Als tiener was ik beter af geweest met de wijsheden van Anja Meulenbelt dan met die van Phoebe Buffay

Alma Mathijsen leest de strijdvaardige artikelen van Anja Meulenbelt. In de ingedutte maatschappij van de jaren ’90 – die allergisch lijkt voor activisme – benadrukt Meulenbelt met vurige woorden en aangrijpende reportages hoe hard het feminisme nodig is.

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

‘Ik klaag niet, ik klaag aan.’ Onder mijn handen liggen tientallen knipsels uit kranten en tijdschriften uit de vroege jaren ’90, artikelen en essays geschreven door Anja Meulenbelt. De 81-jarige schrijfster, politica en activist is een icoon, bekend bij iedereen die ooit het woord ‘feminisme’ heeft uitgesproken. In mei neemt ze de P.C. Hooft-prijs in ontvangst voor haar gehele oeuvre.

Ik glij met mijn vingers over het ruwe krantenpapier. Haar productie is overweldigend, ze schreef ontelbaar veel stukken, en daarnaast publiceerde ze sinds 1975 ook haast ieder jaar een boek, soms meerdere. De afgelopen tijd was ik verzonken in De schaamte voorbij (1976), de feministische klassieker die ik tot mijn schande nog nooit had opgepakt. Ik had verwacht een essayistisch boek te lezen vol terminologie en verwijzingen naar andere feministische literatuur, een zorgvuldig afgewogen betoog tegen het keurslijf van de huisvrouw. Maar ik werd meegesleurd in het emotionele leven van een vrouw die zo wild en met een enorme stootkracht kan vertellen dat ik haar bloed haast in mijn mond proefde.  

 

Haar vertelkracht is onstuitbaar. Het lijkt haar moeiteloos af te gaan, telkens een nieuwe invalshoek, altijd overtuigend en met de blik op de toekomst

 

Deze energie zie je ook terug in de knipsels uit het archief van het Literatuurmuseum. In een interview uit 1994 met NRC Handelsblad benoemt Meulenbelt haar hoogtepunt van de tweede feministische golf: ‘Net een cowboy-verhaal. Met zijn honderden die abortuskliniek bezetten en via de politiezender horen dat we omsingeld waren. Je stelde een eis, en daarvoor ging je de straat op.’ Haar vertelkracht is onstuitbaar. Het lijkt haar moeiteloos af te gaan, telkens een nieuwe invalshoek, altijd overtuigend en met de blik op de toekomst.  

 

Ik klaag niet, ik klaag aan. De seksuele mishandeling, bijvoorbeeld, is nog steeds niet verminderd. Trouwens, je zou mij juist kunnen zien als exponent van het succes-feminisme. Ik heb een succesvolle carrière en ben economisch onafhankelijk, zodat ik me kan permitteren om een minnaar die niet meer voldoet bij het vuilnis te zetten. 

 

Josepha Mendels, Anja Meulenbelt en Beb Vuyk tijdens de uitreiking van de Anna Bijns Prijs in 1986. De prijs werd in het leven geroepen uit onvrede over de structurele benadeling van vrouwen bij het vergeven van literaire prijzen. Collectie: Literatuurmuseum

 

Toch bekruipt me iets wat ik niet gelijk kan vatten. Hoe meer ik lees, hoe beklemder ik me voel. Dat komt zeker niet door de strijdvaardige stukken van Meulenbelt, maar door de verveelde maatschappij van de jaren ’90, die allergisch lijkt voor activisme. De tweede feministische golf is weggezakt in het geheugen. In een essay uit 1994 in Opzij schetst ze de teneur treffend.

 

Ondertussen woedt in de media een discussie over het zogenaamde slachtofferfeminisme. Feminisme is uit, achterhaald, overbodig geworden en voor zover het nog enig recht van bestaan heeft alleen nog, alsof het om een wasmiddel gaat, met een vernieuwd image. Géén gezeur meer over kommer en kwel, géén geklaag meer over mannen. 

 


Ik had zelf nog nooit eerder van de term slachtofferfeminisme gehoord. Maar in de jaren ’90 was dat blijkbaar een veelvoorkomend verwijt. De feministen van toen werden beticht van gezeur. Het moest allemaal zo puriteins en zonder enige vorm van charme, was de kritiek. Vertrouw er maar op dat het decennium van heroin chic ook voor iconische vrouwen een term verzint die ze kleineert en terug op hun plaats zet. Ziedaar de geboorte van het slachtofferfeminisme. Ook Meulenbelt verwerpt de term resoluut. In hetzelfde artikel beschrijft ze haar bezoek aan twee opvanghuizen voor vrouwen en kinderen in crisis. Het is meteen kraakhelder hoe hard het feminisme nog nodig is.  

 

Geen van de vrouwen was zielig, er werd niet geklaagd, geen vrouw hing aan haar slachtofferschap. Wel dachten ze veel na: hoe heeft mij dit kunnen gebeuren? En hoe kom ik eruit? Zeker, zij hebben nu de bijstand, een opvanghuis met een staf die achter ze staat. Dat had ik dertig jaar geleden niet. Maar ik had een vrouwenbeweging die achter me stond, die me hielp om woorden te vinden voor mijn ervaringen en om de kracht te vinden om mijn slachtofferpositie te verlaten. Hebben zij dat nog?  

 

Net als veel van de vrouwen in de opvang werd Meulenbelt als tiener zwanger. Ze moest trouwen met de vader, die gewelddadig was naar moeder en kind. Met veel moeite lukte het haar om uiteindelijk weg te komen.  

 

Veel verder dan een vrouw met okselhaar en een tuinbroek kwam ik niet. Feminisme was uit, om het maar even akelig te zeggen, zulke dingen voelt een tiener feilloos aan

 


Ik denk aan de tijd waarin ik opgroeide. Het moet in de eerste jaren van de middelbare school, rond 1998 zijn geweest, toen ik leerde wat een feminist was. Veel verder dan een vrouw met okselhaar en een tuinbroek kwam ik niet. Feminisme was uit, om het maar even akelig te zeggen, zulke dingen voelt een tiener feilloos aan. Terwijl Meulenbelt onuitputbaar doorvocht in haar schrijven, keek ik aan één stuk door Friends. Na de laatste aflevering van een seizoen stak ik de eerste videoband weer in de speler en begon opnieuw. Ik herinner me een scène waarin Phoebe Buffay inhaakt op een discussie: ‘I know! I know! We can drive, we can vote, we can work. What more do these broads want!?’ 

 

Dat was de tendens in de jaren ’90 als het om feminisme ging. Als tiener was ik beter af geweest met de wijsheden van Anja Meulenbelt dan met die van Phoebe Buffay. Alleen had ik haar nog lang niet gevonden. Ik wilde bij de jongens horen, ik wilde me niet aanstellen, en ik wilde me al helemaal geen feminist noemen. In schakelklas 2 havo/vwo stond dat gelijk aan sociale suïcide, dat kon ik me simpelweg niet veroorloven. 

 

Anja Meulenbelt, 1984. Foto: Marcel Antonisse. Collectie: Nationaal Archief

 

Juist in die jaren schreef Anja Meulenbelt tegen de bierkaai op. Zij plaatste wat jonge vrouwen overkwam in een breder kader en reflecteerde kritisch op de positie van de vrouw én de man. Zo haalt Meulenbelt in een stuk voor Opzij uit 1992 een cover van HP/De Tijd aan waarop prijkte: ‘Houdt de carrièrevrouw het alweer voor gezien? Terug naar het aanrecht!’ Het is om treurig van te worden.  

 

De winst die we hebben geboekt is dat we tegenwoordig zelf mogen kiezen welk probleem we het leukst vinden. En als we dan depressief worden, aan burn-out lijden of eenvoudig overspannen raken dan hebben we dat aan onszelf te wijten. Wilden we niet zelf kinderen, of een carrière, of alle twee?

 

Het is confronterend om de artikelen van toen te lezen. Zeker als ik me realiseer hoe het er anno 2026 voor staat. Anja Meulenbelt is nooit gestopt. Zij zag in dat verzet nodig was, juist in de jaren ’90, waarin iedereen klaar leek te zijn met dat eeuwige ‘gedram’. Ik ben haar dankbaar, ook al heb ik haar werk pas veel later echt goed leren kennen. Zij bleef doorstrijden, terwijl de rest indutte.