‘Kolonisten zijn vaak koppig’: romans van Vestdijk en De Vries over slavernij

Romans over de slavernij waren in de jaren veertig nog schaars in Nederland. Simon Vestdijk en Theun de Vries schreven allebei een boek waarin ze hun blik wierpen op slavernij en kolonialisme, maar wel met een compleet andere insteek. Thomas Heerma van Voss duikt in het archief om te kijken naar de eerste aantekeningen en typoscripten van beide romans.

 

Wie is de aangewezen persoon om een verhaal te vertellen? En, daar onvermijdelijk mee samenhangend, wie niet? Dit zijn vragen die de laatste jaren – gelukkig – vaker worden gesteld dan een halve eeuw of langer geleden. Tegenwoordig worden er ten minste af en toe kanttekeningen geplaatst bij het overheersende beeld van de witte mannelijke kunstenaar die alle ruimte verdient, terwijl schrijvers uit eerdere generaties dat vanzelfsprekend vonden. Schrijvers zoals Simon Vestdijk (1898-1971). Het is bekend: Vestdijk schreef een gigantisch oeuvre bij elkaar. Dat bestond onder meer uit 52 romans, waarvan 15 historische. Als het over Vestdijk gaat, heeft men het zelden nog over Rumeiland (1940), de roman die hij publiceerde toen de Tweede Wereldoorlog net was uitgebroken en die draait om slavernij. 

 

De hoofdpersoon van Rumeiland, de witte, Britse en welgestelde Richard Beckford, verruilt in 1737 zijn keurige woonplaats Oxford voor Jamaica. Op dat eiland gaat hij de grote, ooit florerende familieplantage doorlichten. Er werken meer dan vijftienhonderd zwarte tot slaaf gemaakten. Tot zijn achtste woonde Beckford al op die Jamaicaanse plantage – maar toen vertrok hij naar Engeland en het bedrijf staat er inmiddels slechter voor. Terwijl Beckford de suikeropbrengsten doorlicht, gaat het steeds beroerder met hem, wat onder meer tot uiting komt in zijn hevige drankgebruik.

 

Park in Kingston, Jamaica, 1899

 

Rumeiland is een soort avonturenroman waarin de oudere Beckford van begin tot eind terugblikt. De veelzeggende (en stroeve) ondertitel: Uit de papieren van Richard Beckford, behelzende het relaas van zijn lotgevallen op Jamaica, 1737-1738. Maar eigenlijk gaat het hem om één specifiek lotgeval. Stiekem is Beckford niet naar het eiland gegaan vanwege die plantage, maar omdat hij zijn jeugdliefde Anne Bonney opnieuw wil zien; dáár draait deze expeditie voor hem vooral om. Intussen heeft hij, net als de (witte) mensen om hem heen, veel vooroordelen over de tot slaaf gemaakten. Passen die bij dit personage en bij de beschreven tijd, of verraden ze (ook) vooringenomen gedachtes van Vestdijk?

 

Had Vestdijk in zijn verhaal meer oog moeten hebben voor de slachtoffers van Beckford, voor het koloniale systeem?

 

Vestdijk deed maar beperkt historisch onderzoek voor zijn roman. Hij interviewde geen familieleden van tot slaaf gemaakten, hij verliet zijn schrijfkamer zelden. Naar verluidt werd hij in eerste instantie uitgedaagd om deze roman te schrijven door Cola Debrot, schrijver en voormalig gouverneur van de Nederlandse Antillen, maar dat zette hem niet aan tot een uitgebreide inhoudelijke correspondentie met Debrot. Nooit kwam Vestdijk op Jamaica, of in een (voormalig) Nederlandse kolonie. De voorspelbare en tegelijkertijd relevante vraag: doet dat ertoe? En in het verlengde daarvan: had Vestdijk in zijn verhaal meer oog moeten hebben voor de slachtoffers van Beckford, voor het koloniale systeem? Kon hij deze wereld überhaupt oproepen, is dit schrijven een vorm geweest van wat tegenwoordig culturele toe-eigening heet?

 

In dat kader is het boeiend om te kijken naar de vele paperassen die horen bij Vestdijks werk aan dit manuscript. Vijftien cahiers zijn het, opgeslagen in het Literatuurmuseum en bestaande uit typoscripten, losse bladen met aantekeningen, knipsels, correspondenties. Het is een overweldigende hoeveelheid papier, waaraan twee zaken opvallen. Allereerst: hoeveel Vestdijk aanpaste tijdens diverse stadia van het schrijven. In een van de vele handgeschreven schriften, ‘Concept rumeiland’ getiteld, zijn op werkelijk alle pagina’s zinnen doorgekrast; soms heeft Vestdijk zelfs hele pagina’s doorgestreept, en met pijlen worden alinea’s verplaatst, terwijl hij krasserige bijzinnetjes tussen al dichte alinea’s probeert te wurmen. Ook in latere, uitgetypte versies van Rumeiland heeft Vestdijk zichzelf voortdurend geredigeerd. 

 

 

Dit alles toont: Vestdijk schreef zijn roman allerminst achteloos, maar bij het redigeren lijken verhaaltechnische en stilistische overwegingen leidend te zijn geweest, en bij het onderzoek vooral historische juistheid – niets wijst erop dat hij zich verdiepte in andere perspectieven dan het zijne, of in de vraag of hij, een witte en gevestigde auteur, hierover kon schrijven. Dit laatste kun je hem lastig aanrekenen: in die periode werd het door de meesten al als zeer vernieuwend gezien dat Vestdijk een roman op Jamaica situeerde, dat hij al schrijvend over de grens keek. Toch kwam er pal na verschijning wel degelijk serieuze kritiek op Rumeiland

 

Zo had schrijver Theun de Vries (1907-2005), die negen jaar na Vestdijk geboren werd, verregaande moeite met de roman. De twee schrijvers kenden elkaar enigszins: anno 1940 onderhielden ze een uitgebreide correspondentie over onder meer religie en literatuur, en tijdens de Tweede Wereldoorlog zou die briefwisseling intensiveren. De recensies over Rumeiland waren intussen positief – onder meer de heldere stijl en de gedetailleerde natuurbeschrijvingen werden geprezen – maar daar hechtte De Vries weinig aan; in die kritieken ging het bovendien vooral om de moeizame romantische liefde van Beckford, niet om hoe het koloniale systeem in de roman naar voren kwam. 

 

En daar wrong het boek juist voor De Vries. Hij vond Rumeiland te weinig sociaal, te weinig betrokken bij het leven van de tot slaaf gemaakten. De Vries, een uitdrukkelijk aanhanger van marxistisch gedachtegoed, zag fictie als middel om zijn maatschappijvisie in door te laten schemeren. Vestdijk was daarentegen veel meer bezig met stijl, met spanning, met vorm, met het tempo van een verhaal. De Vries verweet Vestdijk dat hij in Rumeiland niet wezenlijk geïnteresseerd was in slavernij, en dat uitte hij in zowel brieven als persoonlijke gesprekken. Zo schreef De Vries in een later gepubliceerde studie dat Vestdijk zijn roman had geschreven ‘zonder ook maar een grein van de inwendige structuur van het koloniale systeem te verduidelijken’. In diezelfde periode begon De Vries te werken aan De vrijheid gaat in ’t rood gekleed (1945), een roman die door sommige literatuurhistorici wordt gezien als reactie op Rumeiland. Jos Perry, biograaf van Theun de Vries, stelt onomwonden dat De Vries’ boek er nooit zou zijn geweest zonder Vestdijks boek over Jamaica.

 

De vrijheid gaat in ’t rood gekleed draait om de slavenbevrijding op Guadeloupe, in die tijd een Franse kolonie. De Vries beschreef de bevrijding niet vanuit het perspectief van de witte heerser, maar vanuit het perspectief van de tot slaaf gemaakte David, tevens kunstenaarsleerling. En voor de duidelijkheid: met deze thematiek was De Vries zeer vooruitstrevend, want er werd toen amper geschreven namens slachtoffers van witte overheersing. ‘Wanneer de blanke meester juicht, heeft de zwarte slaaf meestal reden tot klagen,’ herinnert David zich op een gegeven moment, een zin ‘die als het ware diep en vermanend uit zijn geheugen rees’ en die een samenvatting lijkt van het uitgangspunt van De Vries’ gehele roman.

 

Natuurlijk valt de taal op: het woord ‘blank’ zou tegenwoordig vervangen worden door ‘wit’, en het door De Vries meermaals gebruikte n-woord zou vermeden worden, zeker als de schrijver zich laat voorstaan op zijn sociale betrokkenheid bij de lokale, onderdrukte bevolking. Boeiender dan het precieze woordgebruik is hoe De Vries heeft geprobeerd zich te verplaatsen in die wereld waar hijzelf allerminst toe behoorde, en die hij in Rumeiland niet vertegenwoordigd zag. 

 

 

Ook van De Vries’ koloniale schrijfwerk zijn aantekeningen bewaard gebleven – weliswaar een aanmerkelijk kleinere hoeveelheid dan bij Vestdijk, maar het zijn wel documenten die veel onthullen over zijn zorgvuldige aanpak. De Vries’ roman is gebaseerd op een historische episode, namelijk de tijdelijke afschaffing van de slavernij door de Franse conventie in 1793, en daaromheen deed hij gedetailleerd onderzoek naar de toenmalige leefomstandigheden te Guadeloupe. Op zijn vele volgeschreven aantekeningenblaadjes gaat het onder andere over de dieren die daar leefden: papegaaien, groene krabben, brulapen. Een ander papiertje, net zo miniem en eveneens met potlood volgeschreven: een uitgebreide verhandeling over hoe suiker op een plantage wordt bewerkt – met de hand afsnijden, vocht weg laten lekken, dus hoeveel mensen zijn er in dit proces nodig voor een boerderij van 32 hectare? Minstens 120, aldus De Vries aan het einde van een lange berekening. ‘Export: Suiker,’ schrijft hij elders, en daarboven bungelt het woord ‘cultuur’, en zinnetjes als ‘bananen, inheems, niet voor export’. Er zijn briefjes over cacao, over grondstoffen, over hoe de bodem in elkaar zit, over de temperatuur en rotsen, over de bloeiende smokkelhandel (2.000.000 ‘koffieheesters’, 12.000 tabaksplanten), over het Grande-Terre waar de roman zich afspeelt: ‘zes bossen, suikerplantages’. Alles noteerde hij, om Guadeloupe ‘vóór de revolutie’ in kaart te brengen, het ‘grootste der Kleine Antillen’. ‘Veel rivieren – 70 ongeveer. Onbevaarbaar visrijk, de belangrijkste is de Grande Rivière de la Gouave.’

 

Meer dan Vestdijk probeerde De Vries zich te verplaatsen in de ‘andere’ wereld die hij beschrijft

 

Het is op zichzelf al fascinerend om te zien hoe minutieus de aantekeningen zijn, maar helemaal hoe hij vanuit die droge feitelijkheid eerste aanzetten doet om een verhaal te vormen. ‘Kolonisten zijn vaak koppig,’ noteert hij tussendoor – iets wat in De vrijheid een rol zal spelen. Elders: ‘De planter voelt zich bedreigd.’ Op een ander briefje schemert de plot al meer door: een uitgetypt A4’tje gaat over de ‘afschaffing der slavernij’, over Victor Hugues die vanuit Frankrijk naar Guadeloupe reist en de tot slaaf gemaakten helpt bij hun bevrijding – een gegeven waar De Vries zijn hele roman aan ophangt. Zijn hoofdpersoon David is geboren in slavernij, en hij wordt in dit verhaal bevangen door een mengeling van angst, solidariteit en vrijheidsdrang, een combinatie van emoties waar De vrijheid voor een belangrijk deel op teert. 

 

Meer dan Vestdijk probeerde De Vries zich te verplaatsen in de ‘andere’ wereld die hij beschrijft, en ook in hoe die wereld moet zijn geweest voor tot slaaf gemaakten. Alsnog kun je je afvragen of dat De vrijheid een werkelijk empathischer of gelaagder boek maakt dan Rumeiland is. Want deed De Vries met zijn verhaal niet ook juist iets wat niet kon? Hij had als witte Nederlander de pretentie om namens een zwarte tot slaaf gemaakte te kunnen spreken, via goed gedocumenteerde fictie weliswaar, maar toch: bracht die hem werkelijk dichter bij die wereld die hij niet kende, een land waar hij ook nooit kwam? Ontnam hij hiermee anderen niet hun eigen verhaal? 

 

V.l.n.r. Theun de Vries en Simon Vestdijk in diens huis in Doorn. Foto: Ludovicus Louis van Paridon

 

Voor zover bekend is hem daar nooit expliciet naar gevraagd. Ook Vestdijk heeft in zijn carrière niet uitgebreid gereflecteerd op zijn koloniale fictie, of op de vraag wat daar eventueel aan schortte. Jammer. Niet omdat hij zich had moeten verantwoorden, maar omdat het raakt aan een nog altijd zeer relevante vraag: heeft de fictieschrijver complete vrijheid om over alles te schrijven, of zijn er werelden en thema’s die zo lang hoofdzakelijk door witte mannen zijn belicht dat het nu dringend tijd is dat anderen erover schrijven? Zou ikzelf een koloniale roman kunnen schrijven, vanuit het perspectief van een bezetter of een tot slaaf gemaakte, of zou mij dan sowieso het verwijt gemaakt worden dat ik niet echt weet waar ik het over heb en dit onderwerp aan anderen moet laten? Nog steeds leest men massaal Max Havelaar, uiteraard ook omdat Multatuli deels schreef over eigen ervaringen – wat zijn grootse roman mede zo doorleefd maakte.

 

Noch Vestdijk noch De Vries heeft ooit geambieerd zo’n breed opgezet werk over koloniën te schrijven. Wel publiceerde Vestdijk kort na Rumeiland de koloniale roman Iersche nachten (1944) (al was hij evenmin ooit in Ierland geweest). Over deze roman was De Vries enthousiaster, want Iersche nachten getuigde volgens hem wél van oog voor de sociale context van de koloniën. In de decennia erna schreef zowel Vestdijk als De Vries een flink oeuvre bij elkaar. Allebei wonnen ze de P.C. Hooft-prijs. Ze werden nooit vrienden, ondanks hun briefwisseling, die na de Tweede Wereldoorlog geleidelijk opdroogde en die postuum in verschillende publicaties is verschenen. Maar ze groeiden ook niet uit tot vijanden. De romans Rumeiland en De vrijheid gaat in ’t rood gekleed bleven eenlingen in hun oeuvres, en nooit stelden Vestdijk en De Vries elkaar expliciet de vraag naar de vrijheid van fictie, en of er ook onderwerpen bestaan waarover stilte misschien toch gepaster is.