‘Komt gauw en viert Carnaval, viert Carnaval... voor het te laat is!!!’ Het carnavalspak van Louis Couperus

Roman Helinski bekijkt in het Literatuurmuseum het roze carnavalspak van Louis Couperus, waarin de beroemde schrijver tijdens het carnaval van Nice in 1910 danste, flirtte en flaneerde tot de vonken en de confetti eraf vlogen.

 

Een opvallend geheel is het, het satijnen roze pak dat voor me over een paspop hangt. Een zalmroze gilet, met daaroverheen een crèmeroze colbert met zwarte strikken aan de mouwen. Ik sta in de rekwisietenruimte van het Literatuurmuseum, en laat mijn hand over de stof van het colbert glijden. Het is zacht, kwetsbaar en morsig.  

 

 

Zacht, kwetsbaar en morsig, het carnavalspak van Louis Couperus met vlekken op de revers. Collectie: Literatuurmuseum

 

 

Geen verrassing, want dit is het pak waarin Louis Couperus een dikke honderd jaar geleden carnaval heeft gevierd te Nice. Een verzengend feest dat weken duurt, waarmee Couperus in 1902 voor het eerst in aanraking komt. In zijn bundel De zwaluwen neêr gestreken uit 1911 schrijft hij over ‘de schitterende dwaasheid van Nice’. Tien jaar wonen Couperus en zijn vrouw Elisabeth in de Franse havenstad. In de bundel schrijft hij over die stad:  

 

 

Zij ligt, wit en weelderig, een witte stad van weelde, tegen hare heuvels aan, als een blanke sultane, en achter haar profileeren het Estérel-gebergte en de Maritieme Alpen, het eerste met breed gehouwen en zwaar weg gehakte kontoeren, de andere met molligere, golvende lijnen, en schijnen achter haar de blauwe en purpermauve schermen, waar tegen zij aanligt op hare bloem-overstrooide heuvelkussens, de groene palmen van hare losse haren steeds uitgeschud, als in een dolle belofte van wellust. 

 

Louis Couperus sleurt zijn lezer aan de arm mee door de straten van Nice. Hij toont het bruisende, zonnige leven, gaat je voor over de promenade aan zee. Maar het absolute hoogtepunt in zijn stadsbeschrijving wordt gevormd door de pagina’s die hij aan het carnaval wijdt:  

 

 

 (...) het Carnaval, die unique feestweek van Nice, die dolle, korte regeering van koning Dwaasheid met den belletjesrinkelenden narrestaf in de hand, en de schelletjesklinkelende zotskap op: het Carnaval, dat elders overal dood is of stervende, maar alleen hier bij ons in Nice zoo dol en zoo schitterend zich nog staande houdt (...) 

 

Hoewel zelf geboren en getogen in Limburg, heb ik nooit carnaval liefgehad. Elk jaar herhaalde zich hetzelfde ritueel: mijn verklede vrienden trokken langs mijn huis. Cowboys klopten op het raam, piraten klepperden met de brievenbus, clowns klommen over het hek en soldaten loerden door de achterdeur naar binnen. En ik lag op de grond, achter de bank. Uit het zicht te wachten tot ze afdropen. Moed verzamelde ik voor de Zondagse optocht, een familie-uitstapje. De praalwagens, de weinig subtiele grappen, het alaaf van en voor iedereen. Wanneer een act te dichtbij kwam, schoof ik achter het toekijkende publiek; buiten schot van de carnavaleske humor. Couperus had – zo blijkt uit zijn beschrijving – een heel andere relatie met het fenomeen:  

 

 

Er is een agitatie, reeds in de maand Januari – de eerste maand van het volle seizoen – een agitatie, waaraan het heel moeilijk is zich te onttrekken. Je ontmoet op straat je kennissen, en zij vragen je: 

 

– Denk je dezen keer weêr meê te doen aan het Carnaval? 

 

En dan zeg je, omdat je nog niet heelemaal in de stemming bent: 

 

– Nu...ik denk waarlijk, dat ik dit jaar heusch niet meer meê doe aan al die dolheid: ik heb het al zoo dikwijls gedaan. 

 

Zoo heb je gezegd in Januari, maar...aan den blauwen horizon rinkelen en tinkelen de belletjes en schelletjes heller en scheller en...is Koning Carnaval weêr zijn goede stad Nice binnengetogen...dan bestel je, gauw-gauw, je kostumes en...je doet weêr meê aan al die dolheid, want er is geen ontkomen aan: het is een dronkenschap, die zich van je meester maakt, maar een gezonde dronkenschap, een dronkenschap van vroolijkheid en luchtige lichtzinnigheid, die je een oogenblik – neen langer – die je gedurende veértien dagen je zorgen doet vergeten, die je doet lachen als een kind, doet hossen als een jongen, die den verlegene brutaal maakt, en den deftige heél los, die vele, zoo niet àlle banden, van ‘fatsoen’ doet slaken, zoo dat je herademt, omdat waarlijk in ons gewone leven het ‘fatsoen’ ons wel eens heel nauw in vele, vele banden knelt... 

 

 

‘Het is een dronkenschap, die zich van je meester maakt, maar een gezonde dronkenschap, een dronkenschap van vroolijkheid en luchtige lichtzinnigheid’

 

 

En dan breekt februari aan, het carnaval begint. Couperus beschrijft de intocht via de Avenue de la Gare; ‘de immense gaanderij van een tooverpaleis’. Onder het toegestroomde publiek heerst nog niet de ‘Carnavaleske dolheid (…) we hossen nog niet en we dringen nog niet.’ Pas de volgende dag verschijnt Couperus uitgedost op het defilé:  

 

 

Langs den weg, – veel volk ter weêrszijde geschaard, om het defilé te zien – gaan wij in een gezellig dicht groepje van vrienden, allen gecostumeerd en met confetti gewapend, en wij slingeren onze confetti uit, rechts en links, en als wij terug overwemeld worden met de roze en groene en paarsche en blauwe papieren dubbeltjes, roepen wij den jovialen klassieken uitroep weêr: 

 

– Merci! Merci bien! Encore! Encore! Toujours! Continuez! 

 

Een stukje loopt Couperus mee in het defilé, maar niet te lang.  

 

 

(…) wij blijven zoo niet den heelen middag loopen, hoor! Want ten eerste willen wij onze dol- en dwaasheden telkens variëeren, en ten tweede hebben wij dorst. Wij begeven ons dus hossende tusschen en door al dat dolle en dwaze volk van Carnaval – en let eens even op hoe aardig en vroolijk en nooit ruw, hoewel heel vrij, het volk van Nice zich toch betoont – wij begeven ons dus, zeg ik, naar Vogade, het koekenpaleis.  

 

 

Encore! Encore! Toujours! Roze satijnen broek bij het pak van Couperus. Collectie: Literatuurmuseum

 

 

Jaar na jaar bezoekt de schrijver het carnaval. In De zwaluwen neêr gestreken smelten die ervaringen samen tot één fraai stuk over het fenomeen. Hoe hij verkleed gaat tijdens het defilé en in welke kleding hij het koekenpaleis binnentreedt, laat hij aan de verbeelding over. Het roze pak hangt nog thuis in de kast, fris en gewassen, nog niet schraal van zweet en drank. Couperus houdt het nog even fraai, want hij moet eerst langs de Vogade, waar het een broeierige bedoening blijkt te zijn:  

 

 

Wij gaan naar Vogade, waar we anders, elegant en fashionable, thee drinken om vijf uur. We zullen er nu champagne bestellen. (...) Wees niet wanhopig als ge niet dadelijk een vrij tafeltje ziet! Een vrij tafeltje! Maar dat bestaat niet! Kom maar met mij meê: al dwaas en dol doende, hier complimentjes makende, daar eeden zwerende van eeuwige Carnavals-liefde, dringen wij ons door de tjopvolle menigte, die de nauwe gangetjes tusschen de tafeltjes vult. Bedenk, dat we gekostumeerd zijn, en dat je je in een clown of een domino heel anders voelt dan in je gewoon pakje of in je gewone japonnetje. We dringen ons dus, beleefd maar dwaas en dol, niet ruw, maar toch heel Carnavalesk opdringerig, en zien we een stoel vrij bij een anders genomen tafeltje, dan gaan we daarop zitten, de een op den schoot van den ander, of we gaan zitten òp het tafeltje, of op de punten van anderer stoelen, bijna altijd twee op een stoel, met onze armen om meer of minder slanke leesten van dicht verhulde domino’s. 

 

Prachtig beeld: Louis Couperus die zichzelf verliest in het carnaval, omdat hij zich ‘in een clown of een domino’ heel anders voelt, carnavalesk opdringerig. Wat moet dat een jaloersmakend gevoel zijn geweest, die waas van carnavalsliefde en alcohol, waarin hij letterlijk transformeert in iemand anders.

 

 

(…) vrienden, ge hebt goed gedaan, heusch goed, met u te kostumeeren, want als ge alleen maar uw rok had aangedost, en uwe dames een lage baljapon – het geen veroorloofd is – dan zoudt ge u waarlijk niet amuzeeren. Nu, in domino en in clownspak, amuzeeren we ons als dollen, praten, lachen en dansen met iedereen, intrigeeren iedereen, flirten met alle maskers, die met ons wel flirten willen en laten ons heusch niet aan elkander eerst voorstellen. De maskers met hunne pervers gespleten ooggaten, waardoor schelms de oogen schitteren, geheimvol en ondeugend, geven een vreemde bekoring aan de vrouwen, die, weg gedoken in hare capuchons en omhuld in hare domino’s, er achter veilig zijn als achter een fluweelen wal: een wal, van waar achter zij ons, heeren der schepping, attaqueeren met haar geest en haar vroolijkheid. 

 


‘Nu, in domino en in clownspak, amuzeeren we ons als dollen, praten, lachen en dansen met iedereen, intrigeeren iedereen, flirten met alle maskers, die met ons wel flirten willen’

 

 

Eén keer lukte het mij in Limburg om tijdens carnaval in een roes te komen. Carnaval op de voetbalclub. Een gymzaal vol verklede lui; zelf ging ik als een nozem, het haar te lang en te wild. Onze aanvoerder Robbie, als olifant, raaskalde ten overstaan van de bezoekers. Hij riep dat uit de fontein op het marktplein van ons dorp voortaan bier moest stromen. Alaaf! Gierend gelach, geloei van de vaders, gejoel van de moeders, de voorzitter en de trainer tolden al op hun benen. Robbie riep: ‘Vanaf morgen moet uit de douches op de club goud bier stromen!’ Meer gejuich, meer alaaf. Om de feestvreugde bij te blijven, dronk ik heel snel heel veel. Glazen bier vlogen over me heen, ik danste, zoende een meisje, danste nog meer, dronk nog meer, riep alaaf tegen iedereen en niemand, leunde tegen een muur die er niet was en viel midden in de zaal op mijn rug, werd door vrienden opgetild, een luchtje scheppen buiten, weer naar binnen, hossend, zingend, alaaf, bier, hetzelfde meisje dat me afwees, meer bier en toen weer gestrekt op de grond…

 

Ik geloof niet dat ik die nacht carnaval doorgrondde, ik was gewoon dronken. Hoe anders beleef ik zo’n feest dan Couperus in Nice, die echt genoegen schept in de transformatie in een ander karakter, in de omkering van de machtsverhouding waarin aan de oorsprong van carnaval ligt. Het volk is voor korte tijd de baas in de stad.

 

 

Wapen je met confetti...Wij rijden spoedig de verlichte eerebogen van de Avenue de la Gare door, achter de karren en wagens. De cavalcades en analcades omringen ons. De confetti wemelen over onze hoofden. Uit sommige chique restauraties worden fortuinen van confetti naar beneden gewemeld, van eén zelfde kleur... (…) Wees overtuigd, dat wie zóó mild zijn met hun confetti, uit de ramen van een chique restaurant, voor duizenden dien avond aan confetti verspillen! Wat doet het er toe!

 

 

Roze met zwart, zwart fladderende strik... De voorgeschreven kleuren van het slotbal van het carnaval in Nice in 1910. Collectie: Literatuurmuseum

 

 

Dan is het eindelijk tijd voor Het Roze Pak, speciaal opzijgelegd voor deze editie van De Redoute, het slotbal. Volgens de schrijver ‘waarlijk een der allerschitterendste feesten, die ik ooit, en wáar ook, gezien heb’. Couperus en vrienden kleden zich vorstelijk, in de voorgeschreven kleuren. ‘Roze met zwart, zwart fladderende strik op den schouder.’

 

Toen ik het pak in het Literatuurmuseum zag, kon ik me voorstellen dat de beroemde schrijver er opgelaten in heeft rondgelopen, omdat ik mezelf opgelaten zou voelen wanneer ik het zou dragen. Ik zou de hele tijd denken: ik draag een Roze Pak, ik draag een Roze Pak. Maar nee, Couperus heeft erin geflaneerd tot de vonken en de confetti eraf vlogen.  

 

 

De geheele zaal is versierd en electriesch verlicht in deze kleuren, en niemand wordt toegelaten, tenzij gekostumeerd in die kleuren. .(...) roze met zwart, zwarte fladderende strik op den schouder.

 

Stel u nu voor die immense zaal, versierd in die twee kleuren; die immense menigte, gekostumeerd in die twee kleuren: eéne spiegeling van het zelfde satijn – want ‘zijde’ en ‘satijn’ zijn vóórgeschreven – en over die spiegeling het gesparkel der gouden en zilveren loovers, en al de juweelen, waarmeê de kostumen versierd zijn, en ge kunt u zeker begrijpen, dat de Redoute een feest is, zoo somptueus en zoo schitterend en smaak vol als ge waarlijk nergens anders ziet.  

 

Na dit hoogtepunt zit het Carnaval in Nice er zowat op. Net als Couperus’ tijd in Nice, dat hij in 1910 verlaat. Hoewel het carnaval er nog steeds jaarlijks wordt gevierd, op een onderbreking omwille van corona na, is Couperus aan het einde van zijn verhaal pessimistisch gestemd over de toekomst van het feest: 

 

 

Het is gedaan! Carnaval heeft zijn ziel van dwaasheid geslaakt en alleen een maand daarna herdenken wij hem nog even… (…) Het Carnaval is uniek van dwaasheid en dolheid en pracht en vroolijkheid maar...ieder jaar verliest het al iets van zijn kwaliteiten: de menschheid is zoo heel ernstig en de tijden zijn zoo moeilijk... (...)

 

Komt gauw en viert Carnaval, viert Carnaval...voor het te laat is!!!

 

 

Lees Couperus’ verslag van het carnaval in Nice uit De zwaluwen neêr gestreken in zijn geheel op de dbnl.