‘Beste W.F. Hermans, stel mij niet teleur en schrijf een lekker stuk’

W.F. Hermans had waardering voor het werk van Jan Cremer, zo blijkt uit hun correspondentie, en andersom. Maar die waardering had soms zijn grenzen. ‘Eigenlijk moest ik beledigd wezen dat het niet naar je zin was... Dat valt me heel erg van je tegen. Trouwens: je eigen schuld.’

 

De schelm en de intellectueel; de blonde poldergod en de zelfverklaarde misantroop; billenman en brillenmans; het lijkt een opmerkelijke combinatie. En toch. 

 

Cremer met zijn branie, Hermans als officier van literaire – en in een enkel geval morele – justitie: allebei op hun eigen manier schopten ze graag tegen de Hollandse kneuterigheid. En beiden verruilden het in hun ogen benepen Nederland voor het buitenland. 

 

Er was, blijkt ook uit een parel van een correspondentie, sprake van wederzijdse waardering. In 1962 al las Hermans voorpublicaties van Ik Jan Cremer en attendeerde zijn uitgever Geert Lubberhuizen (De Bezige Bij) erop. Het boek, dat in 1964 verscheen en een bestseller werd, heeft als middelste motto een citaat uit De donkere kamer van Damokles: ‘Wat is een held? Iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest.’ Hermans was lovend. ‘Ik Jan Cremer,’ schreef hij in Cremers cadeauexemplaar van zijn eigen vers verschenen Mandarijnen op zwavelzuur (ook 1964), ‘is het eerste boek sinds onheugelijke tijden dat ik binnen 24 uur heb uitgelezen’, zo is te lezen in Jan Cremer in beeld.

Midden jaren zestig en in de jaren zeventig stuurden ze elkaar met enige regelmaat post. Cremer stuurde ansichtkaarten uit de VS, vakantiefoto’s, korte briefjes. Ook wel eens ondeugender materiaal. Zo was er in 1966 het knipsel van een blote vrouw: ‘a happy nudeyear’, ondertekend met ‘(Famous lithographer!) Jan Cremer’. Cremer, die Hermans in 1974 aanbood om, als hij in Londen was, in de Hester van Royen Gallery litho’s te komen uitzoeken: als tegenprestatie voor een betaling in het verleden, maar ook ‘voor het vertrouwen dat je toen reeds in mij had’.

‘Ik verklaar hierbij,’ schreef hij aan zijn agenten, ‘dat W.F. Hermans vrije keuze heeft (...) Tot een maximum van twaalf kleurenlitho’s.’ Intussen bleven de kaartjes huize Hermans in Parijs bereiken...

Waardering. Toch – hoe kan het ook anders – donderde het wel eens. 

In maart 1976 was er nog geen vuiltje aan de lucht. Cremer uitte zijn lof voor Onder professoren – ‘Ik vond het werkelijk jammer dat het boek niet tienduizend pagina’s was’ – en raadde Herman terloops aan om nooit naar Nederland terug te keren: ‘want dan hoor je: “zie je wel!” Ook hier in Amerika is het 10.000 keer beter dan in Holland, maar goed dat is mijn zaak (...). Jan Cremer. PS. Bevallen de Hollandse boerinnen je?’

‘Beste Jan,’ kwam het antwoord later die maand, ‘Van je landelijke litho’s vind ik tot dusverre “dutch road scene” de mooiste en die hangt dan ook in mijn salon. Mijn bezoekers verbazen zich erover dat een zo welgeschapen koe zulke slechte boter kan voortbrengen, want Hollandse boter is in Frankrijk de goedkoopste en slechtste kwaliteit. Ik leg dan uit dat de communisten net zo lang in de boter roeren in Holland, tot alleen het Russische leger er nog f 0,10 per kilo voor wil geven (...). Je hebt gelijk: nooit naar Holland teruggaan. Ik hoop er nooit toe gedwongen te worden. Voor geen goud ga ik terug. Trouwens, als de Hollanders je met goud lokken, kun je er donder op zeggen dat het vals goud is. Hartelijke groeten’.

Waarop Cremer Hermans verzocht een tekst te schrijven voor een catalogus van zijn grafische werk. In eerste instantie zegde Hermans toe, en Cremer stuurde (20 september) een beschrijving van zijn thema’s en onderwerpen.

Kort erna ontving hij echter volgend briefje: 

‘Ik heb ondertussen nagedacht over de enkele regels in je catalogus, waar je om vroeg. Ik ben tot de conclusie gekomen dat ik het niet beter zou kunnen zeggen dan in mijn brief no. 692 van 31 maart 1976 (...). Het lijkt me dus het beste dat je die brief in je catalogus afdrukt. Veel succes. Hartelijk gegroet’.

Het bericht viel niet in goede aarde. 

‘Ik keerde net terug van het postkantoor,’ schreef Cremer op 8 oktober, ‘toen ik je, voor mij teleurstellend, antwoord vond bij de Bezige Bij. Wat nu? Mijn favoriete Nederlandse schrijver (...) kan niet meer verzinnen als zijn goede vriend de schilder-schrijver Cremer hem een verzoek doet iets voor zijn nieuwe catalogus te schrijven (een verzoek overigens dat niet zomaar uit de lucht komt vallen, weloverwogen heeft C. de schrijver W.F.H. hiervoor uitgekozen) dan dat hij dan maar een vroegere, aan hem gerichte brief moet gebruiken. Dàt valt mij nou eens tegen.’ 

Cremer was nog niet klaar. 

‘Ik vroeg een tekst,’ mopperde hij, ‘en geen publicatietoestemming van een brief. Als ik trouwens brieven zou willen gebruiken heb ik keuze uit honderden geschriften van allerlei “grote” en “bekende” mensen over de hele wereld. Maar dat is het nou juist, dàt doet elke Hollandse zakkenwasser (...). Dus, beste W.F. Hermans, stel mij niet teleur en voldoe aan mijn verzoek om een stuk (en geen “enkele regels”) te schrijven na mijn komende tentoonstelling (...). Schrijf een lekker stuk, ik weet (en jij wéét) dat je het kunt, een goed, beschouwend, helder stuk, zonder politiek van hoe communisten in de boter roeren enzo, want politiek interesseert mij totaal niet (…).’ 

En alsof het allemaal nog niet duidelijk genoeg was: ‘Beste W.F.H. ik hoop dat ik het stuk gauw krijg, want nu gaat de tijd dringen (...).’ 

Die tekst kwam er natuurlijk niet. In plaats daarvan volgde de schilder-schrijver Hermans’ suggestie: op de achterkant van de uitnodiging voor de tentoonstelling ‘Nieuwe grafiek van Jan Cremer – Tulpen 1976 (...)’ die van eind april tot half mei 1977 was te zien, staat een brief afgedrukt...

 

Hiermee was de kous nog niet af: nog geen twee maanden na de tentoonstelling, na een Cremeriaans vakantieverslag – ‘Bali is kut, Volendam in de tropen en als je de (...) koopt mag je de verkoopster neuken achter het antieke kamerscherm (made in Hongkong)’ – verzocht hij Hermans opnieuw om een tekst, ‘graag een essay of hoe heet zoiets (maar geen brief meer)’ over zijn grafische werk te schrijven, wéér voor een catalogus. ‘Desgewenst stuur ik je reproducties ter documentatie. Indien niet; even goede vrienden.’

Het antwoord, een week later, was Hermans ten voeten uit. 

 

Beste Jan Cremer, ‘Even goede vrienden’, schrijf je in je brief van 29 juni. Vertrouwend op je woord, zal ik je daarom precies en doodeerlijk vertellen wat ik over een en ander denk.

 

Tulpebollen, boerenmeisjes en herkauwers zijn onderwerpen waar ik weinig verwantschap mee voel, maar ik vind het heel knap als een ander er litho’s van maken kan. Ik heb je koe lange tijd met veel plezier aan de muur zien hangen (...). Ik zou mezelf evenwel veel geweld moeten aandoen om een essay te schrijven over je landelijke grafiek. Ik heb nu eenmaal geen kijk op het buitenleven. Anders zou ik er misschien wel spontaan over geschreven hebben, zonder er door jou om te zijn gevraagd.

 

Schrijven op bestelling kan ik helemaal niet als het niet iets is waar ik ook wel over schrijven zou zonder dat het zou zijn besteld. Nu denk JIJ misschien, voor geen kleintje vervaard als je bent: dat hindert niks. Dan zal ik zelf wel wat schrijven en dan kun jij dat overschrijven. Maar overschrijven doe ik ook niet.

 

Ik ben teleurgesteld (om het gematigd uit te drukken) dat je mijn brief niet mooi vond op die vorige catalogus. Het leven is rijk aan bittere ervaringen. Iedereen vond hem even schitterend, dus jij bent de enige die weer wat te kankeren had, Cremer. M.i. mag je blij wezen dat zelfs de Groningers die brief op je catalogus niet wouen missen.

 

Eigenlijk moest ik beledigd wezen dat het niet naar je zin was dat ze die brief nog een tweede keer wilden gebruiken. Dat valt me heel erg van je tegen. Trouwens: je eigen schuld. Dan had je die brief helemaal nooit moeten afdrukken (deze brief mag je dan ook nooit afdrukken, zie stempel). Maar, ik ben ook de kwaadste niet: weliswaar zul je geen inleiding of essay bij enig kunstwerk van jou bij mij lospeuteren, toch zeg ik, op mijn beurt; even goede vrienden. Veel succes!

Cremer nam het sportief op. Althans, najaar 1977 feliciteerde hij Hermans met het ontvangen van de Prijs der Nederlandse Letteren in het Koninklijk Paleis van Brussel, uit handen van de Belgische koning Boudewijn. Het ging om een bedrag van 18.000 gulden. ‘Maar ik hoop dat jij de prijs wèl aanneemt nu,’ schreef hij, ‘want je moet maar zo denken: beter 18.000 piek in jouw zak dan in iemand anders zak.’

Hermans, die in 1972 de P.C. Hooft-prijs weigerde omdat hij niet kon leven met het feit dat die niet – zoals hem door een tikfout in de toekenningsbrief was aangekondigd – f 18.000 bedroeg maar slechts f 8000, kreeg nog een korte anekdote mee: ‘ik kreeg een paar jaar geleden de Belgische Staatsprijs voor grafiek en door de minister een cheque overhandigd die bij presentatie op de bank niet incasseerbaar bleek omdat ie niet gedekt was. Niet dat er kwade opzet in het spel was bij de Belgen, maar je stond toch mooi voor lul. Héél véél succes toegewenst en nog vele prijzen.

Met vriendelijke groet. Jan Cremer.’

 

Schrijversgalerij

 

Voor zijn 65ste verjaardag kreeg W.F. Hermans van vrienden een portret aangeboden. In eerste instantie was hij enthousiast: ‘Een meesterwerk!’ Bij nader inzien zag hij toch een probleem met zijn rechterarm; die hing er volgens Hermans bijzonder raar bij.

Bekijk hier het portret van W.F. Hermans door Erik van Straten.

 

Het portret van Jan Cremer is gebaseerd op de beroemde zwart-witfoto op het omslag van Ik Jan Cremer. Het iconische beeld van de schrijver wijdbeens op een Harley Davidson is nog altijd ‘de image van Jan Cremer’.

Bekijk hier het portret van Jan Cremer door  Frits Müller.