De handtekeningenverzameling van René Vlug: ‘Ben ik een voetballer?’

Wat drijft iemand die een half leven lang handtekeningen verzamelt? Thomas Heerma van Voss bekijkt de collectie handtekeningen van René Vlug.  Losse briefjes, kaarten, kladblaadje, brieven en papieren waarop in de meeste gevallen niet meer staat dan een datum en een auteursnaam. 

Elke maand de nieuwste verhalen lezen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

 

Op 2 augustus 1988 werd er vanuit een rijtjeshuis in Culemborg een brief verzonden naar Abel J. Herzberg. ‘Zeer geachte heer Herzberg. Als verzamelaar van literaire handtekeningen, zou ik u beleefd willen vragen of u mij uw handtekening kunt toezenden. Ik zou dit op hoge prijs stellen. Bij voorbaat dank ik u heel hartelijk. Hoogachtend, René Vlug.’ De brief werd door Herzberg teruggestuurd naar het adres in Culemborg, zonder bijgevoegd kaartje of enige toelichting. Maar wie goed kijkt, ziet dat Herzberg onderaan de brief wel degelijk aan het verzoek heeft voldaan: heel bibberig krabbelde de in 1893 geboren advocaat en (toneel)schrijver daar, een jaar voor zijn dood, zijn handtekening.

 

 

 

 

Dit verzoek en deze handtekening staan niet op zichzelf. Ze behoren tot het archief van René Vlug, die behalve Herzberg nog honderden schrijvers benaderde voor wat hij structureel ‘literaire handtekeningen’ noemde. Een nadere toelichting bij de wens gaf hij nooit: hij schreef niets over wie hij was, niets over de aard of het beginpunt van zijn collectie, en ook niet wat hij verder met die handtekeningen wilde of deed. Wat viel er ook te zeggen? De verder onbekende René Vlug verzamelde. Hij schreef schrijvers aan, stapte met pen en papier op ze af na openbare interviews en voorleesavonden, en hield dat decennialang vol. Het archief dat zo ontstond is via een veiling grotendeels in het bezit gekomen van het Literatuurmuseum. Andere handtekeningen uit Vlugs verzameling, van kunstenaars en Nobelprijslaureaten, werden via afzonderlijke veilingen verkocht. 

 

De collectie schrijvershandtekeningen bestaat uit allemaal losse briefjes, kaarten, kladblaadjes en papieren waarop in de meeste gevallen niet meer staat dan een datum en een auteursnaam: Evert Hartman (29-4-1989), Theun de Vries (8-6-1988), Karel van het Reve (1989), Herman Pleij (2016), Gustaaf Peek (2016), Herman Koch (13-9-1997), Adri van der Heijden (1992), Tommy Wieringa (2013), Ilja Gort (2009), Maarten ’t Hart (genoteerd op een door Singel Uitgeverijen vervaardigde ansichtkaart met zijn eigen gezicht erop), Abdelkader Benali (dezelfde datum als Koch, wat doet vermoeden dat dit tijdens een literair evenement was), Bernlef (op een getekend portret van hemzelf, 1992), Thomas Roosenboom (2013), Gerard Reve (30-11-1991), enzovoorts, enzovoorts. Een enkel briefje bestaat uit diverse handtekeningen, hoogstwaarschijnlijk omdat Vlug op die dag bij een literair festival aanwezig was. Zo verzamelde hij op 28 oktober 2010 op één A4’tje handtekeningen van onder anderen Susan Smit, Robert Vuijsje, Rosita Steenbeek, Jan Siebelink en Jelle Brandt Corstius. 

 

 

Wat drijft iemand die een half bestaan lang druk handtekeningen verzamelt? Wat bezielde René Vlug?

 

 

De namen hierboven maken al duidelijk: Vlugs handtekeningenarchief bestaat vooral uit mannen. Je kunt je afvragen of dat iets zegt over zijn eigen belangstelling of over de inrichting van de Nederlandse literatuur. Bij geen enkel krabbeltje in zijn archief heeft hij een toelichting gegeven, en de schrijvers in kwestie deden dat evenmin; vrijwel iedereen noteerde enkel zijn of haar naam. Wat natuurlijk de vraag oproept: waarom wilde Vlug alleen maar handtekeningen en verder niets? Of eigenlijk: wat drijft iemand die een half bestaan lang druk handtekeningen verzamelt? Wat bezielde René Vlug? 

 

Er is weinig over hem te vinden. Geen informatie: niet over zijn geboorteplaats of baan, niet over zijn geboorte- of sterfdatum, en ook niet over zijn handtekeningencollectie. Het Literatuurmuseum heeft bij de veiling – geregeld door Bubb Kuyper Veilingen, waar Vlug zelf ook jarenlang klant was – wel contact gekregen met zijn jongere zus Elize, die zo vriendelijk is mij te woord te staan. ‘Ik heb deze nalatenschap afgehandeld,’ laat ze telefonisch weten. ‘Mijn broer was zijn hele leven alleenstaand. Zijn collectie was zijn grote passie, zijn alles. Hij werd geboren in 1959 en begon in 1984 de eerste handtekeningen te verzamelen, en al snel liep die hobby flink uit de hand. De collectie had voor hem grote emotionele waarde, maakte hem gelukkig. Het werd eigenlijk het belangrijkste in zijn leven.’ 

 

 

Voor dit stuk benaderde ik ook enkele schrijvers die ikzelf enigszins persoonlijk ken en die ergens in de afgelopen decennia een handtekening aan Vlug hebben gegeven. Niemand herinnert zich hem of zijn verzoek nog. Frans Thomése signeerde op 5 maart 2016 een los briefje: ‘Voor René, met een vriendelijke groet van de auteur van “De onderwaterzwemmer”’ – met daaronder, uiteraard, zijn handtekening. Per app laat hij me weten: ‘Deze handtekeningenjager herinner ik me niet.’ En daarna een typisch Thomése-zinnetje, waarin ironie en onderkoelde ernst nauw in elkaar overlopen: ‘Het betreffende document heeft duidelijk iets opdrachtachtigs, dus ik ben vast door hem onder druk gezet om dit zo op te schrijven.’ Het volgende bericht: ‘Waar halen deze mensen de moed en de tijd vandaan? Waar haal ik zelf eigenlijk de moed vandaan om handtekeningen uit te delen?’ 

 

Die laatste vraag raakt aan iets wezenlijks. Terwijl ik dat archief van Vlug doorblader – bestaande uit een confetti-achtige hoeveelheid papier – ben ik eerst geneigd om te denken: wat een maf, zonderling type. Maar op den duur denk ik ook: wat maakt zijn verzoek eigenlijk zo afwijkend of vreemd? Ik zet ook handtekeningen wanneer mensen daarom vragen, wat toch met enige regelmaat gebeurt, zij het meestal niet per post. Na voordrachten wapperen luisteraars weleens met een boek waar een handtekening in moet of ze hebben een los papiertje bij zich, ‘kun je alleen je naam hierop zetten?’ En zelf laat ik ook van tijd tot tijd boeken signeren door schrijvers. Waarom eigenlijk? Wat is de waarde daarvan? 

 

 

 

Misschien dacht hij terwijl hij die toren van handtekeningen zag, daar in zijn woning: niemand anders heeft zo’n verzameling als ik, dit hoort alleen bij mij. 

 

 

Zo’n handtekening is voor mij meestal een aandenken aan een plek, een ontmoeting, een moment, waar ik via de opdracht vrij makkelijk weer terechtkom: Hanna Bervoets signeerde haar debuut voor mij toen we samen optraden in een nagenoeg lege Haarlemse boekhandel (mijn allereerste voordracht ooit), Jan Siebelink zette een opdracht in zijn recentste boek Rouwjournaal toen ik hem op een podiumpje in Arnhem interviewde. Bij Vlug lijken dergelijke contexten doorgaans te ontbreken. Hij maakte van zijn handtekeningenjacht iets transactioneels: alleen een naam per post was voldoende – afstandelijke intimiteit. Wellicht school voor hem de grootste waarde in de hoeveelheid handtekeningen die hij zo verzamelde. Dat hij al die papiertjes samen zag en dacht: deze schrijvers horen bij elkaar, bij mij – of ik bij hen. Zus Elize: ‘Hij wilde zoveel mogelijk handtekeningen verzamelen, daarvoor ging hij ook boekpresentaties en lezingen af.’ Vlug was een fervent lezer, die geregeld schrijvers en uitgevers mailde om hen te attenderen op feitelijke onjuistheden in hun werk. ‘Hij kon heel slecht tegen fouten.’

 

Van sommige schrijvers zijn meerdere handtekeningen te vinden in zijn archief. Marga Minco schreef haar naam op een verfrommeld briefje en enkele jaren later op een ansichtkaart met daarop haar beeltenis (30 juli 1996); Campert signeerde een los papiertje en een gekopieerde foto van hemzelf, Deelder en Schierbeek. Ook A. den Doolaard gaf tweemaal zijn handtekening aan Vlug, en hij was een van de weinigen die iets meer woorden gebruikte dan strikt gevraagd. De eerste keer dat hij een brief naar Vlug stuurde, op 11 september 1988, schreef hij grappend: ‘een handtekening’, met daaronder zijn handtekening, en daaronder ‘nog een’, met opnieuw zijn handtekening. Op 4 maart 1990 stuurde hij vanuit Hoenderloo weer een handtekening en ditmaal ging dat gepaard met enige promotie voor eigen werk: ‘Geachte Heer Vlug, in een van de bevrijdingsnummers van NRC-Handelsblad (ong. half mei as) zal een artikel van mij verschijnen over het onderwerp: waarschuwingen tegen het nazi-gevaar.’ 

 

Wellicht dacht Den Doolaard: als die onbekende man zo geïnteresseerd is, dan kan ik het moment net zo goed strategisch benutten. Ook Heere Heeresma (1932-2011) gaf tweemaal een handtekening aan Vlug. Eenmaal stond die enkel op een los papiertje, maar zijn  tweede handtekening ging gepaard met een heuse brief. En net als Den Doolaard maakte Heeresma van de gelegenheid gebruik om zijn eigen werk onder de aandacht te brengen, en vervolgens stond hij stil bij de zeldzaamheid en raadselachtigheid van Vlugs verzoek.

 

 

‘Een gesigneerde foto?’ schreef Heeresma op 6 augustus 1996 aan Vlug, in een met de typemachine geschreven brief. ‘Ben ik een voetballer? Een rijwielvedette?’ (Mooi woord.) ‘Een gemankeerde tv-persoonlijkheid? Hooguit de schrijver van ever greens [sic] als “Een dagje naar het strand”, “Geef die mok eens door, Jet!”, “Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp”, “Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming” en meer van dat fraais. Een persoonlijk handschrift? Dat heb ik alleen gebruikt voor levensberichten aan mijn lieve ouders en broers. Ze zijn niet meer onder ons. Maar goed, hier toch iets op de type writer [sic, THvV] waar ik al mijn gehele leven mee doe. Een Husqvarna, een Zweedse machine uit 1936. De beste schrijfmachine die er ooit gemaakt is. Het merk, de naam is inmiddels vergeten.’ Was getekend, Heere Heeresma. 

 

Ook die brief belandde in Culemborg. Vlugs collectie bestaat niet alleen uit zijn archief in het Literatuurmuseum, hij verzamelde ook honderden handtekeningen van regisseurs, schilders, andersoortige kunstenaars, en daarnaast bezat hij veel gesigneerde boeken. Zo bleef hij verzamelen tot aan zijn plotselinge dood. Er ontvouwden zich nooit correspondenties of persoonlijke banden tussen Vlug en zijn doelwitten. Voor zover bekend reageerde hij ook nooit zodra een handtekening eenmaal binnen was: al die gesigneerde papieren waren geen opmaat voor verder contact, ze waren een einddoel.

 

‘Ik vroeg me bij mijn broer weleens af: ben je eenzaam?’ laat Elize weten. ‘Maar hij zei van niet en die indruk wekte hij ook zelden, want hij had zijn handtekeningen, zijn collecties. Als ik hem zag, liet hij altijd trots nieuwe handtekeningen zien. Hij was gelukkig met zijn verzameling. Dat is voor mij fijn om te weten.’ En wat Vlug zelf vooral bij die collectie voelde? Wat hem bezielde? Misschien dacht hij terwijl hij die toren van handtekeningen zag, daar in zijn woning: niemand anders heeft zo’n verzameling als ik, dit hoort alleen bij mij.