Wie is de aangewezen persoon om een verhaal te vertellen? En, daar onvermijdelijk mee samenhangend, wie niet? Dit zijn vragen die de laatste jaren – gelukkig – vaker worden gesteld dan een halve eeuw of langer geleden. Tegenwoordig worden er ten minste af en toe kanttekeningen geplaatst bij het overheersende beeld van de witte mannelijke kunstenaar die alle ruimte verdient, terwijl schrijvers uit eerdere generaties dat vanzelfsprekend vonden. Schrijvers zoals Simon Vestdijk (1898-1971). Het is bekend: Vestdijk schreef een gigantisch oeuvre bij elkaar. Dat bestond onder meer uit 52 romans, waarvan 15 historische. Als het over Vestdijk gaat, heeft men het zelden nog over Rumeiland (1940), de roman die hij publiceerde toen de Tweede Wereldoorlog net was uitgebroken en die draait om slavernij.
De hoofdpersoon van Rumeiland, de witte, Britse en welgestelde Richard Beckford, verruilt in 1737 zijn keurige woonplaats Oxford voor Jamaica. Op dat eiland gaat hij de grote, ooit florerende familieplantage doorlichten. Er werken meer dan vijftienhonderd zwarte tot slaaf gemaakten. Tot zijn achtste woonde Beckford al op die Jamaicaanse plantage – maar toen vertrok hij naar Engeland en het bedrijf staat er inmiddels slechter voor. Terwijl Beckford de suikeropbrengsten doorlicht, gaat het steeds beroerder met hem, wat onder meer tot uiting komt in zijn hevige drankgebruik.

