‘Het grote monster dat wereldimperialisme heet’: vroege antikoloniale stemmen

Al decennia voordat Indonesië in 1945 de onafhankelijkheid uitriep en Nederland die in 1949 erkende, streden Indonesische nationalisten en communisten voor zelfbeschikking. Een van de belangrijkste betrokkenen was Mohammad Hatta, die in Nederland bondgenoten vond in de socialistische hoek: Henriette Roland Holst en Jef Last. 

 

Wilhelmus van Nassauwe, 

zing ik omdat het moet, 

den vaderland getrouwe 

dat dronk mijn broeders bloed. 

De knechten van Oranje 

lieten mij ongedeerd, 

de rechter zei, 'k verban je 

opdat je ginds krepeert. 

 

Zo begon de dichter en revolutionair Jef Last (1898-1972) zijn pastiche op het Wilhelmus. In 1927, het jaar waarin Last deze tekst schreef, was het Wilhelmus nog niet het officiële Nederlandse volkslied, maar werd het al wel vaak gezongen bij allerlei gelegenheden, met name door Oranjegezinden. Ook ver buiten Nederland, aan de andere kant van de wereld, klonk het geregeld, maar zeker niet van harte. Gevangenen in strafkamp Boven-Digoel, dat zich diep in de jungle van Nieuw-Guinea bevond, moesten het zingen op de verjaardag van koningin Wilhelmina. Wie weigerde mee te doen werd naar een andere locatie verbannen, waar de omstandigheden nog slechter waren.

 

Van november 1926 tot januari 1927 waren er grote communistische opstanden tegen de Nederlandse koloniale overheersing in Indonesië geweest, die hardhandig waren neergeslagen. Sommige communistische nationalisten werden geëxectueerd, en honderden werden zonder rechterlijk vonnis naar Boven-Digoel gestuurd. Het vormde voor Jef Last de aanleiding om zijn ‘Digoel-Wilhelmus’ te schrijven, een van zijn vele antikoloniale propagandagedichten. 

 

 

 

 

 

Al decennia voordat Indonesië in 1945 de onafhankelijkheid uitriep en Nederland die in 1949 erkende, streden Indonesische nationalisten en communisten voor zelfbeschikking. In Nederland werd door Indonesische studenten de Perhimpoenan Indonesia opgericht. Bij de oprichting in 1908 was het vooral een gezelligheidsvereniging, maar na de Eerste Wereldoorlog werd het een politieke organisatie. Al eerder dan in Nederlands-Indië streefde de vereniging naar onafhankelijkheid en wees het Nederlandse koloniale bewind principieel af. Een van de belangrijkste betrokkenen was Mohammad Hatta (1902-1980). In 1945 zou hij de eerste vicepresident van Indonesië worden, maar in 1921 was hij als aankomend student handelswetenschappen naar Rotterdam gekomen. Hij werd eerst penningmeester en later voorzitter van de vereniging.

 

De nationalistische Indonesische studenten waren zelf lang niet allemaal communist of socialist, maar ze vonden in Nederland wel hun bondgenoten in de socialistische hoek. Voor Last, die op dat moment lid was van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), was antikolonialisme namelijk een logisch voortvloeisel uit het socialisme: ‘Waar stond geschreven dat de Internationale enkel uit blanken zou bestaan?’ schreef hij in zijn memoires, nadat hij zich woedend had gemaakt over ‘de gezapige gemoedelijkheid der Nederlanders’ bij het Nederlandse regeringsbeleid in Indonesië. (Geciteerd door Rudi Wester in Bestaat er een raarder leven dan het mijne? Jef Last 1898-1972.) 

 

De socialistische dichter Henriette Roland Holst-van der Schalk (1869-1952) was een belangrijke stem in dit debat. In lijn met marxistische denkers zag zij kolonialisme en imperialisme niet zozeer als een economisch veroveringsbeleid, maar als een specifiek stadium binnen het kapitalisme. Veel andere socialisten vonden de imperialismekwestie bijzaak, maar voor Roland Holst was het juist de crux: uiteindelijk zou het imperialisme niet alleen de gekoloniseerden, maar alle arbeiders ter wereld tot slaaf maken. De enige oplossing: vaderlandloze, internationale solidariteit. Ook Mohammad Hatta pleitte voor een internationale strijd tegen ‘het grote monster dat wereldimperialisme heet’, en waartegen de verschillende gekoloniseerde landen samen moesten optreden.

 

 

Zo kwam het dat Last, Hatta en Roland Holst in 1927 in Brussel aanwezig waren bij het openingscongres van de Internationale Liga tegen Imperialisme en Koloniale Onderdrukking. Last kende beiden al, voor Hatta en de ruim dertig jaar oudere Roland Holst was het hun eerste ontmoeting en het begin van een levenslange vriendschap. Het doel van het congres sloot perfect aan bij hun ideeën: antikoloniale nationalisten uit de koloniën samenbrengen met de Europese arbeidersbeweging en zo internationale verbroedering tot stand brengen. De 24-jarige Hatta werd in het Internationaal Uitvoerend Comité van de Liga verkozen, en alle drie werden ze redactielid van het Nederlandse orgaanblad Recht en Vrijheid, waar ze felle gedichten en artikelen voor schreven. Daarna kwamen ze elkaar geregeld tegen op politieke congressen en vergaderingen. 

 

 

 

 

 

Poëzie en activisme lagen in elkaars verlengde voor Last en Roland Holst, dus ook in hun gedichten probeerden ze de arbeiders te doordringen van de antikoloniale noodzaak. Last publiceerde ze in talloze socialistische bladen, en gaf als ‘uitgeverij Storm’ de bundels Liedjes op de maat van den rottan (1927) en De wind speelt op het galgetouw (1929) in eigen beheer uit. De ironische titels waren gekozen om aan te geven dat de gedichten in Nederlands-Indië gezongen konden worden bij het uitvoeren van de lijfstraffen. De bundeltjes hadden een unieke vorm: zeventien aan de bovenkant aan elkaar geniete gedichten, die je als bij een kalender kan afscheuren om verder te verspreiden. Voor 10 cent waren ze op straat of tijdens vergaderingen te koop, en ze waren een groot succes: binnen 3 maanden werden 10.000 exemplaren verkocht, schrijft Wester.

 

 

 

Roland Holsts gedichten waren contemplatiever, meer gedragen van toon dan Lasts agitprop. In Vernieuwingen (1929) richtte ze zich expliciet tot de gekoloniseerden, naar wier stemmen tot nu toe onvoldoende was geluisterd:

 

de vreemde heerschers die uw volk ontrechte’ en 

kwelle’ en vernedre’ en ’t uitzuigen zijn sap - 

wij zien naar u, bewogen door oprechten 

wil u te helpe’ en versnelle’ onzen stap –

 

[…] 

 

Schuldig zijn w’ omdat we hebben vermorst 

den tijd en geen acht sloegen op uw kreten

en het schuldigst omdat wij zelven eten

van 't brood dat uit uw hartzeer wordt gedorscht. 

 

Concrete resultaten behaalden de politieke en poëtische inspanningen van de jaren twintig niet; Hatta, Last en Roland Holst zouden zich nog ruim twee decennia inzetten voor een onafhankelijk Indonesië. Hatta keerde terug naar zijn geboorteland en werd in 1934 voor zes jaar door de Nederlandse regering geïnterneerd in kampen in Banda en Boven-Digoel. Last en Roland Holst bleven zich uitspreken voor de vrijlating van hun vriend, en behoorden tot de felste critici van het Nederlandse regeringsbeleid. Allerlei comités en verenigingen richtten ze op of werden ze lid van, zoals het Comité tegen Vervolging en Terreur, de Vereniging Nederland-Indonesië, en de Vereniging van Vrienden der Indonesische Volken. Roland Holst stuurde in 1936 zelfs een strenge, opvoedende brief aan prinses Juliana, met daarin een amnestieverzoek voor de politieke gevangenen in Boven-Digoel, schrijft Elsbeth Etty in Liefde is heel het leven niet. Henriette Roland Holst 1869-1952.

 

 

 

 

 

In het najaar van 1949 was het eindelijk zover: na een gewelddadige vrijheidsstrijd van ruim vier jaar kwam een delegatie onder leiding van Hatta naar Nederland om in een rondetafelconferentie de soevereiniteitsoverdracht te bespreken met de Nederlandse regering. De Indonesische delegatie werd verwelkomd door onder meer Roland Holst en Last, die lid waren van het Comité voor Vrede in Indonesië. Roland Holst, inmiddels beschouwd als het nationale politiek geweten, hield een toespraak waarin ze het publiek ervan verzekerde dat de onafhankelijkheid snel zou komen. Het applaus dat volgde schijnt twintig minuten te hebben aangehouden.

 

Hatta maakte tussen de politieke onderhandelingen door tijd om in november 1949 zijn oude vriendin Roland Holst bij haar thuis in Amsterdam op te zoeken – een foto van die ontmoeting is bewaard gebleven. En Hatta nodigde Last in 1950 persoonlijk uit om naar Indonesië te komen en daar reportages over de jonge republiek te maken. Last werd er zelfs ontboden door president Soekarno. Ter verwelkoming liet Soekarno zijn zesjarige zoon Guntur een gedicht uit zijn hoofd voordragen – en dat gedicht was het ‘Digoel-Wilhelmus’.