Helden bestaan niet, wel zijn er mensen die af en toe het goede doen

Er bestaan veel onduidelijkheden over het beroemde verzetsgedicht ‘Het lied der achttien dooden’ van Jan Campert. Zowel over de totstandkoming als over de auteur, die na zijn dood in een concentratiekamp de reputatie van verzetsheld kreeg. 

 

Uitgeverij De Bezige Bij viert op 12 december haar vijfenzeventigste verjaardag. Een geschikt moment om stil te staan bij haar eerste uitgave, anderhalf jaar voor de officiële oprichting: het gedicht ‘Het lied der achttien dooden’ van schrijver, dichter, journalist Jan Campert. Hoewel het originele handschrift niet bewaard lijkt te zijn, bezit het Literatuurmuseum vele afschriften ervan uit de oorlog en de diverse rijmprenten die van het gedicht zijn gemaakt: ‘Als er een rijmprent is van “Het lied”, dan hebben we die,’ aldus een van de medewerkers van het museum.
 
Begin januari 1943, veertig jaar oud en zes weken na zijn aankomst daar, overleed Jan Campert in het Duitse concentratiekamp Neuengamme, officieel aan borstvliesontsteking. Hij was in de buurt van Hamburg vastgezet als politiek gevangene, gekenmerkt door een rood stukje stof, dat de gevangenen zelf op hun vale, gestreepte kleding naaiden. De aanklacht: ‘U’, code voor ‘Grenzüberschreitung’. Campert had driemaal geholpen Nederlandse Joden de Belgische grens over te laten steken, tweemaal met goed gevolg, de derde keer met fatale afloop voor alle drie betrokkenen: Campert zelf, zijn kompaan Martien Nijland en Frans van Raalte, een eenentwintigjarige Joodse jongeman uit Den Haag die zij hielpen.
 
Van Raalte pleegde nog de avond van zijn arrestatie zelfmoord in zijn cel en Nijland overleed, net als Campert, in Neuengamme, officieel aan ‘het niet meer functioneren van hart- en bloedsomloop’, maar zijn werkelijke doodsoorzaak was, net als die van Campert, zoals Hans Renders opmerkte in zijn Campert-biografie Wie weet slaag ik in de dood, ‘de verschrikkelijke leef- en arbeidsomstandigheden in het kamp’.

Jan Campert (1902-1943)

De maand na zijn overlijden publiceerde de illegale verzetskrant Het Parool – anoniem – een gedicht van Campert, ‘Het lied der achttien dooden’. Later die maand verscheen het gedicht in het eveneens ondergrondse Vrij Nederland. Op een bijeenkomst van een verzetsgroep die zich bezighield met het onderduiken van Joodse kinderen en die na de oorlog de naam Utrechts Kindercomité kreeg, werd fondsenwerver en scheikundestudent Geert Lubberhuizen gevraagd of hij ‘misschien iets kon met het gedicht’, dat hem werd overhandigd op een doorslagvelletje. 

‘Het lied der achttien dooden’ – openingszin: ‘Een cel is maar twee meter lang/ en nauw twee meter breed’ – behandelt de executie van achttien verzetsstrijders op 13 maart 1941 op de Waalsdorpervlakte, in het duingebied bij Wassenaar. Deze massa-executie was in Nederland de eerste uitvoering van de doodstraf door de Duitse bezetters. 

 

 

Jan Campert las erover in Het Parool op 9 april 1941. Zijn gedicht vertelt, vanuit het perspectief van een anonieme ‘ik’ (een van de achttien mannen die op hun dood wachten), over zijn laatste nacht, de uren voor het fusilleren en roept de lezer op het juiste te doen, hoe moeilijk en wellicht tevergeefs ook:

 

wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdelen strijd.

Hoezeer het gedicht ook tot het collectieve geheugen is gaan behoren, er bestaan veel onduidelijkheden over zowel de totstandkoming als over de auteur. In de jubileumuitgave van De Bezige Bij uit 1984, onder redactie van Geert Lubberhuizen zelf, stond bijvoorbeeld dat Campert zijn gedicht in maart 1941 in gevangenschap schreef. Dit klopt niet. 

In april 1941 woonde Campert in Den Haag. Wel zat hij eerder een tijdje in een (politie)cel, van twee bij vier, en werd hij later – inderdaad – door de Duitsers gearresteerd voor zijn verzetsdaden. Maar het oorspronkelijke idee voor het gedicht kwam dus door voornoemd Parool-artikel, waarin vijftien leden van de Geuzengroep – een verzetsgroep – en drie Februaristakers ‘een lichtend voorbeeld’ werden genoemd: ‘Het beste deel der natie zal er door hun voorbeeld van doordrongen worden, dat geen offer te groot is voor de strijd om de vrijheid.’ Campert volgde hun voorbeeld, niet andersom.

 

Nr. 41 van de bijzondere oplage van vijftig genummerde exemplaren van de rijmprent, in de zomer van 1943 uitgebracht door De Bezige Bij. De tekening is gemaakt door Coen van Hart.

‘De achttien dooden’ verscheen in de zomer van 1943 als rijmprent, als allereerste uitgave van de verzetsuitgeverij De Bezige Bij. De uitgave was een groot succes: herdruk op herdruk volgde, de prent werd nagedrukt, geroofdrukt; het gedicht verscheen in bloemlezingen en talloze Nederlanders kenden het – geholpen door de treffende taal en het eenvoudige rijmschema – uit hun hoofd. De opbrengsten gingen, na aftrek van de kosten, naar het Utrechts Kindercomité.

Doordat Campert was overleden, kon zijn naam destijds zonder gevaar bij het gedicht worden afgedrukt. Renders schrijft dat, als gevolg van het misverstand dat Campert een van de achttien doden zou zijn geweest en omdat hij relatief vroeg in de oorlog overleed, zowel de dichter als het gedicht zo een ‘grote postume reputatie kon opbouwen’. 

Toch gaf deze voorstelling van zaken een te eenzijdig beeld. In de jaren voor de oorlog had Campert constant geldzorgen, woonde hij noodgedwongen bij mensen in en gebruikte hij het adres van zijn moeder als postadres. Al het geld dat hij verdiende moest rechtstreeks naar het incassobureau.

Dat werd er in de oorlog uiteraard niet beter op. Als zovelen was Campert niet vies van een bepaalde mate van opportunisme: hij vertaalde propaganda van de Wehrmacht, schreef een bedelbrief aan een hoge functionaris bij het Nationaal Front (en kreeg geen antwoord). Hij solliciteerde in 1940 bij het genazificeerde ANP nadat de Joodse redacteuren waren ontslagen. Hij vertaalde in 1941 een roman van de collaborerende Fransman Jean de la Hire en schreef – anoniem – enkele stukken voor de pro-Duitse krant Het Volk, waar de door Rost van Tonningen aangestelde hoofdredacteur Willem Goedhuys de dienst uitmaakte. En in datzelfde jaar raakte hij betrokken bij het eveneens genazificeerde tijdschrift Het Weekblad Cinema & Theater, onderdeel van een uitgeverij (Opbouw) van diverse pro-Duitse tijdschriften, met een notoire nazi, J.T. Hulsekamp, als hoofdredacteur.

 

Een uitgetikte versie van ‘De achttien dooden’ uit 1943

Zijn verhalen waren niet nationaalsocialistisch van aard en zijn stukken voor Het Volk dus naamloos. Er was geen twijfel over Camperts geldgebrek, schrijft zijn biograaf, en dat hij met zijn verzetsdaden nog wat geld hoopte te verdienen staat ook buiten kijf. Maar Camperts primaire motivatie was, net als die van zijn kompaan Nijkamp, idealistisch – niet financieel. 

Campert maakte rond deze tijd een aantekening bij onderstaande strofe van de Engelse dichter Ernest Downson:

 

And I am desolate and sick of an old passion

Yea, hungry for the lips of my desire:

I have been faithful to thee, Cynara! in my fashion

 

In my fashion. Naar mijnen trant.

Die naar bankroet leidt.

 

 

Dat ging wellicht over een financieel bankroet. Maar er is ook nog zoiets als een moreel bankroet, dat je voorkomt door gehoor te geven aan je eigen oproep iets goeds te doen en te proberen om mensen een grens over te laten steken, op weg naar veiligheid en vrijheid. 
 
In 1942 schreef Campert het gedicht, ‘Rebel, mijn hart’, eveneens een verzetsgedicht, dat zijn uitgeverij Stols niet opnam in de bundel Sonnetten voor Cynara, maar dat wel in het literaire tijdschrift Den Gulden Winkel van april/mei 1942 werd afgedrukt. Het gedicht begint zo:

 

Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht,
die aan de tralies van den al-dag rukt.

En bevat de zin:

 

Breekt uit en blaast de doove sintels aan,
die zijn verdoken onder ’t rookend puin;
vaart stormgelijk over den lagen tuin,

 

die Holland heet.

‘Breekt uit en blaast de doove sintels aan’ in ‘den lagen tuin, die Holland heet’. Helden bestaan niet, althans, niet buiten de kaften van kinderboeken. De wereld wordt bewoond door mensen die af en toe het goede doen. In Wie weet slaag ik in de dood relativeert Renders Campers postume reputatie als verzetsheld, maar deze relativering doet geen afbreuk aan de verzetsdaden van Campert en aan het harde verzetsgedicht dat hij schreef (en aan zijn door controverse omgeven dood in Neuengamme). 

Het ‘Lied’ is een oprechte oproep van een schrijver, ook aan zichzelf, en geen kanselpreek van iemand die – vaak letterlijk – boven de arena van het leven staat.