Brieven in tijden van afzondering #8: ‘Voelt de corona-uitbraak, ons schrijven erover, voor jou nu al als geschiedenis?’

In theorie zouden Thomas en Roman nog maanden door kunnen gaan met hun corona-correspondentie. Maar nu het sociale leven weer op gang komt, voelt dit als een natuurlijk moment om af te sluiten. ‘Onze correspondentie was een tijdelijk anker, waarmee ik mezelf dwong mijn gevoelens en gedachtes te ordenen. Meer dan eens wist ik pas zodra ik ‘Beste Roman’ had getypt wat ik eigenlijk dacht of voelde.’

 

(Lees hier alle voorgaande brieven.)

24 juni 2020, Amsterdam

Ha Roman,


Een van de grote verschillen tussen fictie enerzijds en het dagelijks leven anderzijds, is dat er in fictie vroeg of laat een afrondende punt wordt gezet – hoe lijvig een roman ook wordt, hoezeer een verhaal ook uitdijt of open blijft, uiteindelijk eindigt het. Het reguliere leven heeft daarentegen de neiging om altijd maar door te gaan, dag in dag uit, zonder climax, met komma’s en steeds weer vervolghoofdstukken.

‘Dáár moet je over schrijven, dat is pas een interessant verhaal,’ zeggen mensen me regelmatig als ik ergens heb voorgelezen, bijvoorbeeld nadat ze ongevraagd een verdwenen oom of tante ter sprake hebben gebracht. Ik geloof dat iedereen die schrijft zulke zinnetjes te horen krijgt. Of: ‘Wat er nu allemaal gebeurt, is raarder dan fictie.’

Banale maar begrijpelijke zinnetjes. Want inderdaad, veel van wat mensen meemaken is raarder dan fictie. Wie een jaar geleden een boek had uitgebracht over een wereldwijde pandemie waar niemand zich aan kon onttrekken, zou vermoedelijk door boekhandelaren zijn ingedeeld bij de sciencefiction en door literaire critici zijn genegeerd. Toch voltrok zich precies dat scenario, en zonder dat scenario waren wij elkaar nooit gaan schrijven.

Als we dat in fictievorm hadden gedaan, was dit het moment geweest om het verhaal te beëindigen, met het virus niet zozeer verslagen als wel ingedamd, de zon die weer schijnt, het sociale leven dat geleidelijk en toch ook vrij plotseling weer op gang is gekomen.

Maar wij schreven non-fictie en in theorie zouden we daar nog maanden mee door kunnen gaan, het verhaal van corona is immers nog niet klaar, het archief van het Literatuurmuseum is groot, en de impact van het virus is bovendien op veel niveaus nog niet helemaal duidelijk – om bij ons beroep te blijven: hoeveel boekhandels zijn er over een jaar omgevallen, kunnen bibliotheken de komende jaren openblijven, wat valt er over dit onderwerp allemaal te schrijven, enzovoorts?

Toch, hoe onduidelijk en onafgerond veel nog is, voelt dit als een natuurlijk moment om je een afsluitende brief te sturen, Roman. Omdat we al rijkelijk uit het archief geput hebben en al zoveel oude geschriften dit onstuimige heden in hebben getrokken, omdat er nu in Nederland al ruim honderd coronaboeken zijn aangekondigd, en vooral omdat we elkaar inmiddels buiten dit schrijven om alweer gezien hebben, meer dan eens zelfs. Op een voetbalveld in Durgerdam, achter je spelcomputer. Hoe beviel dat je? Beide keren glimlachte je veel, zeker bij aankomst, maar je klaagde uiteindelijk ook over spierpijn en lichte vermoeidheid, moet je weer wennen aan het sociale verkeer? In je vroegste brieven, uit april alweer, leek je je angsten van je af te willen schrijven, zijn die nu verdwenen, kan je ze je nog helder herinneren?

Voor mij was onze briefwisseling vooral een belangrijke vorm van houvast: met jou corresponderen bood iets van sturing in stuurloze dagen. En het hielp me dat er wekelijkse regelmaat in ons contact zat, dat mijn woorden direct gelezen werden en reacties uitlokten, juist nu verder alles zo abrupt was stilgevallen: onze correspondentie was een tijdelijk anker, waarmee ik mezelf dwong mijn gevoelens en gedachtes enigszins te ordenen. Meer dan eens wist ik pas zodra ik ‘Beste Roman’ had getypt wat ik eigenlijk dacht of voelde bij een zoveelste maatschappelijke of medische ontwikkeling – want zoals bekend is schrijven niet zomaar een kwestie van hapklare vondsten uittypen, maar ook van al formulerend nieuwe inzichten krijgen en de eigen mening scherpstellen. Het zelfverkozen isolement van Van Deyssel, de bewonderenswaardige mondigheid van Van Eyk, de droge toon van Vestdijk in oorlogstijd − ik zal het allemaal niet meer vergeten en blijven koppelen aan de lockdown, net zoals ik jou met deze periode zal blijven associëren. 

Tegelijk zijn we, zoals je weet, zelf de afgelopen maanden al schrijvende archief geworden: we inventariseerden niet alleen wat er in de Nederlandse literatuurgeschiedenis zoal was geschreven over vergelijkbare periodes van isolement en ontregeling, maar legden ook voor het Literatuurmuseum vast hoe die grillige weken in maart, april en mei verliepen, wat we daarbij voelden, kortom, hoe de moderne geschiedenis zich vormde. Voelt dit alles, de corona-uitbraak, ons schrijven erover, voor jou nu al als geschiedenis, Roman? Iets waarvan de kern al voorbij is? Anders gezegd: heb jij het idee dat we ons stiekem nog midden in dit verhaal bevinden, of dat er nu een nieuw tijdperk gaat aanbreken?

Ik vrees zelf weleens het eerste, als ik te lang op Twitter ronddool en allerlei onheilsberichten lees, terwijl ik door mijn raam steeds meer onverschillig verkeer op gang zie komen, auto’s die in elkaars nek hijgen, een gracht vol bootjes. Tegelijk voelt mijn leven nu alweer heel anders dan drie maanden terug. Kat Billy is inmiddels opgehaald door mijn ex. De hele pandemie heb ik niet gehuild, maar toen hij in zijn mandje naar buiten werd getild kwamen de tranen direct. Mijn huis voelt akelig leeg nu.

Zodra ik deze brief naar je heb gemaild, ga ik voor twee weken weg, om in een afgelegen huisje in Nederland te schrijven. Waaraan weet ik nog niet precies. Maar ik zie ernaar uit om eventjes weg te zijn. Van de stad, van het appartement waarin ik de afgelopen maanden meer uren doorbracht dan ooit tevoren, van het ritme waaraan ik de afgelopen maanden onmogelijk kon ontkomen. Wat hierna komt? Geen punt maar een komma – verder weet ik het niet. Wat ik wel weet: mocht de boel onverhoeds weer stilvallen, dan zal ik direct mijn laptop openklappen en zullen we corresponderend opnieuw afdalen in het archief van het Literatuurmuseum, op een gekke manier zie ik daar wel naar uit.

Houd je goed, en wij zien elkaar op het voetbalveld, achter je console, en ik geef het zonder terughoudendheid toe: ik heb dat allemaal gemist.

Thomas

28 juni 2020, Amsterdam

Dag Thomas,


Ik schrijf dit in het cafeetje Rum Baba in Amsterdam-Oost, aan een grote tafel in het midden van de zaak. Aan die tafel hebben wij pre-corona al eens samen met onze laptops gezeten. Herinner je je de grote ramen aan de zijkant van dat café? Die staan nu wijd open, net als de deuren, waardoor er een goede luchtstroom rondgaat. Binnen zitten op anderhalve meter afstand een man en vrouw of zes, op het terras zitten er nog eens vijftien. Allemaal hartelijk aan het glimlachen of praten, een enkeling leest. Op het terras van deze zaak zat ik de afgelopen maand ook vaak te lezen in de zon. En soms lag het boek in mijn schoot en keek ik naar de mensen, naar de drukke straat en goedgeluimde barista’s. De mogelijkheid om als ‘vanouds’ weer ergens in een kroegje of koffiebar uren te tikken op mijn laptop, doet wonderen voor mijn productie. Mijn werksessie gisteren leverde zeker drieduizend nieuwe woorden op aan mijn roman.

Punt of komma, vraag je me. Ik schreef je een paar brieven geleden over die mythische regenbui in Honderd jaar eenzaamheid. Daarmee probeerde ik duidelijk te maken dat je wat mij betreft te gretig de zaken wilde duiden, terwijl we nog midden in de regenbui zaten, de lockdown. Ik beloofde toen na de storm met je mee naar buiten te komen en te inventariseren wat de stand is. Maar hoewel onze brieven nu stoppen, is het niet gestopt met regenen.

Een komma dus, we zitten er nog in – maar dit middenstuk bevalt me; we kunnen op adem komen, ons laven aan het gewone leven of wennen aan dat Nieuwe Normaal. Ik ben hoopvol, omdat we beter weten waarmee we te maken hebben. Eigenlijk ben ik wel gerustgesteld in hoe wij als land de crisis aanpakken. Ik vertrouw op het RIVM, op de wetenschap. Je informeert in je brief of ik angsten heb momenteel. Niet echt, al blijf ik bang voor beïnvloeding van de massa – de roep tot opheffing van de anderhalve-meter-maatregel die klinkt in de Tweede Kamer en op het Malieveld is daarvan een zorgwekkend voorbeeld.

Die drieduizend woorden die ik gisteren schreef in het koffiebarretje zijn fijn, want zoals je weet schreef ik een tijdlang eigenlijk alleen brieven aan jou, en dat is voor iemand die bij de KvK staat ingeschreven als schrijver te weinig. Eerlijk gezegd gaven onze brieven me het idee dat ik mijn tijd niet helemaal aan het verdoen was, dat ik toch wat presteerde. Wanneer ik mijn moeder belde, kon ik zeggen dat ik iets had gemaakt. Dat ik wat geld had verdiend. We hebben dit onderwerp niet al te veel besproken in onze brieven, maar wat hebben zzp’ers het extreem moeilijk momenteel; ik hoor de doemverhalen overal om me heen.

Je schreef me dat de optredens rondom je nieuwe roman Condities zijn afgezegd. Dat zal toch flink wat geld hebben gekost. Ook bij mij gingen opdrachten niet door. En toch weerhield dit me er niet van om enkele welgemikte paniekaankopen te doen, of misschien is ‘verveelaankopen’ een beter woord. Een dure hometrainer waarop ik een week lang fanatiek elke dag heb gezeten, en daarna werd het al snel minder en ik durf het nauwelijks te schrijven, maar de laatste maand heb ik er niet één keer op gefietst. Ik ga het ding na de crisis maar proberen te verkopen op Marktplaats.

Inderdaad was ik niet op mijn scherpst toen je bij mij thuis in de woonkamer kwam gamen. Ik merkte dat ik snel vermoeid raakte; misschien door de plotse interactie na maanden van stilte. Je weet dat ik alleen woon, en ik zag een tijdlang echt weinig mensen. Doordat alle lockdowndagen op elkaar leken, had ik het idee soms in slaap te vallen op klaarlichte dag. Nu ik terugkijk op die maanden, zie ik een massief blok waarin de losse dagen, de weekenden, weken en maanden versmolten zijn. Ik praat niet over maart, april of mei als ik over die periode spreek, ik heb het over ‘de lockdowntijd’.

Nu ik dit schrijf, vraag ik me ineens af of we deze correspondentie te veel hebben geschreven met in ons achterhoofd het idee dat we meelezers hadden, dat deze brieven meer moesten zijn dan de neerslag van onze particuliere vriendschap. Volgens mij is er bewust en onbewust censuur in onze briefwisseling geslopen, een filter. We zijn open geweest naar elkaar, maar was die openheid helemaal authentiek? Wat zeker echt is, is je verdriet over het vertrek van Billy. Ik zie het voor me, de vertrekscène. Een heel verhaal in één beeld. Daar zou je eens over moeten schrijven.

Aan de andere kant: al die brieven die we de afgelopen periode bespraken, wie garandeert ons dat die schrijvers geen rekening hielden met meelezers? Schreef Van Deyssel al die prachtige, barokke zinnen echt voor Albert Verwey, of rekende hij erop dat ze door derden gelezen zouden worden? En Menno ter Braak in zijn brieven aan E. du Perron? Was Bomans zo precies in het documenteren van de oorlog omdat hij vermoedde dat zijn dagboeken de donkere tijd zouden overleven en als getuigenissen zouden gaan dienen? En zette Vestdijk in zijn dramatische liefdesbrieven aan Van Eyk niet ook af en toe iets te dik zijn gevoelens aan – spelend met het idee dat andere ogen op een dag zouden meelezen?

Thomas, dank voor deze correspondentie. En ja, ongetwijfeld tot snel, als we gaan voetballen op dat prachtige, verstilde veldje tussen de koeien in het winderige Durgerdam. Voor nu veel goeds in het huisje; heerlijk om de koers van je weken en dagen even te verleggen. Zelf vertrek ik morgenvroeg met de bevriende fotograaf naar Paderborn. Een fietsreis – onze eerste trip sinds de coronacrisis. Dicht bij huis, zodat we snel terug kunnen komen als het misgaat (we verblijven twintig kilometer bij dat slachthuis dat zoveel in het nieuws is). We gaan met de trein – ik zal het mondkapje dragen dat mijn moeder voor me maakte.

Moedig voorwaarts!

Roman

 

Brief van Lodewijk van Deyssel aan zijn vriend Albert Verwey