Hij wist wat hij zag – in memoriam Eddy Posthuma de Boer

Van schrijversacties op de Dam, fameuze avondjes bij de familie Hoornik, uitreikingen van literaire prijzen – Eddy Posthuma de Boer (1931-2021) was erbij en legde de momenten voor het nageslacht vast. Het Literatuurmuseum heeft een grote collectie van zijn werk, dat een kleine zeven decennia omvat. 

 

Posthuma de Boer volgde zijn opleiding aan de Fotovakschool in Amsterdam. Hij was een kind van de zwart-witfotografie, dat jarenlang ogenschijnlijk banale stadsscènes vastlegde. Vrouwen in jarenvijftigkleren voor etalages waar we nu gapend aan voorbij zouden lopen. Een plassend kind te midden van voorbijgangers. Twee dalmatiërs op een zebrapad, nerveus rondkijkend, terwijl we van de eigenaresse alleen de plooien van haar jas zien.

 

Een fotograaf met oog voor detail, dat komt vaker voor, maar met dat detail wist Posthuma de Boer vaak de tijdgeest ‘te vangen’, ook op minder statische ogenblikken. Het hilarische bezoek van The Beatles aan Amsterdam is een goed voorbeeld, tijdens een boottocht door de grachten maakten de groepsleden ook voortdurend foto’s van hem, de fotograaf. Ik geloof niet dat hij ze ooit te zien heeft gekregen.

 

Mies Bouhuys en Ed. Hoornik tijdens het Boekenbal, 1965. Foto: Eddy Posthuma de Boer

 

 

Naam kreeg hij zeker ook tijdens de studenten- en arbeidersonlusten in Parijs 1968. Het hilarische, het gevaarlijke, het turbulente van die dagen van de Parijse beroerte legde hij voor veel kranten en tijdschriften vast. Te midden van de belegeringen en gevechten bleef hij oog houden voor dat ene ‘menselijke’ moment: een uitzinnige lach, waarin ook angst verborgen ging, of een Parijzenaar die in dat tumult stoïcijns zijn krant bleef lezen.

 

Het archief van Posthuma in zijn huis niet ver van de Amstel was immens, hij hield ervan om aan zijn foto’s te ‘werken’. Het kostte hem enige tijd om te landen in het digitale universum. Niet langer sjouwde hij met grote camera’s, maar verscheen hij op recepties en openingen met een compact digitaal toestelletje en voordat je het wist, had hij enkele foto’s van je gemaakt. ‘Kijk,’ zei hij, ‘die is niet goed en die ook niet, maar die bewaar ik’, en weg was hij. In de loop van de jaren was hij ook steeds vaker in kleur gaan fotograferen, een keuze uit dat werk verscheen in Het menselijk bestaan (2015). Een betere titel had niet als vaandel boven zijn werk kunnen wapperen.

 

 

 

Sinds het begin van zijn carrière fotografeerde Eddy Posthuma de Boer schrijvers. De Vijftigers uiteraard, maar ook een stoere Jan Cremer, een rustig schrijvende Hella S. Haasse en een uiterst neutraal in de lens kijkende Maria Dermoût, die zich maar zelden liet fotograferen. In 2005 organiseerde het Literatuurmuseum (toen nog Letterkundig Museum) een tentoonstelling van schrijversportretten van vader Eddy en dochter Tessa Posthuma de Boer. Het was een strak ingerichte expositie; tegen een witte wand hingen de portretten van diverse generaties auteurs. De foto’s werden gebundeld in 222 schrijvers.

 

Een groot deel van Eddy’s foto’s schonk hij later aan het museum. Heel vaak hebben we in de loop van de jaren voor exposities en uitgaven zoals de schrijversprentenboeken een beroep op hem gedaan. Als je hem belde, hoorde je hem eerst op montere wijze zijn achternaam zeggen, dan een ‘wat leuk dat je belt’ en ja natuurlijk had hij foto’s van de gevraagde auteur in zijn archief. ‘Ik moet wel even zoeken.’ Dat zoeken duurde, uiterst georganiseerd als hij was, hooguit een paar uur.

 

Schrijversportretten zijn er genoeg. In Duitsland maakte Isolde Ohlbaum er naam mee, gestileerd, strenge foto’s zijn het, die na de nodige voorbereidingstijd gemaakt werden. Vaak hebben de auteurs een veer  of pen in de hand, of staan ze voor een boekenkast. Voor NRC Handelsblad maakte Philip Mechanicus in de jaren zeventig en tachtig eveneens zeer geposeerde foto’s die bij grote recensies van net verschenen boeken verschenen. Later vertelde een schrijver dat hij een dag spierpijn had gehad door de onnatuurlijke pose die hij had moeten innemen. De portretten van Posthuma de Boer zijn daarmee vergeleken uitermate naturel, en juist daarom veelzeggend. Nu ik na zijn dood op 25 juli talloze foto’s opnieuw bekijk, zie ik hoe meesterlijk persoonlijk hij schrijvers wist vast te leggen, alsof hij net een wandelingetje met ze had gemaakt. Dat zal zeker ook wel zijn gebeurd en praten, praten deed hij altijd tegen zijn ‘slachtoffers’, waardoor zij de kans niet kregen om een pose aan te nemen. Zelfs iemand als Gerrit Kouwenaar staat schalks in de camera te kijken, ongetwijfeld na een Witz van Eddy.

 

 

Cees Nooteboom, 1971. Foto: Eddy Posthuma de Boer

 

 

Jarenlang maakte Posthuma de Boer reizen met Cees Nooteboom voor het toen toonaangevende magazine Avenue. Die tochten hebben de nodige anekdotes opgeleverd. Zo kreeg Nooteboom na het tonen van zijn perskaart een kakelende douaneambtenaar tegenover zich, die behalve Avenue, ook de Donald Duck op de perskaart had zien staan. Nadat hij een zeer plechtige foto van zijn vriend Nooteboom had gemaakt, zei Eddy, monkelend van pret, zoals hij vaak was; ‘Kijk de ambassadeur van Paraguay in Uruguay!’

 

Zoals literatuurhistorici stromingen en generatiewisselingen beschrijven, zo heeft Eddy Posthuma de Boer op een onnadrukkelijk aanwezige manier generaties niet in woorden, maar in beelden vastgelegd. Wie kent niet de foto’s van toen nog G.K. van het Reve in Huize ’t Gras in Friesland te midden van een complete brocante uitstalling voor de covers van herdrukken van Op weg naar het einde en Nader tot u? Die beelden zijn klassiek geworden, evenals veel andere. Eddy Posthuma was niet alleen een erg aardige man, maar ook een wijze.


Hij wist wat hij zag.

 

Gerard Reve, 1968. Foto: Eddy Posthuma de Boer

 

 

Foto bovenaan: Zelfportret van Eddy en Tessa Posthuma de Boer