Alles mocht binnen de kaften van dit tijdschrift

Een gebundelde voorbode van talloze grote carrières die op het punt stonden op te bloeien, zo ziet Thomas Heerma van Voss Alles Mag, het literaire tijdschrift waarvan in 1954 welgeteld één nummer verscheen, met bijdragen van onder anderen Annie M.G. Schmidt, W.F. Hermans, Simon Carmiggelt (in meerdere gedaanten) en Remco Campert.

 

Quizvraag: hoe heet het literaire tijdschrift waarvoor Annie M.G. Schmidt, W.F. Hermans, Adriaan Morriën, Remco Campert, Jan Blokker, Hugo Claus én Simon Carmiggelt in 1954 allemaal een bijdrage schreven? Niet De Gids. Ook niet Libertinage, Maatstaf of het Vlaamse Tijd en Mens. Nee, het tijdschrift dat al deze – toen nog veelal beginnende – auteurs wist over te halen om voor zijn eerste nummer te schrijven, verscheen in totaal maar één keer en was opvallend licht van toon. Alles Mag, zo luidde de veelzeggende naam. De ondertitel: Dagblad ter verbreiding van het wantrouwen

 

Alles Mag wordt vandaag de dag zelden meer genoemd, daar geeft de kwaliteit van het blad ook weinig reden toe, en daarvoor is de impact veel te gering gebleven. Het is zelfs volkomen begrijpelijk dat Alles Mag hooguit een voetnoot beslaat in literatuurgeschiedenissen, zelfs in de segmenten over literaire bladen. Toch verdient het blad, waarvan de eerste druk én bijbehorende (redactie)correspondenties over kopij opgeslagen liggen in het Literatuurmuseum, het om nader bestudeerd te worden. Omdat er in dit stijlvolle tijdschrift – 16 pagina’s op groot krantenformaat – heel veel door elkaar gebeurde: gedichten, beschouwingen, veel korte verhaaltjes, illustraties, alles werd vermengd. En omdat hier met een vitale, inmiddels vrijwel verdwenen speelsheid werkelijk werd gehandeld naar het credo van de titel: alles mocht binnen de kaften van dit tijdschrift. En heel eventjes kon vrijwel alles ook.

 

 

 

Een van de intrigerende dingen aan Alles Mag is dat veel auteurs die een bijdrage leverden, net iets anders maakten dan waar ze om bekend stonden of wat ze gewoonlijk deden. Van de jonge, nog onbekende Annie M.G. Schmidt stond in Alles Mag een vroeg, kenmerkend helder gedicht, bestaande uit elf strofen. Hermans verloor zich in een amusante uiteenzetting over dokters die, afgaande op de overgeleverde brieven, pal voor de deadline werd ingeleverd en die het midden hield tussen essay en verhaal – naast het stuk zijn allerlei oude medische instrumenten afgebeeld. Carmiggelt, op zijn beurt, schreef het warrige openingsartikel Op zij, op zij, want ik mag alles, en bleek later ook de schrijver achter de poëzie van Karel Bralleput en Henk Zultvouwer, pseudoniemen waarvan het tweede alleen in Alles mag opdook. De twee gedichten van THEO en KLAASJE op dezelfde pagina 15 zijn volgens Ruud Broens, de biograaf van Carmiggelt, met grote waarschijnlijkheid ook aan hem toe te schrijven. 

 

 

Natuurlijk, het feit dat al deze namen later grootse werken schreven die losstonden van Alles Mag, maakt het tijdschrift niet per se beter of rijker, maar deze kennis geeft wel een extra dimensie aan het blad: wie door deze zeldzame uitgave bladert, die overigens verscheen bij De Bezige Bij en is afgedrukt in alleen de kleuren rood en zwart, stuit op een staalkaart voor allerlei naderend talent medio jaren vijftig; eigenlijk is het een gebundelde voorbode van talloze grote carrières die op het punt stonden op te bloeien. De vraag is natuurlijk: wie bracht al deze namen bij elkaar? Welke enthousiastelingen stelden Alles Mag samen, en wisten al die namen te overreden om een bijdrage te schrijven voor een satirisch blad dat nog niet eens bestond?

 

Alles Mag kwam voort uit het opinieblad Mandril, dat tussen 1948 en 1953 verscheen. Dit ‘maandblad voor mensen’, zoals de ondertitel luidde, was zowel speels als politiek van aard en werd duidelijk geënt op The New Yorker. Remco Campert leverde aan iedere editie een bijdrage, soms een tekening, soms een gedicht of verhaaltje. Nadat Mandril ophield te bestaan, zetten medewerkers snel een nieuw tijdschrift op, waarvan de redactie bestond uit Charles Boost, Simon Carmiggelt, Han G. Hoekstra, Frits van der Molen en redactiesecretaris C.B. Zijlstra.

 

Zij stuurden een zowel qua toon als inhoud typerende brief rond naar hun toekomstige auteurs: ‘Hoewel degenen, die zich in de afgelopen maanden min of meer intens met de totstandkoming ervan hebben bezig gehouden, zich nog altijd niet goed kunnen voorstellen wat het worden gaat, hebben zij toch te lang met de gedachte aan dit eigenzinnige blad gespeeld om zich te kunnen neerleggen bij de andere gedachte, dat niet minstens één nummer zou verschijnen.’ Verderop schreven ze te verlangen naar ‘sterk persoonlijk getinte artikelen op sociaal, economisch, medisch, wetenschappelijk, algemeen cultureel gebied, die men vergeefs (en helaas vergeefs) zoekt in bestaande kranten of periodieken (…).’

 

 

Dichter bij een beginselverklaring is de redactie van Alles Mag nooit gekomen, dat had vermoedelijk ook niet gepast bij de zo vrije, ongerichte opdracht om te schrijven (of tekenen) over alles wat ‘om commerciële of morele redenen’ buiten het veld en bereik van reguliere tijdschriften viel. En het is heel goed voorstelbaar dat veel betrokkenen juist voor die grenzeloze belofte vielen, de mogelijkheid om helemaal te doen waar ze zin in hadden. Al moet gezegd worden dat geen van de auteurs in Alles Mag echt excelleerde, hoe vrij ze hun opdracht ook konden opvatten. Misschien doordat er in zo’n weinig concrete bijdrage aan een nog onbekend tijdschrift ook juist een grote lastigheid schuilt: waarover immers te schrijven – of tekenen – als plots expliciet wordt gesteld dat werkelijk álles kan en het vooral lekker afwijkend mag zijn? 

 

Speciale vermelding verdient een van de ingezonden, nooit gepubliceerde brieven die naar aanleiding van het eveneens fraai vormgegeven Mandril bij de redactie belandde, en die geheel in lijn met het Alles Mag-principe tot een bijdrage voor het nieuwe tijdschrift had kunnen leiden – want ja, alles kon in dit blad, er werd amper gelet op iemands bekendheid of status. ‘Waarde redacteur!’ stond in de brief, die in 1952 geschreven werd door een enthousiaste jeugdige lezer. ‘Mandril verdient medewerking van jonge kunstenaars en lezers, en indien ik mij al niet tot de kunstenaars reken, jong ben ik toch wel (16). Dus beging ik de moedige daad van een omslag te scheppen: ’t Is bedoeld voor een van de donkere maanden en tevens zeer geschikt, de lezers met zachte drang erop opmerkzaam te maken, hoe mooi die andere omslagen wel zijn.’ Naast de tekst staat een stripfiguurtje getekend dat een bescheiden spierbal toont. De PS van de brief: ‘Ik zou ’t hartstikke tof vinden, als U ‘m zou kenne gebruike. De mazzel!!’

 

 

 

Afzender: Peter Vos, toen uiteraard nog onbekend, later uitgegroeid tot vermaard tekenaar, graficus en illustrator. Het was heel toepasselijk geweest als hij werkelijk had bijgedragen aan Alles Mag. Misschien was dat ook gebeurd als het tijdschrift iets langer had bestaan. Want uiteindelijk verscheen alleen het eerste nummer, in juli 1954, niet lang na die rondgestuurde brief door de redactie. Schijnbaar mocht Alles Mag vervolgens niet op stationskiosks worden verkocht omdat de NS niet toestond dat er ‘pornografie’ werd verkocht. Elders ging het blad wel gewoon over de toonbank en het kreeg ook best veel aandacht, meer wegens de vorm dan wegens de inhoud, hier en der was er kritiek omdat sommige lezers Alles Mag flauw vonden (een deel van de overgebleven resterende brieven is negatief). Nu, ruim zestig jaar later, valt vooral het zichtbare plezier op waarmee het tijdschrift is gemaakt, de levendigheid en de in vrijwel alle stukken aanwezige komische, relativerende ondertoon. Alleen al dit prachtige, tegenwoordig ondenkbare zinnetje op het omslag: ‘Verschijnt onregelmatig en wordt met tegenzin uitgegeven door De Bezige Bij. Het is niet mogelijk zich op dit blad te abonneren. Het is uitsluitend verkrijgbaar in de boekhandel en aan kiosken. Het tweede nummer zal te zijner tijd verschijnen.’

 

Maar dat tweede nummer is er niet gekomen; voor zover bekend zijn er ook nooit serieuze pogingen toe gedaan. Alles Mag verdween net zo plotseling als het was gekomen, al eind jaren vijftig werd er amper nog aan het blad gerefereerd. Heel af en toe duikt er nu nog een exemplaar op van het enige nummer, waarvoor via antiquarische sites bedragen worden gevraagd van rond de honderd euro.