A.F.Th. van der Heijden: ‘Hoe intensiever ik bezig ben mijn leven om te vormen tot een verhaal, des te leger komt me dat feitelijke leven zelf voor’

Thomas Heerma van Voss bezoekt A.F.Th. van der Heijden in zijn nieuwe woning. De schrijver vertelt uitgebreid over de verhuizing, het ordenen van zijn archief en het voltooien van de romans waar hij aan werkte toen zijn zoon Tonio onverwachts overleed. ‘Omtrent een eventuele biograaf heb ik uitsluitend negatieve fantasieën. Elke gedachte aan een biografie herleid ik tot misplaatste ijdelheid.’

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Het literaire archief van Adri van der Heijden bevindt zich op meerdere plekken. Een deel wordt bewaard door Stichting De Tandeloze Tijd, een groep liefhebbers en verzamelaars die zich al tijden bezighoudt met zijn oeuvre. Een ander deel heeft hij meegenomen naar het appartement waar hij en zijn vrouw Mirjam Rotenstreich een jaar geleden naartoe verhuisden. Het echtpaar verkocht hun vijf etages tellende huis in de Johannes Verhulststraat te Amsterdam Oud-Zuid – ‘mijn pensioen,’ aldus Van der Heijden – en vertrok naar een kleiner huurappartement in Buitenveldert. Daar komt weinig bezoek over de vloer. Van der Heijden zit elke dag druk te schrijven aan meerdere romans tegelijk en meldde me dat hij dat ritme niet wil doorbreken. Na enkele brieven over en weer wil hij me toch ontvangen. 

‘Al in de nazomer van 2024, schat ik, kwamen de twee belangrijkste vertegenwoordigers van het Literatuurmuseum bij me langs voor mijn archief,’ zegt Van der Heijden. ‘Zij gingen akkoord met opname van mijn brieven- en dagboekarchief, zoals dat in ordners opgeslagen lag in het souterrain van ons huis in de Johannes Verhulststraat. Het Literatuurmuseum heeft het grootste deel van dat archief met een busje opgehaald. Een deel van de brieven heb ik nog hier, op het nieuwe adres, met het oog op een door Querido te publiceren selectie. Dat worden voornamelijk zeer humeurige epistels, waar ik het patent op heb. Ook een rijtje dagboekordners is voorlopig meeverhuisd, geen idee waarom. Er zaten geen duidelijke gedachten achter. De verdeling van het archief over verschillende “stashes” is, zoals de hele verhuizing, in chaos verlopen.’ 

 

‘Ja, zo voelt het schrijven echt, als een verplichting, zelfopgelegd weliswaar, maar ik moet aan de taken voldoen’

 

Van der Heijden (1951, Geldrop) zit aan een lange houten eettafel, en gedurende de drie uur dat we spreken komt hij niet overeind – ook niet wanneer ik arriveer of wegga. Zijn appartement bevindt zich op de zevende etage van veruit het hoogste gebouw van deze woonwijk: een enorme flat, duidelijk recent neergezet. In de welkomsthal zit een portier, die al op de hoogte bleek te zijn van mijn komst en me verwees naar een van de drie liften, en prompt belandde ik in dit huis; Mirjam Rotenstreich ontving me, reikte me thee aan, verdween in een zijkamertje achter een gesloten deur. Van der Heijden zit en vertelt. Over de opslag die hij heeft gehuurd en waar enorme hoeveelheden boeken, cd’s en grammofoonplaten liggen. ‘Geen literair archief dus.’ De reden dat hij grote delen van zijn manuscripten meenam naar zijn appartement, is praktisch: hij is druk bezig met het beoordelen van de levensvatbaarheid, het redigeren, samenvoegen en voltooien van diverse fictieprojecten die de afgelopen twintig jaar onafgerond bleven.  

 

A.F.Th. van der Heijden in zijn werkkamer in Amsterdam-Zuid. Foto: Rosan Hollak

 

Dat kwam niet zozeer door een writer’s block, maar door andere projecten die de aandacht opeisten, en natuurlijk door het overlijden van zoon Tonio in 2010, waar hij direct over begon te schrijven – het leidde tot de roman Tonio (2011), waarvoor hij de Libris Literatuur Prijs ontving. Nu is Van der Heijden deels bezig met de gestokte romans waar hij aan werkte toen Tonio overleed. Uitgebreid en gedetailleerd vertelt hij over de Homo Duplex-fictie die hij momenteel redigeert, over een ‘Poetin-roman’ die bijna af is, over een roman nauw gebaseerd op Sophocles’ Oedipus en een roman getiteld Driestromeneiland, waar hij vijftien jaar geleden al aan begon.

‘Ik kan me goed voorstellen dat een buitenstaander dan zegt: ja, Adri, hallo zeg, wat doe je toch, hoe houd je al die projecten uit elkaar? Maar op deze manier werkt mijn hoofd. Mijn schrijven wordt vaak aangewakkerd door iets uit de actualiteit. Neem Driestromeneiland. Dat baseerde ik op een nieuwtje uit maart 1997, over voetbalrellen waarbij een Ajaxsupporter genaamd Carlo Picornie om het leven kwam. Vanuit zo’n nieuwtje ga ik nadenken en fantaseren, dat draag ik dan lang met me mee. Nu dus al bijna vijfendertig jaar, en eindelijk krijgt het boek een echte vorm. Voor mij gaat die roman over het verlangen een ander te worden.’ 

 

‘Omtrent een eventuele biograaf heb ik uitsluitend negatieve fantasieën. Elke gedachte aan een biografie herleid ik tot misplaatste ijdelheid’

 

‘Sinds ik hier woon, voelt alles van mijn werk weer bereikbaar,’ gaat hij verder. ‘En zo nu en dan kom ik in mijn eigen manuscripten-in-statu-nascendi details tegen die ik alweer vergeten was – ik heb een voortdurende aha-erlebnis bij mijn herleeswerkzaamheden. Verdomd, dit zit er ook in, en dat, en dat kan ik uitbreiden. Verder zijn er steeds wel wat stilistische dingen die ik nu anders zou doen, maar over het algemeen bevalt het me goed wat ik tegenkom. Ik hoef aan die onvoltooide manuscripten weinig te herschrijven.’ 

 

‘Ik heb haast, ja, zo kun je het wel stellen,’ zegt Van der Heijden even later, nadat hij ook over een ander romanproject gedetailleerd heeft verteld. ‘Niet dat ik doodsgedachten heb, maar ik wil wel nog veel dingen afronden en ik weet niet hoe lang ik nog heb. Mijn hele leven praat ik in interviews al over mijn oeuvre en dat schept verplichtingen. In de eerste plaats tegenover mezelf. Ja, zo voelt het schrijven echt, als een verplichting, zelfopgelegd weliswaar, maar ik moet aan de taken voldoen.’

Zo is Van der Heijden, dagelijks schrijvend op de typemachine in zijn werkkamer, in zekere zin bezig dat deel van zijn archief te overzien en te ordenen. Hij maakt er boeken van die de komende jaren bij Querido en ook via Stichting De Tandeloze Tijd en enkele bibliofiele uitgeverijen zullen verschijnen. ‘Dat is een fijn gevoel, dat die onvoltooide manuscripten nu vlakbij klaarstaan, hunkerend naar een laatste hand.’ Van der Heijden houdt van bibliofiele edities. Trots vertelt hij dat hij Kastanje a/d zee (2024) oorspronkelijk doelbewust een ‘haast mythische status’ meegaf door het in zeer kleine oplage uit te brengen. Tot er meer dan duizend euro voor werd gevraagd op veilingsite Catawiki en er toch een handelseditie verscheen. 

 

Van der Heijdens planning voor 'Homo Deux', 1999. Collectie: Literatuurmuseum

 

Hij vraagt of ik zijn werkkamer wil zien. Dat wil ik. Hijzelf blijft zitten, wijst naar een kamer verderop waar ik naartoe mag lopen. Ik tref er stellagekasten en tafels vol ordners aan, typoscripten van nog onverschenen werk, stapels aan correspondenties. Een vreemd besef dat deze grote hoeveelheid papier slechts een klein deel van zijn literaire archief is. Wat waren de afwegingen bij de verdere verdeling van zijn paperassen tussen de stichting, de berging – die zich eveneens in deze woontoren blijkt te bevinden – en het Literatuurmuseum? ‘Tja. Daar kan ik kort over zijn. Die gedachten waren niet vastomlijnd. En ik heb het zelf een beetje laten gebeuren.’ 

Van der Heijden geeft aan dat hij de verhuizing moeilijk aankon. Rotenstreich deed veruit het meeste regelwerk. Mede wegens zijn fysiek kon hij het niet opbrengen: tweemaal lag hij de afgelopen jaren in het ziekenhuis, het lukte hem niet om zich veel in te spannen voor praktische zaken. Veruit zijn meeste aandacht ging naar zijn schrijfwerk. Maar door de verhuizing moest er dringend iets gebeuren met alle opgehoopte papier. Rotenstreich maakte de meeste schiftingen en onderhield het contact met het Literatuurmuseum, zoals ze ook in andere opzichten aanzienlijk meer contact met de buitenwereld onderhoudt dan Van der Heijden zelf. (Ze doet de boodschappen, gaat in tegenstelling tot Van der Heijden wel nog regelmatig naar buiten.) ‘In die berging boven staan mijn zakelijke lezingen en nog wat documenten waar ik nu verder niets mee hoef,’ zegt hij. ‘Al het kladmateriaal dat ten grondslag lag aan mijn gepubliceerde boeken, en de curieuze papiertroep eromheen, is door Wim Voets en Robert Hempelman, de beheerders van Stichting De Tandeloze Tijd, gescand en zal ook aan het Literatuurmuseum worden overgedragen.’  

 

‘De verdeling van het archief over verschillende “stashes” is, zoals de hele verhuizing, in chaos verlopen’

 

Het laatste deel van Van der Heijdens archief ligt ook in het museum en behelst het merendeel van zijn ‘papierwinkel’. ‘Daar zit veel tussen waar biografen en journalisten zich misschien ooit op willen uitleven. Maar mijn afspraak met het Literatuurmuseum is helder: er rust een embargo op de brieven en dagboeken, dat alleen door mij opgeheven kan worden. Ik moet nog zien hoe ik dat in de toekomst met eventuele toestemming tot uitsluiting ga doen. Zonder onaardig te willen overkomen: het embargo geldt ook voor jou.’ Een korte, innemende glimlach.

In de loop der jaren wisselde hij brieven uit met onder meer Geerten Meijsing, Frans Kellendonk, Kees ’t Hart, Lidewijde Paris, P.F. Thomése, Oek de Jong, Cees Nooteboom, zijn onlangs overleden broer Frans van der Heijden, Joost Zwagerman. ‘Zelf lokte ik eigenlijk niet vaak een briefwisseling uit. Ik reageerde meestal op post van anderen, en ja, dat kon zich wel eens over maanden of jaren uitstrekken. Maar ik zou nooit brievenboeken à la Gerard Reve kunnen vullen. Ik heb me vaak een trouweloze correspondent betoond: hoe iemand toch een archief van een geschatte 20.000 briefkopieën heeft kunnen opbouwen, is mij een raadsel.’ 

 

Cees Nooteboom en A.F.Th. van der Heijden bij de uitreiking van de P.C. Hooft-prijs 2004. Collectie: Literatuurmuseum

 

‘Geregeld heb ik respondenten misbruikt om anekdotes en hersenspinsels op uit te proberen die vervolgens hun weg vonden naar mijn romanwerk,’ gaat hij door. ‘Overigens, tot 1983 maakte ik geen kopieën van mijn uitgaande post, al heb ik me wel eens verstout aan het ijdele opvragen, bij deze of gene adressant, van oude correspondentie. Daar werd lang niet altijd gevolg aan gegeven. Een oude vriendin bekende dat ze mijn brieven “achter de hand hield, voor later, als oudedagvoorziening”. Ik heb haar gewaarschuwd dat egodocumenten in de Nederlandse literatuur bepaald geen vetpot vormen. Hoe dan ook, ik moet er voorlopig niet aan denken dat bepaalde brieven – langs wat voor weg dan ook – de openbaarheid halen, al is het maar citaatsgewijs.’ 

Zoals deze hele middag praat Van der Heijden langzaam, helder: zijn toon is hoffelijk en een tikkeltje plechtig, zijn geheugen werkt bijzonder goed. Tien jaar geleden had ik zeer kort contact met hem vanwege een Revisor-uitgave – ik zat toen in de redactie en we maakten een gelegenheidsuitgave over Van der Heijdens oeuvre – en hij herinnert zich tot mijn verbijstering zelfs nog de straat waar ik toen woonde. Ook weet hij nog precies wat hij wanneer schreef, in welke versie. Juist hierom is hij natuurlijk in staat om gelijktijdig aan zoveel boeken te schrijven.  

 

‘Er rust een embargo op de brieven en dagboeken, dat alleen door mij opgeheven kan worden’

 

Zo is hij ‘in vol bedrijf’, zoals hij tweemaal stelt. Maar er is wel iets fundamenteels veranderd, blijkt meermaals in het gesprek: na zijn debuut Een gondel in de Herengracht en andere verhalen (1978) was Van der Heijden hoofdzakelijk bezig met het uitbouwen van zijn romanwereld via eindeloos veel dwarsverbanden, vervolgen, verwijzingen. Tegenwoordig richt hij zich meer op het afhechten van zijn werk, op het overzien van wat hij allemaal heeft opgetuigd en geschreven. En daar hoort het onderbrengen van zijn archief bij, inclusief de vraag over wat er na zijn dood mee moet en mag gebeuren. 

‘Daar ben ik nog niet uit. Ik zal hierover nog afspraken maken met Mirjam, die acht jaar jonger is dan ik. Wat gebeurt er met de onvoltooide manuscripten? Het idee van dat embargo bij het Literatuurmuseum stelt me gerust, zelfs literatuurvorsers kunnen nu niet zomaar bij mijn papieren.’ Even later: ‘Omtrent een eventuele biograaf heb ik uitsluitend negatieve fantasieën. Elke gedachte aan een biografie herleid ik tot misplaatste ijdelheid. Ik schuif de beslissing graag af op mijn erfgenamen, mits ik nog in de gelegenheid ben ze voldoende afkeer van het biografengilde bij te brengen. Hoe intensiever ik bezig ben mijn leven om te vormen tot een verhaal, des te leger komt me dat feitelijke leven zelf voor. Wie zou dat in heel z’n naaktheid willen weergeven, en sterker: wie zou erover willen lezen?’ 

Een retorische vraag. Als ik vertrek, aan het einde van de middag, schemert het buiten. Rotenstreich komt tevoorschijn en laat me uit; Van der Heijden blijft aan tafel zitten. Hij ontfermt zich over een stapel papier die al die tijd onberoerd naast ons lag, een van de romans in aanbouw – een toekomstig archiefstuk. En een zoveelste manier waarop hij zijn eigen leven en de wereld die ons omringt, blijft omsmeden tot een groter verhaal. 

 

Van der Heijden met één van zijn elektronische IBM typemachines. Foto: Rosan Hollak