussen zijn werk als acteur en zijn werk als schrijver.  

 

Een van de eerste zinnen: ‘In een tijd waarin bezorgde, angstige en dringende stemmen klinken, die pleiten voor bescherming van het gedrukte woord in het huidige en toekomstige medialandschap, een tijd waarin de overmachtige suprematie van het visuele element in de momentane cultuur met de dag groeit, in zo'n onzekere overgangstijd een popularis van het vermaledijde beeldscherm, door het toekennen van een literaire prijs, bevorderen tot schrijver, dat is een besluit dat van een zekere moed getuigt.’

 

Verderop schetst hij enkele fictieve telefoongesprekken, waarin aldoor het contrast tussen de (oppervlakkige) televisiewereld en de (verheven) literaire wereld centraal stond. Het gehele dankwoord voegde De Bie toe aan de ‘wat late reactie’ die hij aan het Literatuurmuseum stuurde. Dit was het begin van zijn literaire nalatenschap, zou je kunnen zeggen, of althans, van zijn nalatenschap in het Literatuurmuseum. 

 

Wat blijft er van iemand over na zijn overlijden? De dood van De Bie zorgde voor een stroom van fraaie in memoriams, dankbetuigingen, terugblikken, afgestofte fragmenten. Het accent lag daarbij logischerwijs op zijn grensverleggende televisiewerk met Van Kooten; maar soms werd er aan zijn werk als eigenzinnige schrijver niet eens een bijzinnetje gewijd. Ook de Henriette Roland Holst-prijs werd eigenlijk nergens meer genoemd. Terwijl De Bie toch een imposant en volstrekt eigen oeuvre heeft opgebouwd.  

 

In totaal schreef hij – los van samenwerkingsprojecten zoals de Bescheurkalender die hij veertien jaar met Kees van Kooten maakte – negen boeken: vijf romans, vier verhalenbundels. Het eerste verscheen in 1987 (Meneer Foppe en het gedoe), het laatste in 2009 (Meneer Foppe & de hele reutemeteut). Veruit zijn meeste titels kwamen uit in de jaren negentig. Gelukkig ligt er juist uit die periode inmiddels wel een ruim De Bie-archief opgeslagen in het Literatuurmuseum. Het bestaat uit brieven met zijn vaste uitgever Jaco Groot (De Harmonie), handgecorrigeerde typoscripten, drukproeven, becommentarieerde flapteksten, brochures voor signeersessies bij onder andere de Bijenkorf (waar De Bie in december 1995 auteur van de maand was), foto’s, tekeningetjes, brieven waarin De Bie aan boekhandelaren uitlegde waarom hij cd’s en andere nevenprojecten ging maken, losse aantekeningen over bijvoorbeeld de volgorde van verhalen of aankomende evenementen.  

 

Kees van Kooten over Remco Campert: ‘Hij was de leukste en de grootste. Echt. Verdomme’

Lees meer

Het is een boeiend geheel, dit archief van De Bie. Wat opvalt, is dat hij in de jaren negentig zijn boeken in zo’n hoog tempo schreef (en samenstelde), dat zijn contact met uitgever Groot eigenlijk permanent was; veel van hun brieven zijn losstaand niet zo interessant, maar die stroom van post over aanbiedingen, teksten, samenstellingen geeft aan hoe toegewijd en gedetailleerd zowel uitgever als schrijver zich om het oeuvre van De Bie bekommerde.  

 

‘Dear Wim, heb manuscript nogmaals gelezen,’ schreef Groot eens vanuit Londen (op 9 september 1994), zoals hij de teksten van De Bie voortdurend herlas voor ze naar de drukker gingen – er vallen tientallen van dit soort briefjes te citeren, waarin alle plichtplegingen werden overgeslagen en de inhoud direct ter sprake kwam. ‘Behalve wat kleinere dingen (…) mogen van mij die paar gedichten (liedjes of hoe je het noemen wilt) er nog wel uit. Vallen er een beetje buiten.’  

 

De Bie antwoordde al een dag later: ‘Dear Jaco, het cursieve fragment: geheel mee eens.’ En in de rest kon hij zich vinden, terwijl hij zijn werk zelf ook nog eens minutieus nalas. Misschien maakt dit de brieven van De Bie wel vooral boeiend: doordat zijn meeste boeken bestaan uit kleine stukjes, met veelal een komische inslag, hing er toch iets onschuldigs, op het oog vrijblijvends om zijn schrijverschap heen. (Wellicht speelde het mede daarom een betrekkelijk kleine rol in de in memoriams.) Terwijl zijn brieven nu juist laten zien hoe serieus, soms pietluttig hij zijn werk benaderde: ‘Dear Jaco, goed dat we nog een keer naar de proef kunnen kijken!’ En weer volgden er gedetailleerde correcties, en weer eindigde de brief met de belofte snel te bellen en af te spreken. Groot schreef hem vanuit Spanje wanneer het contact ongewoon lang stilviel. ‘Je weet dat ik op geen enkele manier pressie op je wil uitoefenen, jij en ik bepalen niet wanneer een boek klaar is, dat doet het boek zelf, toch is het moment daar, dat ik je moet vragen: hoe gaat het?’ Gevolgd door een hoopvol zinnetje over het najaar, zou De Bies nieuwe werk wellicht op die aanbieding kunnen belanden?

 

Correspondentie tussen Wim de Bie en uitgever Jaco Groot. Collectie Literatuurmuseum

 

Wonderlijk: voor iemand die zo humoristisch en origineel schrijft als De Bie, zijn zijn correspondenties opvallend kalm. En functioneel. Zoals zijn eerste briefje aan het Literatuurmuseum was, zo zijn eigenlijk al zijn overgeleverde brieven: sympathiek, vriendelijk, uiterst beleefd, en met een prettig concrete ondertoon. Nooit schoot hij uit zijn slof. Nooit verzandde hij schrijvend in sneren of verwijten, of bleek er op enige manier iets van woede of teleurstelling of frustratie. Alleen in zijn vroegste nagelaten brieven liet hij een emotionele glimp zien, toen hij op 14 september 1987 aangaf ‘steeds nerveuzer’ te zijn nu zijn debuut op het punt stond te verschijnen. Verder toonde hij zich bovenal beheerst, wat het teruglezen van zijn brieven af en toe een tikkeltje droog maakt – althans, ze staan veraf van de felheid of woede die correspondenties van bijvoorbeeld Hermans of Reve konden hebben. Grappig genoeg deelt hij dit overigens met Van Kooten, wiens in het Literatuurmuseum opgeslagen correspondenties – eveneens met uitgever Jaco Groot, en met boezemvriend Remco Campert – ook door-en-door goedaardig, positief getoonzet zijn. Maar een verschil is dat Van Kooten in zijn brieven regelmatig uitpakte met rare en soms flauwe woordgrapjes, komische schunnigheden, vastgeplakte krantenknipseltjes, vervreemdende tekeningen. De Bie was korter van stof, zijn toon was kaler. Alsof hij alle vondsten bewaarde voor in zijn werk. 

 

Veel van zijn fictie draaide om de al genoemde Meneer Foppe, een schuchtere en timide figuur die ook bij Van Kooten & De Bie af en toe opdraafde, maar die pas in de verhalen van De Bie echt tot leven kwam: hij beschrijft hoe Foppe zich terugtrekt, hoe hij zich (veelal vergeefs) staande probeert te houden in de meest alledaagse taferelen, hoe hij zich arbeidsongeschikt afzondert in het appartementje van zijn moeder na haar dood. Het knappe van De Bies schrijven is dat hij meneer Foppe niet alleen maar een schlemiel maakt – het is ook iemand om wie je als lezer automatisch lacht en gaat geven.  

 

Uit De Bies archief blijkt hoe secuur hij zijn verhalen keer op keer bleef afwegen. In het manuscript van de bestseller Meneer Foppe in zijn blootje (1994), bijvoorbeeld, heeft hij met de pen toch nog eens het al geredigeerde manuscript geheel nagelopen, en ieder verhaal met plusjes en minnetjes (soms twee minnetjes) beoordeeld. Opvallend is het absurdistische verhaal ‘Nalatenschap’: ‘De onlangs overleden schrijver Martin Eekhout heeft testamentair beschikt, dat zijn literaire nalatenschap – zijn computergeheugen – aan het Letterkundig Museum te Den Haag dient te worden geschonken.’ Vervolgens draait het om de erfenis van deze Eekhout, hoezeer hij zijn tijd vooruit was door in de jaren vijftig al een computer te gebruiken. Met zekerheid valt het nu natuurlijk niet vast te stellen, maar het lijkt me plausibel dat dit verhaal ontstond uit die eerste brief van het Literatuurmuseum. De Bie zelf was overigens niet zo over het verhaal te spreken. ‘Mager,’ noteerde hij. Streep erdoor dus – het verhaal kwam op de valreep nog te vervallen.  

 

 

Terug naar dat dankwoord, waarvan alleen een voltooide, niet meer becommentarieerde versie in De Bies archief is ondergebracht. ‘Na vijfentwintig jaar rollebollen op de Gooise Matras, mag ik, op uw voorspraak, plaatsnemen in het hemelbed der Nederlandse literatuur,’ sprak hij. Verderop: ‘Ik werd gefeliciteerd door literatoren van naam en faam. (...) Ondertussen geniet ik bijna schaamteloos van elk moment als nieuwbakken literator. Ik ben opgegroeid in het ordinaire televisiemilieu (schuinemoppentapperij in omroepkantines, drinkgelagen op de set, geflikflooi met scriptgirls); ik zet nu mijn eerste schreden in de literaire salons.’ De slotzin: ‘Ik moet nu trouwens snel naar Sliedrecht, waar ik een Herman Gorterlezing over E. du Perron moet houden.’ 

 

Die tekst was natuurlijk spel, niet serieus bedoeld, al kun je je afvragen: waar schuilt de humor precies in? Was dit een persiflage op hoe serieus de literaire wereld zichzelf (soms) neemt? Of voelde hij al van meet af aan dat hij een buitenstaander was in het literaire domein? Ook al schreef het Literatuurmuseum hem aan. Ook al vielen zijn boeken bij een groot publiek in de smaak, wat tevens wordt onderstreept door dit archief: er zitten enorm veel verzoeken voor interviews en optredens tussen, geregel rondom een (propvolle) persdag waarbij alle kranten iets van hem wilden.  

 

In totaal werden er honderdduizenden van zijn boeken verkocht, al in 1990 ontving hij post waarin Groot hem mededeelde dat er van zijn debuut alleen al honderdduizend exemplaren over de toonbank waren gegaan. In een andere brief werd een naar hedendaagse maatstaven duizelingwekkend voorschot genoemd: ‘er is 150.000,- naar je onderweg,’ schreef een medewerker van De Harmonie. ‘De definitieve afrekening, die natuurlijk veel hoger zal zijn, volgt nog.’  

 

Ansichtkaarten van Van Kooten & De Bie, door Wim de Bie naar het Literatuurmuseum gezonden voor de collectie

 

Succes en voorspoed dus, en toch is er altijd iets lichts om De Bies schrijfwerk heen blijven hangen. Misschien was zijn televisiewerk gewoonweg te groot, te beroemd om er een volwaardige tweede carrière naast te hebben. Hoe het ook zij: de Henriette Roland Holst-prijs bleef de enige prijs die De Bie voor zijn boeken kreeg toegekend. Wel ontving hij in 2005 nog een Zilveren Pritchettprijs voor zijn weblog Bieslog (waarop ook veel over meneer Foppe verscheen). In 2007 werd hem daarnaast, samen met Kees van Kooten, het erelidmaatschap van het Genootschap Onze Taal toegekend – en het duo won eerder al diverse Nipkowschijven en Edisons.  

 

Daaromheen bewaarde De Bie vooral veel. Wie weet nam hij de eerste inventariserende post van het Literatuurmuseum toch serieuzer dan hij deed voorkomen. Het heeft ertoe geleid dat nu valt na te lezen hoe bevlogen hij ook met zijn schrijfwerk bezig was. En hoe gloedvol hij de dagen verzinnend en verzamelend doorkwam. Zoals hij te midden van de herdrukken en aanbiedingsfolders eens aan zijn uitgever schreef: ‘Dear Jaco, thank you. Life can be wonderful! Wim.’