In kunst mag niet geprobeerd worden
Het schrijverschap van Willem Elsschot

Willem Elsschot (1882-1960) was in het dagelijks leven een gewiekst en succesvol reclameman. Die hoedanigheid kwam hem ook als schrijver van pas. Met verschillende inmiddels klassiek geworden citaten en uitspraken - oneliners en slogans - heeft hij zijn literaire reputatie een aardig handje geholpen. Soms tegen de literaire stroom in. Voornaamste handelsmerk: zijn stijl.

Lees het verhaal
De herontdekking van Willem Elsschot
Willem Elsschot
Een hoopje vuil in de feestzaal
De wonderbaarlijke geboorte van Kaas
Achter de schermen
Het manuscript van Tsjip bestaat niet meer
Nu is Boorman voor ons gered
Hoofdstuk 8
Biografie

In kunst mag niet
geprobeerd worden

 

Willem Elsschot staat bekend als de schrijver van een klein, maar fijngeslepen oeuvre. De ‘grootste schrijver sinds Multatuli’ – zoals hij onder meer is genoemd – wordt alom geprezen om zijn stijl, die uitblinkt door doeltreffende eenvoud en natuurlijke soberheid.

 

Reputatie
Die reputatie begint bij Kaas (1933). In dit boek – ‘een roman kan het niet genoemd worden’ – is een ‘Inleiding’ opgenomen waarin Elsschot zijn opvattingen over stijl uiteenzet. Een citaat dat veelvuldig in verband is gebracht met Elsschots beknoptheid, luidt:

Wie het slot niet uit het oog verliest zal vanzelf alle langdradigheid vermijden omdat hij zich telkens afvragen zal of ieder van zijn detail wel bijdraagt tot het bereiken van zijn doel. En hij komt dan spoedig tot de ontdekking dat iedere bladzijde, iedere zin, ieder woord, iedere punt, iedere komma het doel nader brengt of op afstand houdt. Want neutraliteit bestaat niet in kunst. Wat niet nodig is dient geweerd en waar het met één personage kan is een menigte overbodig.

Het opnemen van de inleiding in de eerste druk van Kaas heeft meteen al effect. Anders dan bij Elsschots eerdere boeken komt zijn stijl in vrijwel alle recensies ter sprake. En gewild of ongewild nemen de recensenten daarbij Elsschots eigen ideeën over, vaak in dezelfde bewoordingen. Kaas wordt geprezen vanwege de ‘stijl, die de natuurlijkheid zelf is’, de ‘klassieke soberheid’, de ‘suggestieve raakheid’ en de ‘genadeloze directheid der woorden’.

 

De reclame had zijn werk gedaan. Elsschot was zichtbaar tevreden met de reacties uit de literaire wereld. Hij liet niet na verschillende recensenten persoonlijk te bedanken, vooral als ze zijn stijl ‘volkomen’ hadden begrepen, want dat was hem ‘veel waard’.

Docent?

Er zijn online lespakketten bij dit verhaal

Meer informatie

 

Ik had ook vis kunnen nemen
Tijdens het schrijven van Kaas had Elsschot al verschillende keren benadrukt dat de inhoud van het boek er eigenlijk niet toe deed. Voor het onderwerp was hij dicht bij huis gebleven: het overlijden van zijn moeder in 1926 en zijn ervaringen in de wereld van handel en publiciteit. Hij deed dat simpelweg ‘voor mijn gemak omdat ik dan op een familaar terrein ben waar ik minder moet zoeken’. En zeker niet ‘om origineel te doen’:

2
foto's

‘Het dramatische van de dingen zit immers niet in wat er gebeurt maar in den indruk die het gebeurde op den toeschouwer maakt. [...] Het komt er voor een schrijver slechts op aan zijn persoonlijk tragisch gevoel (om het even waar het om gaat) zoo in woorden te brengen dat het kan overgaan in de ziel van derden, althans van derden die er bevattelijk voor zijn.’

 

(Willem Elsschot aan Jan Greshoff)

Het is, meer nog dan de andere boeken, een brok uit mijn leven, de uitdrukking van mijn walg tegenover publiciteit en handel. Omdat publiciteit een te abstract onderwerp was om over te schrijven heb ik kaas genomen. Het heeft vorm, kleur, het ruikt en het stinkt soms. Ik had ook vis kunnen nemen.

(Willem Elsschot in een interview)

Een boek zonder inhoud: Tsjip
Bij zijn volgende roman Tsjip (1934) gaat Elsschot nog een stap verder. Nu benadrukt hij zelfs dat hij een boek zonder inhoud heeft willen schrijven:

 

‘Mijn bedoeling is geweest een zeer alledaagsche, zoo terre à terre mogelijke gebeurtenis door intensiteit lezenswaard te maken. Met andere woorden, van niets iets te maken. Zonder inhoud een boek te schrijven.’

 

Natuurlijk was er wel degelijk een inhoudelijke inspiratiebron geweest: de geboorte van Elsschots eerste kleinkind Jan Maniewski. Maar ten diepste was die inhoud voor de schrijver Elsschot toch van ondergeschikt belang: ‘Of iets een eenvoudige familiehistorie is dan wel een bezoek aan de Hel, maakt op mij niet den minsten indruk.’ En: ‘Stel je gerust. Met de stijl is alles in orde en de strekking is niet optimistisch, want ik houd niet van strekkingen. ’t Eindigt alleen met een blijde gebeurtenis die mij zooveel plezier heeft gedaan dat het boek niet anders eindigen kón.’

 

Met de ‘blijde gebeurtenis’ doelde Elsschot op de eerste ontmoeting tussen grootvader en kleinzoon tijdens een zomervakantie in het familiebuitenhuis aan zee, zoals beschreven in het laatste hoofdstuk van Tsjip:

Zo staan wij dan tegenover elkander. Hij heeft oogjes en een neus als een doodgewoon kind, maar ik weet wel beter. Hij kijkt mij rustig aan, steekt aarzelend zijn handjes uit en komt op mijn arm te zitten.

‘Neem een doek,’ zegt mijn vrouw, maar wij zijn reeds op weg.

Wij wandelen de tuin door, hij zonder te huilen, ik zonder spraak. Op Walter’s veld wordt hij door onze mussen begroet. Ik blijf staan en zeg ‘Tsjip’. En in zijn mondhoeken ontluikt een glimlach.

Ja jongen, voortaan heet jij Tsjip. Je komt mij hier ontzetten uit mijn hoofdrol en dan mag ik je wel herdopen, vind ik.

Véél hoger dan de leeuwerik
Blijkbaar is Elsschot er niet helemaal gerust op dat zijn bedoeling overal even goed zal worden begrepen, want ook Tsjip wordt voorzien van een inleiding die het boek ‘bevattelijker’ moet maken ‘voor den middelmatigen lezer’.

 

In deze ‘Inleiding’ (later omgedoopt tot ‘Opdracht’) vergelijkt Elsschot het schrijven met reizen. Zodra hij de pen op papier zet, is hij voor onbepaalde tijd vertrokken en wanneer hij weer thuiskomt is hij verwonderd over de vanzelfsprekendheid waarmee zijn vrouw en kinderen hem ontvangen. Beschaamd en diep gegriefd komt hij tot het besef dat aan het ‘dolen’ een eind moet komen en dat hij zijn plicht moet doen ‘als een doodgewoon mannetje dat ik tenslotte ben’. Totdat ‘dat mormel van een kleinzoon’ zijn intrede doet en het doodgewone leven weer op zijn kop zet.

3
foto's

 

 

‘Voor de zóveelste maal kom ik thuis van de reis en weer staat mijn stoel gereed, tafel en bed gedekt, pantoffels bij 't vuur, alsof ik iedere dag verwacht werd.’

 

(Tsjip, ‘Inleiding’)

Ik heb dus mijn taak als razend aangepakt, mijn ridderorde weer opgestoken en mijn zaken gedreven als een die nooit dat land heeft bereisd. Ik schreef mijn rekeningen met vaste hand, groette al wie mij groette, had een minzaam woord voor vriend en vijand en liet mijn schuldenaars afmaken door een deurwaarder, zoals het hoort. Tot ik op een heilloze dag dat mormel van een kleinzoon in huis gewaar werd, die met zijn gekraai en zijn blote billen aan ons rotten een eind heeft gemaakt.

+

Toen heb ik mezelf betrapt bij ’t sluipen naar de zolder waar ik mijn staf heb opgezocht in stof en spinrag. En nu zullen mijn klanten wachten en niets zien komen. Die nog niet betaald hebben kunnen stikken in mijn geld. Ik heb eerst met de keel een toonladder geschraapt en dan met zijn kraaien ingestemd. En mijn benen jeuken. Kom, jongen, vooruit is de weg.

Mogen vrouw en kinderen mij vergeven dat ik hen een laatste maal verloochen voor die vermaledijde heerlijkheid waar een gouden vogel jubelt, véél hoger dan de leeuwerik.

 

(Tsjip, ‘Inleiding’, slot)

-

Het is de vraag of de ‘Opdracht’ het door Elsschot gewenste effect – Tsjip bevattelijker maken – heeft gehad: in de vele besprekingen van Tsjip wordt er tenminste nauwelijks aandacht aan besteed. Wel nemen veel recensenten de lovende woorden van Jan Greshoff over, die op het omslag prijken. Met name zijn waardering voor ‘de eenvoud en de waarachtigheid’ van het verhaal vindt weerklank in de literaire kritiek. Zo schrijft Maurice Roelants in De Telegraaf: ‘De motieven zijn mager, scherp, onmeedoogend van schrale naaktheid. […] In Tsjip heeft Willem Elsschot iets verwezenlijkt naar mijn hart: een boek zonder intrige, een boek dat spannend is door het leven, leven dat op elke bladzijde trilt en dat niet komt van een min of meer handig bedacht scenario. Het is zelfs verbazend hoe weinig geromanceerde stof er is.’

 

Alle waardering voor de eenvoud en waarachtigheid van het verhaal kunnen niet verhinderen dat Elsschot zich onbegrepen voelt, omdat ‘de gewilde eenvoud’ en ‘het l’art pour l’art’ van Tsjip toch nog aan sommige recensenten voorbij zijn gegaan. ‘Moet dat niet tot nadenken stemmen?’ vraagt hij zich vertwijfeld af.

 

Een dokter onderzoekt zijn eigen buik

Het onbegrip stemt Elsschot niet alleen tot nadenken maar ook tot schrijven:

2
foto's

 

‘Je herinnert je de inleiding tot Kaas? Iets in dien aard, maar veel langer en naar aanleiding van Tsjip. Ik ben benieuwd of het goed wordt.’

 

(Willem Elsschot aan Jan Greshoff)

De tekst waar hij op doelt – ‘Achter de Schermen’ – vormt Elsschots derde en laatste ‘dissertatie over stijlleer’ (zoals hij zijn tekst zelf plechtig noemt). De tekst vertelt in zekere zin hetzelfde verhaal als de ‘Opdracht’: de komst van de kleinzoon en het effect daarvan op de grootvader, waarbij nu expliciet duidelijk wordt dat die gebeurtenis de aanleiding tot schrijven is: ‘Ik moet die beroering boekstaven.’

 

Vervolgens wordt zin voor zin ontrafeld hoe dat ‘boekstaven’ in zijn werk gaat, waarbij Elsschot de lezer deelgenoot maakt van de meest fijnzinnige overwegingen die bij de totstandkoming van de uiteindelijke versie van de ‘Opdracht’ een rol hebben gespeeld.

Verduiveld, dat zou geen slecht begin zijn. Mijn poëtische bevliegingen zal ik voorstellen als het bereizen van een vreemd land, waarvan de lokstem mij komt tergen als ik vreedzaam bij onze kachel zit. Een land vol heerlijkheid dat mij toch geen voldoening geeft, zeker omdat er geen voldoening in mij te krijgen is. Ontevreden geleefd, ontevreden sterven.
Ik kon de eerste zinnen nu wel neerzetten, dunkt mij. En ik begin:

+

Ik kom thuis van een reis en vind alles voor mij gereed staan. Vrouw en kinderen hebben gedaan alsof ik niet weg was geweest en mijn vrouw heeft mijn souper opgediend. Punt. Ik herlees en ga aan ’t huiveren voor die banaliteit. Zo iets kan geen mens schelen, dat staat vast. Zoals zij daar staat is het een reis geweest naar Brussel of hoogstens naar Parijs, want van hier uit is Brussel niet eens een reis. Maar zeker is het geen reis geweest naar dat heerlijke land. Ik zal dus liever thuis komen van die reis, je weet wel, of beter nog van de reis, dus van de reis bij uitnemendheid.

-

Bij de eerste publicatie in boekvorm, in de tweede druk van Tsjip (1936), wordt ‘Achter de Schermen’ door de uitgever aangeprezen als ‘een buitengewoon geestig hoofdstuk, dat een zeer goeden kijk geeft op de manier waarop Elsschot schrijft.’

 

En zo is het sindsdien ook altijd gelezen, niet in de laatste plaats ook op aangeven van Elsschot zelf: ‘Telkens vertrekkend vanuit een vulgaire dus minderwaardige zin, tracht ik de overwegingen onder woord te brengen welke geleid hebben tot de betere tekst.’ Of, zoals hij het tegenover een collega-schrijver formuleert: ‘Ik heb daarin geprobeerd mijn eigen stijl te ontleden. Hebt gij dat ooit geprobeerd? ’t Geeft een gevoel alsof een dokter zijn eigen buik onderzoekt.’

Ik schrijf enkel en alleen om klassiek proza voort te brengen, dat mooi is en mooi zal blijven.

Een hoopje vuil in de feestzaal
Met de ‘Inleiding’ bij Kaas, de ‘Opdracht’ bij Tsjip en ‘Achter de Schermen’ schrijft Elsschot in nog geen twee jaar drie sleutelteksten die zijn reputatie als groot stilist blijvend zullen bepalen. Tot op de dag van vandaag worden ze met graagte aangehaald om zijn werk te typeren.

 

‘In het voorwoord van zijn handelsroman Kaas schreef Willem Elsschot […] dat het tragische een kwestie is “van maat en harmonie […] van eenvoud en oprechtheid met sardonisch grijnzen”. In dit licht mag je al zijn romans

– van het subtiele melodrama Villa des Roses tot en met zijn zwanenzang als schrijver, Het dwaallicht – tragisch noemen, zolang je erbij zegt dat ze ook heel komisch zijn.’

De teksten komen echter niet uit de lucht vallen, Elsschots fascinatie voor stijl evenmin. Beide zijn een direct of indirect gevolg van een legendarische episode uit de literatuurgeschiedenis: de herontdekking van zijn werk in Nederland en, daarmee verbonden, zijn wederopstanding als schrijver. Een ontmoeting met twee Nederlandse literatoren – Menno ter Braak en Jan Greshoff – speelt daarbij een cruciale rol.

 

Het verhaal is al vaak verteld: door één enkele opmerking tijdens het gesprek pakt Elsschot na tien jaar zwijgen zijn pen weer op en schrijft in recordtempo een nieuw boek – Kaas – dat het begin zal blijken te zijn van een herboren schrijverschap.

 

Wat minder aandacht heeft gekregen, is dat de hernieuwde belangstelling vanuit Nederland óók een einde maakt aan Elsschots afzijdigheid van de literatuur. Er komt een uitgebreide briefwisseling op gang, waarin Elsschot de literaire ontwikkelingen vanuit Antwerpen met belangstelling en verwondering gadeslaat. En waarin hij zich geroepen voelt zijn positie als schrijver te bepalen.

Trouwens, ginder ver is geen plaats voor kerels met een schorre stem, die weten hoe ’t in ’t leven gaat. Ook dáár voelt zo een zich ten slotte verlaten. Ook dáár is men eindelijk nog slechts een vieze vlek in een onbezoedeld landschap, een hoopje vuil in de feestzaal. En zal ik niet geruster bij de haard zitten stinken dan in dat paradijs?

Elsschots schrijverschap is voor een belangrijk deel door de Nederlandse literaire ‘feestzaal’ bepaald. Twee tijdschriften spelen daarbij een cruciale rol: Forum en Groot Nederland. De verwachtingen zijn hooggespannen als hij in 1932 euforisch door Forum wordt binnengehaald als de ideale schrijver, maar die reputatie is niet onwankelbaar.

 

Elsschot komt in het geweer en schrijft de drie teksten waar het hier om draait. Ter verdediging van zijn schrijverschap, tegen de literaire stroom in. En het werkt. Een voorlopig hoogtepunt in de erkenning vormt het speciale nummer dat Groot Nederland in 1937 aan hem wijdt. Verschillende literatoren van naam bevestigen het beeld dat Elsschot in de afgelopen jaren zelf zo graag van zijn schrijverschap had verspreid.

 

Herhaling is de kracht van de reclame, zo blijkt ook uit dit verhaal. Elsschot heeft er als geen ander gebruik van gemaakt om zijn handelsmerk aan de man te brengen. Het was hem maar om één ding te doen: klassiek proza schrijven, dat mooi is en mooi zal blijven.

Van en over Willem Elsschot

 

               

 

Overzicht van recente uitgaven van Elsschots werk, de biografie en andere publicaties en websites over zijn leven en werk.

+

 

Werk van Willem Elsschot

Het werk van Willem Elsschot wordt uitgegeven door uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep. Het is in verschillende edities verkrijgbaar. Tussen 2001 en 2006 verscheen de 11-delige uitgave van zijn Volledig werk, samengesteld en toegelicht door Peter de Bruijn. In deze uitgave zijn Elsschots teksten afgedrukt in de oorspronkelijke spelling en voorzien van een uitgebreide verantwoording. Op deze wetenschappelijke editie is ook het Verzameld werk (2005) gebaseerd, een uitgave in de hedendaagse spelling en geïllustreerd door Peter van Hugten. Daarnaast zijn verschillende titels ook afzonderlijk verschenen. De ‘klassiekste’ roman van Elsschot, Kaas, kreeg als één van de honderd beste boeken ter wereld een plaats in de Perpetua Reeks van de uitgeverij (2008). Voor die gelegenheid schreef Arnon Grunberg een nawoord bij het boek.

 

Over Elsschot en anderen
De meest recente biografie over Elsschot is geschreven door Vic van de Reijt: Elsschot. Leven en werken van Alfons De Ridder (2011). Van de Reijt is ook de samensteller van de uitgave van Elsschots Brieven (1993). Aanvullingen op die uitgave en andere vondsten met betrekking tot Elsschot zijn sindsdien gepubliceerd in tijdschriften als De Parelduiker en Revolver, die ook een geheel aan de schrijver gewijd nummer uitbrachten (in 2001 en 2004).

 

Na de overdracht van het Elsschot-archief wijdde het Letterenhuis in Antwerpen een grote tentoonstelling aan de schrijver. De begeleidende catalogus Dicht bij Elsschot (2010), samengesteld door Wieneke ’t Hoen, geeft een chronologisch overzicht aan de hand van vele, niet eerder gepubliceerde documenten en foto’s. Informatie over andere publicaties en initiatieven is te vinden op de website van het Willem Elsschot Genootschap, ‘het duurste en tegelijkertijd snelst groeiende genootschap der Lage Landen’, aldus voorzitter Cyriel Van Tilborgh.

 

In de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (dbnl) zijn onder meer Elsschots teksten uit Forum te vinden. De briefwisseling met Menno ter Braak is integraal gepubliceerd op de website mennoterbraak.nl, evenals alle recensies en beschouwingen die Ter Braak schreef. 

 

En verder…

- ‘Erfgenaam van Elsschot’ (2006), een film van Suzanne Raes over het leven en werk van Willem Elsschot en diens literaire nalatenschap, uitgebracht op dvd (Rubinstein) maar ook terug te zien via de website van de NPO

- Willem Elsschot in de tentoonstelling ‘Het Pantheon. 100 schrijvers –1000 jaar literatuur’ van het Letterkundig Museum

- Het persoonlijke en zakelijke archief van Willem Elsschot in de databank Agrippa van het Letterenhuis in Antwerpen

-

Het zakelijke en literaire archief van Willem Elsschot bevindt zich sinds 2009 in de collectie van het Letterenhuis in Antwerpen, de Vlaamse zusterinstelling van het Letterkundig Museum. Een mooie indruk van dit rijke archief geeft de catalogus Dicht bij Elsschot, samengesteld ter gelegenheid van de grote Elsschot-tentoonstelling in 2010, het jaar van zijn vijftigste sterfdag.

 

In de collectie van het Letterkundig Museum bevinden zich voornamelijk brieven en documenten van Elsschot voor zover hij die aan zijn Nederlandse literaire vrienden heeft gestuurd. Daarnaast bewaart het museum correspondentie en foto’s van personen uit de kring rond Elsschot en rond het tijdschrift Forum.

 

Voor de presentatie ‘In kunst mag niet geprobeerd worden’ konden de collecties van beide instellingen worden benut, om het verhaal van de Vlaams-Nederlandse uitwisseling rond Elsschot zo goed mogelijk te kunnen illustreren. Ook de presentatie zelf is daarmee het resultaat van een vruchtbare samenwerking tussen Antwerpen en Den Haag.

Colofon

tekst  PETER DE BRUIJN
eindredactie  AAFKE VAN HOOF

 

‘Willem Elsschot – In kunst mag niet geprobeerd worden’ kwam tot stand dankzij de medewerking van het Letterenhuis te Antwerpen, de erven Willem Elsschot en uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep, waarvoor onze bijzondere dank.

 

Toon verantwoording

 

VERANTWOORDING

 

Bij het samenstellen van ‘Willem Elsschot – In kunst mag niet geprobeerd worden’ is gebruikgemaakt van de verantwoordingen in Willem Elsschot, Volledig werk. Ed. Peter de Bruijn e.a. Amsterdam, 2001-2006 (11 delen) en van Willem Elsschot, Achter de Schermen. Elektronische editie, bezorgd door Peter de Bruijn, Vincent Neyt en Dirk Van Hulle. Antwerpen/Den Haag, 2008 (cdrom). Citaten uit Elsschots werk zijn overgenomen uit de herspelde publieksuitgave Verzameld werk, bezorgd en toegelicht door Peter de Bruijn (Amsterdam, 2005).

 

Alle geciteerde en getoonde brieven en foto’s bevinden zich, tenzij anders vermeld, in de collectie van het Literatuurmuseum te Den Haag en het Letterenhuis te Antwerpen. Bij het beschikbaar stellen van materiaal uit het Letterenhuis was Diane ’s Heeren ons behulpzaam, waarvoor dank. 

 

OVERIGE GERAADPLEEGDE BRONNEN

 

Jacqueline Bel, Bloed en rozen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1940-1945. Amsterdam, 2015.

Peter de Bruijn, ‘“Nu is Boorman voor ons gered”. Onbekende brieven van Menno ter Braak’. In: De Parelduiker 6 (2001), nr. 4-5, p. 54-67.

Michel Dupuis, ‘21 januari 1933: Jan Greshoff en Menno ter Braak op bezoek bij Willem Elsschot. De relaties tussen Noord- en Zuidnederlandse

literatuur tijdens het interbellum’. In: M.A. Schenkeveld van der Dussen (red.), Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Groningen, 1993.

Willem Elsschot, Brieven. Verzameld en toegelicht door Vic van de Reijt met medewerking van Lidewijde Paris. Amsterdam, 1993.

Arno Kuipers, ‘Bij Joh. Enschedé in Haarlem verschijnt Verzen van vroeger van Willem Elsschot’. In: Helleke van den Braber en Jan Gielkens (red.): In 1934. Nederlandse cultuur in internationale context. Amsterdam/Antwerpen, 2010.

Vic van de Reijt, Elsschot. Leven en werk van Alfons De Ridder. Amsterdam, 2011.

Vic van de Reijt, ‘Interviews met Willem Elsschot. “Als je door de muze gebeten wordt, vloeit het zo wel uit de pen”’. In: Het oog in 't zeil 1 (1983), afl. 2, p. 1-6.

Jet & Pieter Steinz, Steinz. Gids voor de wereldliteratuur in 416 schrijvers, 104 meesterwerken, 26 one-book wonders, 52 boekwebben, 26 thema’s, 26 quizzen en 52 landkaarten. Met bijdragen van Toef Jaeger. Amsterdam, 2015.

In kunst mag niet geprobeerd worden
Het schrijverschap van Willem Elsschot

Willem Elsschot (1882-1960) was in het dagelijks leven een gewiekst en succesvol reclameman. Die hoedanigheid kwam hem ook als schrijver van pas. Met verschillende inmiddels klassiek geworden citaten en uitspraken - oneliners en slogans - heeft hij zijn literaire reputatie een aardig handje geholpen. Soms tegen de literaire stroom in. Voornaamste handelsmerk: zijn stijl.

Lees het verhaal
De herontdekking van Willem Elsschot
Willem Elsschot
Een hoopje vuil in de feestzaal
De wonderbaarlijke geboorte van Kaas
Achter de schermen
Het manuscript van Tsjip bestaat niet meer
Nu is Boorman voor ons gered
Hoofdstuk 8
Biografie