Wilhelmus van Nassauwe,
zing ik omdat het moet,
den vaderland getrouwe
dat dronk mijn broeders bloed.
De knechten van Oranje
lieten mij ongedeerd,
de rechter zei, 'k verban je
opdat je ginds krepeert.
Zo begon de dichter en revolutionair Jef Last (1898-1972) zijn pastiche op het Wilhelmus. In 1927, het jaar waarin Last deze tekst schreef, was het Wilhelmus nog niet het officiële Nederlandse volkslied, maar werd het al wel vaak gezongen bij allerlei gelegenheden, met name door Oranjegezinden. Ook ver buiten Nederland, aan de andere kant van de wereld, klonk het geregeld, maar zeker niet van harte. Gevangenen in strafkamp Boven-Digoel, dat zich diep in de jungle van Nieuw-Guinea bevond, moesten het zingen op de verjaardag van koningin Wilhelmina. Wie weigerde mee te doen werd naar een andere locatie verbannen, waar de omstandigheden nog slechter waren.
Van november 1926 tot januari 1927 waren er grote communistische opstanden tegen de Nederlandse koloniale overheersing in Indonesië geweest, die hardhandig waren neergeslagen. Sommige communistische nationalisten werden geëxectueerd, en honderden werden zonder rechterlijk vonnis naar Boven-Digoel gestuurd. Het vormde voor Jef Last de aanleiding om zijn ‘Digoel-Wilhelmus’ te schrijven, een van zijn vele antikoloniale propagandagedichten.



