Op de jeugdfoto’s van Remco Campert is in de baby al de latere schrijver te zien

In de baby die in de armen van zijn moeder ligt, in de kleuter achter een kruiwagentje, in de jongen die vanachter spiegelende brillenglazen naar de camera lacht, pen in de aanslag, ziet Anne van den Dool al de inmiddels 91-jarige rebel en schrijver die Remco Campert zal worden. 

 

Wij mensen zijn goed in achteromdenken: over een herinnering uit het verleden leggen we maar al te gauw de kennis van nu. Zien we oude foto’s van een dierbare met een zwangere buik, dan zijn we geneigd over dat nog ongeboren wezentje te denken als de peuter, kleuter of misschien zelfs volwassene die het nu is. Een wezentje dat toen misschien nog niet eens een naam had, dat nog geen uiterlijke kenmerken had, geen eigenschappen of wil, verandert zonder dat we ons ertegen kunnen verzetten in een compleet mens, met alles wat die nu bij zich draagt. Terwijl het toen nog afwachten was of het kind bij geboorte tien vingertjes en tien teentjes zou hebben. 

 

Die neiging tot achteromdenken grijpt mij ook als ik kijk naar foto’s van een kleine Remco Campert (1929), die op 28 juli zijn 91e verjaardag viert. Toen hij een kleine tweeënhalf jaar geleden afscheid nam als Volkskrant-columnist, vreesden we voor zijn gezondheid. De koppen suggereerden bijna dat de oude schrijver met het neerleggen van de Volkskrant-pen zijn doodsvonnis had getekend. ‘Camperts columns waren altijd lichtvoetig, ook als het over zware onderwerpen ging,’ schreef zijn thuiskrant in de verleden tijd, een vermelding van zijn leeftijd erbij – wie niet goed las, had kunnen denken dat het een in memoriam betrof. 

 

Remco Campert met moeder in zijn geboortejaar 1929

 

 

Maar hij bleef bij ons. Hij blijft nog steeds bij ons. En ondanks zijn aankondiging te stoppen met schrijven, verschijnen nog steeds trouw bundels van zijn hand. Alleen al in het afgelopen jaar publiceerde De Bezige Bij Dagelijksheden, een bundeling van zijn columns voor Elsevier; Katten en katers, waarin al zijn verhalen over katers, poezen en kittens uit zijn decennia omspannende oeuvre opgenomen zijn; Aanelkaar, een wisseling van gedachten met goede vriend Kees van Kooten; en Mijn dood en ik (2019), waarin hij er blijk van geeft zich bewust te zijn van zijn naderende kennismaking met het einde: ‘hoe zal de dood zijn een onmetelijke ruimte? of het klein beperk van een kist? / nee zeg ik tegen dat laatste: opgenomen door de sterren in hun nachtelijke pracht’. 

 

Het is het naderende einde van een lang leven, realiseer je je als je naar foto’s kijkt waarop de toekomstige dichter, columnist en romancier in de armen van zijn moeder ligt, in een kinderwagen zit, over een te hoog hek probeert te klimmen. Het zijn foto’s uit de eerste helft van de jaren dertig – tijdens het interbellum, ben ik meteen geneigd te denken, maar dat is precies de achteromdenkkramp: niemand dacht toen nog over die periode als een tijd tussen twee oorlogen in.

Niemand dacht toen ook nog dat die vrolijk kijkende jongen zou opgroeien tot de Remco Campert die we nu kennen. Dit was nog niet de Vijftiger die onder meer werd bekroond met de P.C. Hooft-prijs en de Prijs der Nederlandse Letteren. Dit was nog niet de man die bijna honderd boeken op zijn naam heeft staan, die literair tijdschrift Braak oprichtte, die nog steeds gelezen wordt voor leeslijsten, die tien jaar lang in columnvorm van zich liet horen op de voorpagina van de Volkskrant. En toch is het bijna alsof je die prestaties kunt lezen in zijn jonge ogen, alsof alles wat hij zou schrijven al in zijn hersenpan lag opgeslagen.

Al in foto’s van zijn eerste levensjaren meen ik zijn huidige trekken te herkennen: de trekken van een man die bijna een eeuw later kalend door zijn brillenglazen tuurt. Op een foto waarop hij vanachter spiegelende brillenglazen lacht naar de camera, het kapsel onooglijk scheef geknipt, een pen in zijn rechterhand, bespeur ik zijn toekomstige rebelsheid.

 

Een foto waarop hij als onschuldige kleuter met een houten kruiwagentje staat, zijn mond iets open, rond zijn schouders een net ogende jas met dubbele knopenrij, verwordt voor mijn ogen tot het portret van een jongetje dat ons voor de gek houdt, dat speelt dat hij kind is, maar dat stiekem veel meer weet dan wij denken. Een schrijver gevangen in het lichaam van een kleine jongen.

 

 

 

Al bladerend zie ik hem opgroeien. Hier vind ik bevestiging voor mijn gedachten in het montuur van een ronde bril en een nonchalant vastgehouden sigaret, die hem al meer tot de Campert maken die ik ken. Er zijn vooral foto’s met zijn moeder, actrice Joekie Broedelet – nauwelijks met zijn vader, dichter en verzetsheld Jan Campert, die onder meer De achttien dooden op zijn naam heeft staan, en die in 1943 in kamp Neuengamme aan een borstvliesontsteking overleed. Remco Campert zou in 1956 de Jan Campertprijs ontvangen die naar zijn vader werd vernoemd, in het leven geroepen als een blijvende herdenking aan de strijd die Nederlandse letterkundigen tijdens de oorlogsjaren leverden. 

Knisperende foto’s van uitjes naar het strand, lezen in de duinen, paraderen op de boulevard. Een doodgewone familie, denk ik, en verbaas me over die gedachte, want waarom zou een gezin dat rijk is aan twee dichters geen doodgewoon gezin zijn? Welke exorbitante activiteiten had ik dan verwacht in hun fotoboeken aan te treffen? Zondagse schoonschrijfsessies, gedichten tekenen in het zand?

Zo neemt het verleden me steeds weer beet. Keer op keer neem ik afstand, keer op keer tuin ik erin. Ik vind het in blikken, in kaaklijnen, in haren, in een mond. Toch nog eenmaal terug naar die foto van een piepjonge Remco in een kinderwagen. Ja, ik weet het zeker. Een bijna onsterfelijk schrijver, ik zie hem erin.

Foto’s: collectie Literatuurmuseum