Moeders en zonen en dochters

door Renée van Marissing

Het zal weinig mensen ontgaan zijn dit jaar, het thema van de Boekenweek. Direct na de bekendmaking van de keuze voor het thema door de CPNB stak er een storm van kritiek op, gevolgd door een (kleinere) storm aan initiatieven voor bundels, verhalen, essays en zelfs een alternatief Boekenbal.

 

Het thema De Moeder de Vrouw is opgehangen aan het gelijknamige gedicht van Martinus Nijhoff. ‘De Moeder de Vrouw’ werd voor het eerst in 1934 gepubliceerd in Nijhoffs bundel Nieuwe gedichten. Het gedicht is uitgegroeid tot een klassieker, en dan vooral de eerste zin: ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien.’ Het gedicht vertelt in het kort over een ik-figuur die naar de nieuwe brug bij Bommel gaat kijken en die, wanneer hij in het gras ligt, een vrouwenstem hoort die psalmen zingt, wat hem aan zijn moeder doet denken.

 

Tussen de handgeschreven versie die in bezit is van het Literatuurmuseum en de publicatie in Nieuwe gedichten zit een aantal verschillen. Nijhoff is blijven schaven aan de tekst. De twee overzijden van de rivier werden in het manuscript weer vrienden, en in publicatie weer buren. De vrouw stond eerst aan en later bij het roer in de elfde regel: ‘Zij was alleen aan dek, zij stond bij / aan ʼt roer’.

 

Sinds de publicatie van het gedicht zijn er vele interpretaties op losgelaten. Vooral wordt ingegaan op de al dan niet metafysische betekenis die het gedicht in zich zou dragen. A.L. Sötemann wijst in het artikel ‘M. Nijhoffs “De moeder de vrouw”: een analyse in twee etappes’ op een kerkelijk kinderlied dat begint met de zin: ‘Scheepken onder Jezus' hoede, / Met de kruisbanier in top, / Neemt als arke der verlossing, / Allen, die in nood zijn, op.’ Sötemann: ʻDaarmee zou ook verklaard zijn dat de vrouw “bij ’t roer” staat en niet aan 't roer. Het schip vaart immers onder Jezus' hoede, Hij is de eigenlijke stuurman.ʼ

 

Taal- en letterkundige W.A. Ornée reageert op de analyse van Sötemann in het artikel ‘Martinus Nijhoff en de binnenscheepvaart’: ʻEen schip komt stroomaf door de brug gevaren en bij 't roer staat een vrouw psalmen te zingen. Sötemann breekt zich het hoofd over de kwestie dat er staat “bij” en niet “aan” het roer. Kom nou! De Neeltje Jacoba vaart niet uit in nacht en stormgedruis! Dat schip op de Waal gaat rustig stroomafwaarts; ik herinner me wel schippersvrouwen die met de knie of met de heup even tegen het roer aanduwden en onderwijl stonden te breien.ʼ

 

Hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Yra van Dijk haalt in het artikel ‘Midden uit de oneindigheid: een nieuwe lezing van Nijhoffs “De moeder de vrouw”’ bovenstaand citaat van Ornée aan en schrijft over de tekst van Sötemann: ʻEen andere verklaring voor het bij het roer staan, is dat Nijhoff het alternatief terecht lelijk vond: “zij was alleen aan dek, zij stond aan ’t roer”. De herhaling van “aan” is niet mooi, en de andere mogelijkheid: het eerste “aan” in de regel veranderen, was natuurlijk geen optie. Want dan moet er een “het” bij en klopt het aantal lettergrepen niet meer: “zij was alleen op het dek, zij stond aan ’t roer”. Deze stilistische verklaring wordt gestaafd door het feit dat Nijhoff in een eerdere versie van het gedicht inderdaad gewoon “aan” schreef, maar het later in “bij” veranderde.ʼ

 

Deze drie voorbeelden van interpretaties gaan dus enkel over het bij en niet aan het roer staan van de vrouw.

Foto: W.S. Nijhoff

 

 

Ook over de ontstaansgeschiedenis van het gedicht wordt gespeculeerd. Zo zou Nijhoffs vriend Hans Philips hem de anekdote over de zingende schippersvrouw verteld hebben en zou Nijhoff niks van wat hij schrijft in het gedicht zelf hebben beleefd. ʻEnigszins apocrief,ʼ volgens Nijhoffs oudste zus Pien. Zij en Nijhoffs zoon Faan hebben zo hun bedenkingen bij al deze verhalen en interpretaties.

In het net verschenen boek De Moeder de Vrouw: mythe en misverstand rond het beroemde gedicht van Martinus Nijhoff van Andreas Oosthoek zegt Pien: ʻHij kwam vaak aanwapperen, uit Den Haag, uit Utrecht, op weg naar Zeeland. Op de thee. Pom heeft de brug zien groeien, tot en met de laatste loodjes. De suggestie dat hij niets van het brugverhaal meegemaakt zou hebben, is absurd en overschrijdt de grens met het verzinsel. Een gedicht met vele dichters. En dichteressen. Zó plat.ʼ Faan Nijhoff: ʻJammer dat vaak de draadjes uit het weefsel worden getrokken. Het wordt zo gauw een zaak van onbeperkt peuteren en plukken.ʼ

 

Daarnaast vraag ik me af wat het probleem zou zijn, mocht het gedicht gebaseerd zijn op een anekdote van een vriend. Is dat niet hoe schrijvers (onder andere) aan hun inspiratie komen? Kortom, er worden vele werelden opgetrokken rond het gedicht. En nu weer een. Volgens de een staat het gedicht voor een oubollige afspiegeling van de vrouw en de moeder, volgens de ander is het juist een sterk beeld, een vrouw die een schip bestuurt.

In het voorwoord van de bloemlezing De Moeder schrijft samensteller Gerrit Komrij dat in de negentiende eeuw de moeder in gedichten vanwege de grote kindersterfte vooral getroost moest worden. Over de gedichten uit de twintigste eeuw schrijft hij: ʻHet is niet langer nodig de moeder te troosten met het verlies van haar kind, de dichter troost zichzelf met het verlies van zijn moeder. Het gaat nu meer om háár, maar toch ook weer om iets anders. Weliswaar concretiseert de moeder zich, maar tegelijkertijd krijgt ze een nieuwe symbolische waarde – ze wordt het symbool van een nimmer te herwinnen vrede, van de voorgoed teloorgegane jeugd. Zij is het paradijs, en de dichters gedenken met bittere spijt hoe zij daaruit werden verdreven. Hun gedichten roepen een gouden tijd op uit de woestenij, een goudklomp uit de rotsen, als betrof het een toverformule.ʼ

 

Na lezing van een behoorlijk aantal twintigste-eeuwse gedichten denk ik dat je je kunt afvragen in hoeverre de moeder-gedichten geschreven door mannen over de moeders gaan. Of ze niet vooral gaan over een man die aan zijn moeder denkt. Over hoe de man zich voelt voor en tijdens het denken aan zijn moeder. Over wat de moeder voor de man heeft betekend. De gedichten gaan over de ik-figuren, niet over hun moeders. De moeders staan aan de zijlijn, opvallend vaak zingend trouwens.

 

Hoe anders is vaak het geval bij dochters. Dochters zien zichzelf in hun moeder, of ze willen of niet (meestal niet). Vrouwen zien in hun moeder vaak hun voorland. Nemen zonen hun moeder minder de maat dan dochters? Wordt daarom de moeder in teksten door mannen geschreven meer op een voetstuk gezet dan wanneer vrouwen over de moeder schrijven?

Mannen eren hun moeder, vrouwen zijn kritischer.

Martinus Nijhoff in 1938

 

De CPNB schrijft in een verklaring na de eerste ophef dat voor dit thema werd gekozen omdat ‘het naast elkaar zetten van moeder en vrouw vragen oproept over hoe die entiteiten zich tot elkaar verhouden’. En dat het ze gaat om ‘sterke, moedige, autonome personages’.

 

Mijn idee is dat je, wanneer je De Moeder wil eren, beter een man kunt vragen die klus te klaren.

Maar wil je De Moeder leren kennen, wil je De Vrouw laten zien waarin De Moeder huist, wellicht moet je dan een vrouw aan het woord laten.