Een parelsnoer van vergissingen: het Boekenweekgeschenk van Marianne Philips

Roman Helinski verdiept zich in het Boekenweekgeschenk van 1950: De zaak Beukenoot van Marianne Philips. Een novelle over misstanden in de rechtspraak in Nederland en het lot van de kleine man. Bij de verschijning maakte het boek heel wat commotie. 

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

In het Literatuurmuseum hoor ik voor het eerst over De zaak Beukenoot. Mijn hart maakt een sprong, want die titel klinkt als een album uit de Kuifje-reeks, ongetwijfeld door de overeenkomst met een van mijn favorieten – De zaak Zonnebloem. Bladerend door de stapel aan recensies en bespiegelingen, kom ik er al snel achter dat de novelle niets te maken heeft met het werk van de tekenaar Hergé. Die avond waag ik me aan De zaak Beukenoot, een novelle die ongeveer zeventig pagina’s telt.  

Op het moment van publiceren is het nog onbekend wie de auteur is. De zaak Beukenoot is de winnende inzending van de wedstrijd die de CPNB uitschreef voor het Boekenweekgeschenk van 1950. De auteur kreeg 2000 gulden als prijs. 

Destijds werd het geschenk jaar na jaar op deze manier gekozen. De kwaliteit van de inzendingen lag gemiddeld hoog – het Boekenweekgeschenk was een proeve van bekwaamheid en veel erkende auteurs waagden een poging, de meesten meer dan eens.  

 

In 1950 deden zevenentwintig auteurs mee aan de wedstrijd. In de eerste druk van de winnende novelle is een zogenaamde raadplaat opgenomen met zevenentwintig auteursnamen. Aan het lezerspubliek was het de taak om te raden wie het geschenk had geschreven. Een prijs viel er voor het publiek overigens niet mee te winnen, het ging om de eer.  

 

Het Boekenweek-geschenk brengt altijd uitdagingen met zich mee, laten de manuscripten van Hanna Bervoets zien

Ik vraag me af hoe leuk het voor de verliezende auteurs is geweest om bij naam te worden genoemd. Op de plaat prijkt bijvoorbeeld Willem Frederik Hermans, die zelf nogal mysterieus doet in de volgende jaren over welk verhaal hij zou hebben ingezonden. Hij beweert zijn bekende novelle Het behouden huis te hebben ingestuurd, maar dat verhaal schrijft hij pas in 1951.  


Slechts vier procent van de lezers raadt correct wie de schrijver is van De zaak Beukenoot. Het is Marianne Philips. De voormalig politica van de SDAP schrijft al decennia geëngageerde romans. Met haar roman De biecht (1930) vestigt ze haar naam als schrijfster. In dit boek vertelt een arbeidersdochter over haar jeugd, en over hoe ze is opgeklommen op de sociale ladder. Philips, van Joodse afkomst, schrijft in totaal elf romans en novelles, waarvan De zaak Beukenoot de laatste is. De schrijfster is op het moment van schrijven ongeneeslijk ziek. Een jaar na de verschijning van het Boekenweekgeschenk, in mei 1951, overlijdt zij. Haar Boekenweekgeschenk wordt in 2019 opnieuw uitgegeven, net als de roman De biecht. Bij uitgeverij Cossee hebben ze gezien dat haar werk een tijdloze kwaliteit bezit, die ruim zeventig jaar na haar overlijden nog steeds overeind staat.  

 

De raadplaat in De zaak Beukenoot. Collectie: Literatuurmuseum

 

Goed ingeschat, want De zaak Beukenoot is een sterk werk. De novelle vertelt het verhaal van Arnoldus Beukenoot, die op een beschonken avond een winkelvitrine binnenstapt. Hij herkent in de paspop zijn verloren geliefde, schopt met dronkenmanstrap het glas stuk, en ontdoet de paspop van haar kleding. Op dat moment wordt hij in de kraag gevat. Wat volgt is een vermakelijk, kritisch verslag van de rechtszaak. Philips levert een Boekenweekgeschenk af dat echt ergens over gaat. Over misstanden in de rechtspraak in Nederland, het lot van de kleine man.  

 

Hoofdpersoon Arnoldus Beukenoot (hier en daar liefdevol en soms  schertsend ‘Noldus’ genoemd in de roman) is een sukkelige goeierd, zoals Frans Laarmans in Willem Elsschots Kaas. Het leven overkomt hem, de rechtszaak overvalt hem – zelfs zijn eigen overtreding, het binnenstappen van de vitrine, lijkt buiten hem om te gebeuren. Niettemin maakt hij de gevolgen pijnlijk bewust mee.  

 

Daarna moest [Beukenoot] zich ontkleden tot hij poedelnaakt tegenover de bewaker stond, die ten overvloede met de hand door zijn krulhaar voelde of hij daarin iets verborgen had. Tijdens al deze ondervindingen had hij zichzelf, Arnoldus Beukenoot, die sprak met zijn mond en leefde in de diepste holte van zijn hart, hoe langer hoe meer voelen wegkrimpen. Er bleef niet veel van over. […] Hij kon het niet aan. Op de punt van de bank gezeten, klemde hij de handen om zijn knieën; zo voelde hij dat hij nog bestond. 

 

‘Men zou op het eerste gezicht zeggen, het is van een man en wel een jurist’

 

Bijna misleidend speels beschrijft Philips de rechtsgang, hier en daar zoomt ze in op een personage. Zo schrijft ze over de officier van justitie die zich over de zaak buigt:  

 

Zelf was hij echter evenmin gelukkig. De salarissen bij de rechterlijke macht zijn niet van dien aard, dat het pad van een huisvader, die zijn stand wil ophouden ondanks drie opgroeiende kinderen en een koopzieke echtgenote, met rozen is bestrooid. […] En de telkens terugkerende huiselijke crises, wanneer voor nieuwe behoeften een beroep op zijn beurs werd gedaan, vergalden hem veel van het genoegen, dat hij, ondanks alles, aan zijn kinderen beleefde.

 

Deze stijl van vertellen doet denken aan de manier waarop Lev Tolstoj over de ambtenaren schrijft in zijn fameuze novelle De dood van Ivan Iljitsj. Een heel leven wordt gevat in een alinea, bijna terloops. De advocaat die Beukenoot vertegenwoordigt, is ook verre van een topper. Een gefnuikt literator, een matig spreker. Een van de hoogtepunten in de novelle is wanneer deze advocaat het woord neemt: 

 

En toen hoorde hij zichzelf lispelen, terwijl hij wist dat alle anderen het ook moesten horen. Dit was het begin van de nederlaag, hij had het al zo vaak ervaren. De innerlijke nederlaag. […] Hij keek hulpzoekend naar de verdachte. Soms had de aanblik van de man die hij bijstand moest verlenen, een gunstig effect op zijn welsprekendheid. Maar Noldus Beukenoot zat met glazige ogen voor zich uit te staren en om zich heen zag hij alleen gezichten waarvan de belangstelling was geweken. Zijn neusvleugels trilden van zelfspot. Ook in zijn eigen geest, constateerde hij sarcastisch, heerste nog slechts een volkomen gebrek aan belangstelling.

 

Bij verschijning maakt de novelle heel wat commotie. Allereerst omdat er geraden moet worden, en dat doen mensen graag. Zoals C.J. Kelk, hoofdredacteur van De Boekenspiegel: ‘Men zou op het eerste gezicht zeggen, het is van een man en wel een jurist.’ Helemaal mis. Wanneer het raadsel is opgelost, duiken veel types, men zou kunnen zeggen vooral ‘mannen en wel juristen’ op de kwestie; Philips wordt de maat genomen. In NRC wordt het boek ‘een parelsnoer van vergissingen’ genoemd. Op 10 juni 1950 schrijft meester in de rechten Van Viersen-Kruk een lang commentaar op de novelle. Een bekend auteur zou volgens hem de rechtspraak niet in diskrediet mogen brengen. Hoewel hij probeert mild te oordelen over de schrijfster die grote kwaliteit kan leveren, heeft Philips zich volgens hem ‘op een terrein begeven waar zij de weg niet kent en is zij verdwaald.’  

 

Philips schrijft een komische repliek. Haar toon is, net als in de novelle, fris: ze trommelt Nils Holgersson en Rembrandt van Rijn op om haar punt kracht bij te zetten. Ook verwijt ze Van Viersen-Kruk dat hij haar boek ‘heeft aangevallen op een formalistische, om niet te zeggen droogstoppelige wijze’. Ze pleit zichzelf vrij door te stellen dat veel feiten haar novelle topzwaar zouden hebben gemaakt en benadrukt dat in fictie de leesbaarheid voorop moet staan. Ze sluit haar brief af met een sneer naar de in haar ogen soms falende figuren in de rechtsorde: ‘Ach hooggeachte opponent, het snoer van vergissingen dat ge mij wilt omhangen, moet ik, en werkelijk niet met leedvermaak overreiken aan hen die verantwoordelijk zijn voor de gevallen zoals genoemd.’