‘Er zijn tekeningen kwijtgeraakt. Niet door mij, laat dat helder zijn. Maar schrijvers zijn net mensen’

In het voorjaar van 2025 nodigde De Revisor alle schrijvers die in de afgelopen vijf jaar in het literaire tijdschrift hadden gepubliceerd uit om een zelfportret te tekenen. Er werd gevraagd de creaties per mail én per post aan te leveren, zodat de originelen opgenomen konden worden in het Literatuurmuseum. Tientallen portretten ontving hoofdredacteur Yentl van Stokkum: van een enorme doos met één tekening tot de allerkleinste schets in een minuscule envelop. 

 

Misschien had ik niet mijn eigen adres door moeten geven. Misschien was het makkelijker geweest om alle zelfportretten naar onze uitgeverij (Querido) te laten sturen, maar ik was bang dat ze daar kwijt zouden raken. Dat er dan ergens, in een gebouw waar mensen malle dingen doen zoals weekend houden, al die zorgvuldig gemaakte zelfportretten zouden rondzwerven. Dat ze misschien in een doos zouden belanden, of het verkeerde postvak in dwarrelen. Dus ik gaf mijn adres op. Waar ben je anders hoofdredacteur van De Revisor voor? Zo kwam half literair Nederland in het bezit van mijn adres in Utrecht.

 

De eerste portretten werden langsgebracht door Utrechtse schrijvers. Enkele dagen na de oproep aan honderden schrijvers om hun zelfportretten op te sturen, ontving ik al een tekening van Gijs Wilbrink. Hij wilde het maar gewoon gehad hebben, dat tekenen. Ingmar Heytze volgde hem op de voet.

Bijna vijftig jaar geleden, in 1977, vroeg De Revisor schrijvers die toen tot de veelbelovende literaire toekomst behoorden een zelfportret te maken. Thomas Heerma van Voss diepte deze schrijversportretten op uit het archief van het Literatuurmuseum en sprak de nog levende auteurs: hoe kijken zij terug op die periode in hun schrijversleven? Alle interviews zijn hier te lezen en werden ook gebundeld in het boek De prullenmand heeft veel plezier aan mij

 

De meer dan 80 zelfportretten van schrijvers en dichters uit 2025, waaronder inzendingen van Adriaan van Dis, Anneke Brassinga, Maartje Wortel, Alfred Schaffer en Lize Spit, zijn gepubliceerd in De Revisor #45 Het Zelfportret, een samenwerking met het Literatuurmuseum, ondersteund door uitgeverij Das Mag. 

 

Ik ontving kokers. Ik ontving enveloppen die waren geknutseld van pagina’s uit literair tijdschrift Awater. Er stond een tekening op die gemaakt was bij een gedicht van Lies Van Gasse, verstuurd met een persoonlijke postzegel met daarop een foto van het hondje van de verzender. Ik ontving lieve, persoonlijke kaarten, waarvan ik me afvroeg of ik ze moest bewaren. Zou het niet beter zijn als ook deze kaarten naar het museum gingen?

 

Een auteur kwam, onheilspellend, helemaal uit Arnhem om een klein envelopje, met daarin een kleine tekening, persoonlijk bij mij in de brievenbus te doen. Die middag was ik net even naar een meertje gefietst om te gaan zwemmen, en bij thuiskomst zat het envelopje zonder frankering tussen de post. Was ze speciaal om deze reden naar Utrecht gekomen? Had ze nog andere afspraken gehad? Moest ze in de buurt zijn? Er zat een kaart bij, waarop ze vroeg of ik dacht dat er meer stoelen of deuren in de wereld waren. Ik legde het voor aan de rest van de Revisor-redactie, en vooral Leonieke Baerwaldt hield zich nog dagen met dit vraagstuk bezig. Het moesten stoelen zijn, bleef ze maar roepen. Ze stuurde ons een week lang foto’s van stoelen door en appte ’s nachts dingen als: ‘Denk aan stadions! Zoveel stoelen!’

 

 

Bevriende schrijvers kwamen naar literaire evenementen en feesten en drukten mij hun tekeningen in de hand. De eerste keer dat dit gebeurde zei ik dat het onhandig was. We zouden daarna de kroeg ingaan, en misschien zou ik die avond nog gaan stappen. Ik had geen grote tas mee. Het regende. Ik was bang de tekening te beschadigen. Ik moest denken aan alle boeken die ik per ongeluk had meegenomen naar de club en aan de gebutste hoekjes die ze daar hadden opgelopen. Hoe er tabak tussen de pagina’s was beland. Hoe ze zelfs naar bier waren gaan ruiken. Had ik ze uit mijn tas gehaald aan de bar? Had ik ze iemand onder de neus geduwd van ‘dit moet je echt lezen’? Ik weet het niet meer. Maar veel van mijn favoriete boeken zijn lang mee op pad geweest. Er is een dichtbundel die ik in Tivoli verloren ben. Hij is nooit bij de gevonden voorwerpen opgedoken. Iemand moet hem hebben meegenomen. Ik dacht aan die bundel terwijl ik probeerde een tekening zo voorzichtig mogelijk in mijn te kleine tas te schuiven.

 

In de weken daarna druppelden in toenemende mate de tekeningen bij mij binnen. In de PostNL-app zag ik vrijwel dagelijks dat er iets naar me onderweg was. Ik ontving alle soorten enveloppen. Dunne witte enveloppen, transparante enveloppen, stevige bruine enveloppen, hergebruikte enveloppen, handmatig verstevigde enveloppen, enveloppen met bubbeltjesplastic aan de binnenkant. Ik ontving versneden boekomslagen waartussen tekeningen geklemd zaten. Er waren enveloppen met een bibberig handschrift. In één envelop zat een stapel pagina’s uit een tijdschrift, met daartussen de tekening van een dichter. Het deed me denken aan een sinterklaassurprise.

 

Er werd me een tekening bezorgd in een grote doos. Stel je voor: een doos zo groot als een aktekoffer, gevuld met alleen die ene tekening, op dik papier gemaakt en zo groot dat deze er enkel overdwars in paste, alleen beschermd door lucht. Ik versneed de doos zodat ik de tekening tussen twee grote stukken karton kon klemmen, en legde hem op de groeiende stapel zelfportretten. 

 

 

Bij alle evenementen erna nam ik steevast een rugtas mee. Wanneer ik ’s nachts thuiskwam haalde ik de mij die avond overhandigde tekeningen eruit en legde ze opgelucht op de stapel. Veilig thuis. Veilig op hun plek op mijn eettafel. Veilig bij de rest van de portretten.

 

Er was een tekening die me in een plastic mapje met doorschijnend voorblad werd toegestopt vlak voor een optreden in Groningen. Dit vond de maker veiliger dan met de post. Ik stopte de tekening zo voorzichtig mogelijk in mijn weekendtas. Voelde hoe slap het plastic was en deed een schietgebedje. 

 

In het museumcafé dronken we wijn en proostten we op de aanwinst voor het museum

 

Er zijn tekeningen kwijtgeraakt. Niet door mij, laat dat helder zijn. Maar schrijvers zijn net mensen en mensen kunnen chaotisch zijn. Er zijn tekeningen tussen papieren op bureaus verdwenen voordat ze op de post werden gedaan. Deze zijn me wel digitaal toegestuurd, maar hebben me nooit fysiek bereikt. Er zijn tekeningen die bijna met het oud papier waren weggegooid omdat ze tussen kranten lagen. Als de Revisor-redactie niet had gemaild met de vraag of het origineel al verzonden was, waren deze ook verdwenen.

 

Dankzij een dichter die me op een zomerborrel nog zijn tekening toestak, kwam aan het licht dat er digitale zelfportretten in de spam waren beland. We konden ze nog net op tijd toevoegen aan de laatste proef. Twee dagen later ging De Revisor naar de drukker.
 

Dit had een logisch einde kunnen zijn voor de stroom aan post; alle gemailde portretten waren in De Revisor opgenomen. Sommige tekeningen waren na ontvangst opnieuw gescand. Dit had het kunnen zijn. Maar in de maanden daarna bleef ik sporadisch portretten ontvangen. In augustus mailde ik dat het echt klaar moest zijn. We hadden een afspraak met het museum. De zelfportretteurs hadden tot 1 september om hun origineel op te sturen. Er kwamen nog een paar tekeningen na, maar daarna hield het op. In mijn postvak lag de krant.

 

 

Eind september ging ik samen met de redactie en een paar nieuwsgierige bevriende schrijvers naar het Literatuurmuseum en leverde mijn koffer vol tekeningen in. Ik legde de koffer op een tafel, ritste hem open en stalde de buit uit voor de conservatoren. We bekeken de tekeningen stuk voor stuk en lieten ze daarna achter in het archief. In het museumcafé dronken we wijn en proostten we op de aanwinst voor het museum. Na al die tijd waren de portretten veilig aangekomen op hun eindbestemming.

 

Terug in Utrecht slingerde ik de nu lege koffer achteloos achter op mijn fiets. Thuis was de hoek van mijn eettafel leeg. De woonkamer voelde rustiger dan deze in maanden was geweest. De alsmaar groeiende stapel post had in de afgelopen weken bijna levend gevoeld.

 

Half oktober werden er toch weer twee zelfportretten bij me langsgebracht. De schrijfster was ze vergeten mee te nemen naar de zomerborrel, maar zag me nu toch, dus ja. Ze zijn van haarzelf en een andere schrijver, die niet naar die zomerborrel kon komen en het portret aan haar had meegegeven.

 

Ze liggen nu in een bruine envelop op tafel. Ik ben benieuwd wanneer ik het laatste zelfportret binnen zal krijgen.