Van schrijven gaat het natuurlijk niet komen vanavond

door Christiaan Weijts

Wat is er vandaag nog over van historische literaire plekken? In deze serie reist Christiaan Weijts door het land met foto’s uit het archief van het Literatuurmuseum en schiet die ‘opnieuw’. Deze keer: het Adriaan Roland Holsthuis in Bergen.

 

We hadden er al eens voor het hek gestaan, mijn oude studievrienden en ik. Met ons Letterendispuut ‘Sodalicium Literis Sacrum’, een Leids studentenkamergenootschap dat terugging tot de dagen dat Boutens en Leopold er lid van waren, hadden we een weekend in het kunstenaarsdorp Bergen doorgebracht, twintig jaar geleden.

 

Of ik nog wel wist dat we er in de regen gedichten hadden staan reciteren, vroeg Eva Bouman (die tegenwoordig bij uitgeverij Cossee werkt). Of ik wel wist dat Eduard du Perron er ook heeft gewoond, vroeg Edwin Fagel (tegenwoordig dichter, en destijds aan het afstuderen op Du Perron).

 

Dat ik er nu een aantal weken ging wonen had iets onwezenlijks. Het was een geschenk. Heel letterlijk. Een bevriende collega, Arjen van Veelen, had er een verblijf van een maand gewonnen als publieksprijs van de BNG Nieuwe Literatuurprijs. Maar met twee jonge kinderen kon hij er slechts beperkt gebruik van maken. Zou ik die prijs niet met hem willen delen? Ik schreef toch over een journalist die met Pablo Picasso een zomer in Schoorl had doorgebracht?

Het Adriaan Roland Holsthuis in 1942.

Donderdagavond, 9 mei 2019

 

Uitgerekend vanavond stond het verkeer overal in Noord-Holland muurvast. Pas na achten arriveer ik aan de Nesdijk, moe en hongerig. Het is groter dan ik had verwacht. Ik heb mijn tassen neergelegd in de keuken, waar de was van Arjen nog hangt te drogen, en heb alleen maar snel rondgekeken. De atmosfeer is uitstekend, kalm, rustig, en de inrichting juist redelijk modern. Het werkbureau staat precies waar ik het zelf zou hebben neergezet, met uitzicht door het brede raam over de dijk en de polder erachter.

Je merkt dat het een eenpersoonsvilla is, nogal merkwaardig van opbouw. Van buiten lijkt het een soort paddenstoel, met die brede uitkragende rietkap. Boven is een piepklein werkkamertje, vol foto’s van de Prins der Dichters zelf, in wisselend gezelschap op allerlei plekken in dit huis. En er is een klein logeerkamertje, een ruimere slaapkamer, waar je doorheen moet om de badkamer te bereiken.

Ik heb de fiets uit de schuur gehaald – een kleine damesfiets waarvan het zadel al ontelbare schrijvers-, dichtersbipsen naar het dorp heeft gedragen. Pas bij terugkomst, nadat ik ergens een bordje Indisch heb gegeten, heb ik me echt geïnstalleerd. En nu is het donker. Nu is de stilte hier totaal. Alles verwijst hier naar een kalmer leven, voorwerpen met meer nadruk, van de telefoon tot de lampen tot de boeken. Van schrijven gaat het natuurlijk niet komen vanavond.

Het Adriaan Roland Holsthuis nu. Foto: Christiaan Weijts

Vrijdag, 10 mei 2019

 

In NRC schrijft Michiel Krielaars vandaag over het gebrek aan schrijvershuizen in Nederland. ‘Het huis van Vestdijk is helaas al verkocht, maar wat te denken van het geboortehuis van Couperus in de Haagse Surinamestraat en dat van W.F. Hermans in Amsterdam? Ook Sunny Home, het Leidse huis van de binnenkort 80-jarige Maarten Biesheuvel, zou in de toekomst zo’n literatuurhuis kunnen worden.’

Gelukkig is dit huis aan de Nesdijk er. Sinds 2002 verhuurt het Bert Schierbeek Fonds de gerenoveerde woning aan schrijvers die het voor een maand kunnen huren voor weinig geld. Het goede is dat niet geprobeerd is er een museum van te maken. Geen schrijvershuis waar elke stoelpoot, elke pen, elke schrijfmachine amechtig op z’n plek moet blijven.

Er is een tafeltje met werken van Holst onder een glazen plaat, maar verder doet het godzijdank niet erg museaal aan. In de boekenkast ernaast staan boeken van voorgangers die hier verbleven, allemaal gesigneerd. Joost de Vries. Mark Boog. Wanda Reisel. Gijs IJlander. Ester Naomi Perquin. In theorie wéét ik wel dat zij hier ook allemaal hebben gezeten, maar ik bezit het vermogen me zo’n huis onmiddellijk toe te eigenen. Het is van mij. Hier woon ik. Ik voel me, nog geen twaalf uur hier, al totaal niet meer te gast.

Adriaan Roland Holst voor zijn huis in Bergen, augustus 1933.

Zaterdagochtend, 18 mei 2019

 

Het fietspad langs deze dijk lijkt wel een reclame voor Holland. Zorgeloze schoolkinderen, stellen op e-bikes, gezinnen, de hond erachteraan. Allemaal op weg, met dat energieke voornemen er wat moois van te gaan maken.

Als je voor het brede raam gaat staan en over de heg heen kijkt, dan zie je pas het sportveld, verderop. Nu is het bezet is door geruisloze voetballers, witte gestalten in de nevel. Een bal schiet soms boven de riethalmen uit die het terrein filteren. Dwarrelende citroenvlindertjes in de oeverbegroeiing.

Ik wilde eerst de indrukken onbevooroordeeld laten binnenkomen, zonder veel te lezen over de geschiedenis van het huis, maar nu ben ik dat toch gaan doen. Onder de glasplaat ligt Mijn tweede huid van biograaf Jan van der Vegt. Daaruit verneem ik specifieke details, kennis die ik niet meer kan wissen en die me door het hele huis blijft achtervolgen.

Dat Jany, zoals zijn vrienden hem noemden, speciaal een groot bed had besteld met het oog op zijn eeuwige vrijgezellenleven en de talloze minnaressen die hij er ontving. Is dat nog hetzelfde grote bed dat er nu staat?

Of dat hij de tuin compleet liet verwilderen, want daar hield hij van, een ‘jungle op zakformaat’.

Dat Jan Jacob Slauerhoff (al heel lang een van mijn literaire helden) er een paar maanden met Darja Collins woonde (en in datzelfde bed de liefde bedreef?), en dat Slau, de notoire sloddervos, eens een broodrooster aan had laten staan, waardoor de kist waarop die stond was gaan schroeien en de hele boel bijna in lichterlaaie had gestaan. Ik ben, tevergeefs, naar die kist op zoek gegaan.

Adriaan Roland Holst telefonerend in zijn huis, 13 juli 1962.

Vierenveertig jaar, de helft van zijn leven, heeft de Prins der Dichters hier gewoond. Hij schreef er bundels als De wilde kim (1925) en Winter aan zee (1937). Maar hij kreeg ook een haat-liefdeverhouding met de villa. Vooral nadat hij, begin jaren zestig, een tijdje weg was geweest omdat buren het op zich namen om die jungle eens aan te pakken. Bij terugkomst was er ineens erg veel licht, net als nu, stel ik me voor, en dat benauwde Roland Holst juist, en maakte hem angstig, zoals hij toch al was in die periode.

Dat hij overal spiegels ophing, lees ik ook in dat boekje. Hij deed dat omdat die ‘een verstilde werkelijkheid’ moesten weergeven. Maar tijdens zijn depressies, begin jaren zestig, benauwden die spiegels hem juist, en bezorgden ze hem hallucinaties. Er is er eentje in de slaapkamer, naast de ingang tot de badkamer: tweeënhalve meter hoog, bezaaid met patina-vlekken.

Die is zonder twijfel nog uit zijn tijd. Als je er tegenover gaat zitten, op de bedrand, en bedenkt wat hij er allemaal gezien moet hebben, en wie er allemaal nog meer zo naar zichzelf hebben zitten kijken in dat glas, duizelt het je wel even.

Daarachter is de badkamer. Ook nog in authentieke stijl. Dat wil zeggen: één muurtje met een douchekop erachter, waar de Prins der Dichters dagelijks zijn koude douche placht te nemen. Collega Joost de Vries – die er precies een jaar eerder was – beschrijft het in het gastenboek treffend als een sportkleedkamer ‘waar de halve Nederlandse literatuur zich heeft staan afdouchen’.

 

Toen en nu.

Ook dat beeld raak ik niet meer kwijt. Zoals ik op de wc nu elke keer aan Rob Schouten moeten denken, die in zijn bijdrage klaagt dat het lampje er veel te langzaam aangaat, zodat ‘een normaal mens allang klaar is met wat hij er kwam doen’ tegen de tijd dat het licht brandt. Overigens is zijn klacht gehoord: de lamp springt meteen aan.

Het enige nadeel dat ik kan noemen is dat de gordijnen in de slaapkamer wat dun zijn, terwijl die wel op het oosten ligt en de zon je dus al vroeg komt wekken, terwijl ik juist tot betrekkelijk laat in de nacht zit te werken.

Donderdag, 23 mei 2019


Jany’s verjaardag. Honderdeenendertig kaarsjes zou hij mogen uitblazen, en op een bepaalde manier is die verjaardag hier gisteren ook gevierd in stijl. Cees Nooteboom kwam langs. Hij had uit een column in NRC begrepen dat ik ‘in het huis van zijn oude vrind’ logeerde, vertelde hij aan de telefoon, en dat wilde hij altijd nog eens terugzien. Dus daar liep hij, een paar dagen later, het tuinpad op, samen met zijn vrouw Simone Sassen.

Toevallig had ik diezelfde avond ook Edwin Fagel uitgenodigd, met wie ik twintig jaar geleden hier dus gedichten had staan voordragen aan het hek in de regen. Hij werkte op dat moment aan een afstudeerscriptie over E. du Perron, die hier ook een vaste bezoeker was. Mijn scriptie ging over het werk van… Cees Nooteboom.

Ik denk niet dat we die boodschapper uit de toekomst geloofd zouden hebben, als hij ons was komen vertellen dat we hier twintig jaar later, daar voor dat raam, plezierig met Nooteboom en zijn vrouw aan de koffie zouden zitten.

‘Bij mij gaan zulke toevalligheden altijd net iets verder,’ vertelt hij, en kiest meteen de beste stoel, die bij het raam. Hier is hij weleens bij Adriaan Roland Holst op bezoek geweest, maar het is behoorlijk veranderd. Simone dringt af en toe aan, met een blik op de volle werktafel: ‘Kunnen we niet beter het dorp ingaan, we zitten hier wel in zijn wérkruimte…’ Maar Cees, met een blik over het uitzicht: ‘Ik zit hier eigenlijk wel erg prettig moet ik zeggen.’

Later is hij Roland Holst (‘die ik trouwens nooit Jany heb genoemd’) ook in een verzorgingsflat elders in Bergen komen opzoeken, vertelt hij. ‘Er hing een foto van een mooie vrouw uit een blad boven zijn bed. Ja, die doet me namelijk denken aan een vriendin van vroeger. Hij noemde een naam. Een week later hing er een andere foto, van een andere mooie vrouw. Ja, die doet me denken aan een vriendin van vroeger. En hij noemde weer een andere naam.’

Links: met Lucebert, circa 1965 (foto: Jan Hulsker). Rechts: nu.

We gaan het dorp in voor een borrel en wat te eten. En natuurlijk lopen we langs zijn standbeeldje, bij de ruïnekerk. ‘Een kabouterbeeld,’ heeft Martin Bril het eens genoemd. ‘Maar het is wel precies zijn houding,’ weet Nooteboom. ‘Dat is heel goed getroffen.’

Even voorbij de hoek, met de Eerste Bergensche Boekhandel, staat hij ineens stil: ‘Hier was het. Hier kwam ik hem tegen, de oude meester. Ik was net aan hem aan het denken, wat op zichzelf niet zo heel vreemd is in dit dorp, en dat vertelde ik hem ook. En hij legde zijn hand op m’n schouder en zei: “droom jij maar lekker verder, Cees.”’

Bij het Huis met de Pilaren zijn we de enige bezoekers. Toch moeten we ons tafeltje aan het raam, waar we een uur lang het literaire leven doornemen, afstaan: gereserveerd voor de plaatselijke bridgeclub.

‘Kijk,’ knikt Nooteboom goedkeurend vanaf het tafeltje waar we naartoe verplaatst worden. ‘Elke avond rustig met wat mensen kaarten. Zo zou ik mijn oude dag ook wel willen doorbrengen.’

 

Zaterdag, 25 mei 2019


Het einde van mijn verblijf nadert al, en vandaag leer ik dat Adriaan Roland Holst één keer serieus overwoog het huis op te geven. In 1939 werd er hier tegenover een militair vliegveld aangelegd. Dat zou zijn uitzicht belemmeren en de rust verjagen, vreesde hij.

Ik weet het omdat het Nationale Bunkerdag is. Met de kinderen, die hier het weekend logeren, heb ik het bezocht, de resten van het vliegveld. ‘Ze hadden slootjes en weilanden op de landingsbanen geschilderd, als camouflage,’ vertelt een van de medewerkers. ‘En daar verderop, die boerderij, dat is eigenlijk een hangar.’ Maar het hielp niet. In de nacht van 9 op 10 mei 1940 kwamen de Duitse bommen, en bij de Nesdijk stond Roland Holst ernaar te kijken, met allerlei buurtgenoten, en ook met Eduard du Perron, die net met vrouw en kind uit Nederlands-Indië was teruggekomen en een huisje vlak achter zijn huis had betrokken. Maar na het bombardement moesten al die huizen ontruimd worden. Roland Holst en Du Perron kregen onderdak bij vrienden aan de Eeuwigelaan (de dichter was bevriend met Gisèle, de schilderende dochter des huizes). Maar Du Perron, hartpatiënt, werd het allemaal te veel, en hij stierf op 14 mei, de dag van de capitulatie.

Van links naar rechts: Slauerhoff, Roland Holst en Du Perron in Amsterdam, september 1930.

De kinderen hebben veel lol met rennen en klauteren in en om die bunkers, maar mij maakt het allemaal wat somber. Op dezelfde dag pleegde Menno ter Braak zelfmoord en een maand later verdronk Hendrik Marsman tijdens de overtocht naar Engeland. Een literaire generatie in enkele klappen weggevaagd. De somberte is weer weg als ik mijn kinderen zie badmintonnen in wat ooit die jungle in zakformaat was.

 

Vrijdag, 12 juli 2019

 

‘Mijn tweede huid zo lang al,’ noemde hij het huis met de rietkap zelf. Voor mij was het maar vrij kort zo’n tweede huid, cadeau gekregen, te leen. De afgelopen weken heb ik er wel twee keer van gedroomd.

Eén keer droomde ik dat ik er de sleutels nog van op zak had, en met wat vrienden er stiekem langs ging, Edwin en Arjen, om wijn te drinken, tot diep in de nacht. Het was het soort avond dat er in het verleden ook gegeven moet zijn. Totdat we ineens een stem uit de geluidsinstallatie hoorden, furieus: een dichter, een jonge knul nog maar, huurde het deze maand, en hij kon niet slapen van onze herrie.

De tweede keer was de droom bijna precies hetzelfde. Alleen kwam nu de dichter naar beneden. Even keek hij verbaasd, maar al gauw dronk hij met ons mee.

Van links naar rechts: Edwin Fagel, Cees Nooteboom en Christaan Weijts, 2019.