Wie een vissenmasker opzet, wordt een vis

Het vissenmasker van F. Starik blijft Nikki Dekker bezighouden. Na haar onderzoek naar Stariks liefde voor vissen verdiept zij zich in de betekenis van het masker als gereedschap. De drager kan een dier belichamen, beleven hoe het is om een ander wezen te zijn, en een andere rol in de wereld aannemen. Ook voor voor F. Starik bood het masker de mogelijkheid om in het lichaam van de vis te kruipen en zijn eigen identiteit even te ontstijgen.

F. Starik: ‘Mijn hobby is aquariumhouden’

 

In 2019 woonde ik bij toeval een concert bij van de Mexicaanse La Bruja de Texcoco. Nog voor het optreden begon, zette de zangeres een jaguarmasker op, nam een hijs van een sigaret, en blies de rook door de mondopening. In de korte stilte sloeg de sfeer om, stonden we niet langer in een concertzaal, maar in een oerwoud. Het was een openbaring. 

 

Die week kocht ikzelf verschillende maskers: een oogmasker dat uit kleine spiegels bestaat, een pestmasker en een plastic maan. Ik had er geen concreet plan bij, maar ik wist dat ze me zouden helpen om het podium op te gaan. Iets wat me anders maakte, iets waardoor direct duidelijk was: dit ben ik niet, dit is de Kunstenaar. 

 

Het is al moeilijk genoeg om je als schrijver een houding te geven achter een microfoon. Je hebt de tekst geschreven, daarmee zou de kous af moeten zijn. Sommige schrijvers kunnen best aardig voorlezen, maar we zijn geen acteurs, we bespelen geen instrumenten en kunnen niet zingen. Waarom zou de spotlight zich op ons richten? Wat moeten we met die volle zaal? 

 

 

F. Starik kleedde zich graag als een personage, als gesamtkunstwerk

 

F. Starik was een kunstenaar in iedere zin van het woord: hij was zanger en fotograaf, schreef gedichten en proza, maakte collages en schoolvoorstellingen. Zijn hele leven werd een kunstwerk (niet voor niets heet zijn briefroman uit 1993 Mijn leven als museum). Hielp het masker hem? Zette het een knop in hem om, waardoor hij de vis werd?

 

‘Hij kleedde zich graag als een personage, als gesamtkunstwerk,’ vertelt zijn partner, Vrouwkje Tuinman. ‘Hij had allerlei verschillende pakken, in zoveel kleuren en motieven, en elk hoorde weer bij een ander project. Er waren veel optredens, en elk optreden behoefde het perfecte kostuum. Dat ging niet alleen over kledingstukken trouwens, het ging ook over zonnebrillen, of een priesteroverhemd, of een glimmend joggingpak. Dat was dan voor een bepaalde voorstelling, of het paste bij een dichtbundel.’

 

Dat Starik het vissenmasker na jaren weer had opgezet voor het Boekenbal in 2009 was puur toeval, ingegeven door het thema van dat jaar, ‘Tjielp Tjielp – De literaire zoo’. Het masker lag er nog, en zo had hij zijn outfit al klaar. Het grootste deel van de avond stond de vis parmantig recht op zijn achterhoofd, als een hoge hoed. Alleen op de rode loper droeg hij het over zijn gezicht, waardoor hij effectief blind was, en door Vrouwkje moest worden geleid als door een blindengeleidehond. Dat Starik daardoor anoniem zijn entree deed, was waarschijnlijk een leuke bonus.

 

 

 

De afgelopen jaren heb ik weinig met mijn maskers gedaan, maar ik heb ze nog altijd. Als ik naar ze kijk, zie ik de mogelijkheid van een ander leven, al is het maar voor even. Een jaar geleden was ik in Mexico-Stad en bezocht ieder zogenaamd ‘museum van populaire cultuur’: verzamelingen van alledaagse toegepaste kunst, zoals beschilderde pannen en borden, geborduurde kledingstukken en tapijten, beeldjes, prullaria en ook: maskers. Op mijn telefoon staan tientallen foto’s van maskers: maskers van ratten, krokodillen, zeemeerminnen, jaguars, hanen, duivels, draken, vissen en varkens.

 

Deze maskers zijn niet bedoeld als kunstwerk voor aan de muur, maar als gereedschap: de drager kan het dier belichamen, beleven hoe het is om een ander wezen te zijn, en, voor even, een andere rol in de wereld aannemen. Wie een masker opzet, ontstijgt het persoonlijke en de grenzen van haar benauwende cultuur. Wie een vissenmasker opzet, wordt een vis. Wie het masker van een kunstenaar draagt, wordt een kunstwerk.

 

En welke Starik was de echte Starik: degene op het podium, degene die zijn dode vis op een kruk legde en de maden filmde, degene die brieven schreef om geld aan te vragen, of degene die als hobby vissen hield? 

 

 

Welke Starik was de echte Starik: degene op het podium, degene die zijn dode vis op een kruk legde en de maden filmde, degene die brieven schreef om geld aan te vragen, of degene die als hobby vissen hield? 

 

Het antwoord is natuurlijk: Starik. Starik maakte zijn leven tot kunst, maar tegelijkertijd hadden al die artistieke beslissingen, die hij voor zijn kunst nam, een weerslag op zijn persoonlijke leven. Neem alleen al het pseudoniem dat hij zich had aangemeten (Starik werd geboren als Frank von der Möhlen.) ‘Als je hem belde,’ vertelt Vrouwkje, ‘nam hij op als Starik. Ook privé.’ De maskers die we dragen laten een indruk achter op ons gezicht.

 

Uit al zijn werk blijkt een preoccupatie met identiteit. Starik werkte in vele genres, sterker nog: tot aan de eeuwwisseling was hij vooral beeldend kunstenaar, het schrijven kwam daarna pas. Ook in dat beeldende werk duikt zijn gezicht op. In de jaren tachtig produceerde Starik reeksen waarbij hij zijn gelaat als doek gebruikte, en foto’s projecteerde op zijn eigen gezicht, of juist zijn gezicht op papieren vormpjes projecteerde. In zijn tijd aan de Rijksacademie maakte hij een installatie, My Life as Cindy Sherman, met honderden van zijn eigen portretfoto’s, in zilveren lijstjes, opgesteld op een glanzende zilvergrijze lap.

 

 

En, misschien wel de overtreffende trap van het thema identiteit: in 1992 opende hij zijn eigen Starik Museum. Toegang kostte vijfentwintig gulden, maar dat was inclusief een kroket uit de snackbar die onder het museum, op de Rozengracht in Amsterdam, gevestigd was. Het Starik Museum leverde commentaar op de individualistische maatschappij, waarin het Ik zo ontzettend belangrijk is geworden, maar bracht tegelijkertijd een ode aan datzelfde ik, dat leeft, en zolang het leeft zegeviert over de dood.

 

‘Het museum’, schrijft Starik, ‘dient opgevat als een Teken. Als een teken dat je moet doen wat je wil en dat je mag zijn wie je bent. De functie van het museum ligt echter niet in zijn megalomane ijdelheid doch juist in de erkenning van de angst om te verdwijnen.’ Op de vierde verdieping was een zaal ingericht vol foto’s van hemzelf en zijn overleden vader — maar die tentoonstelling viel enkel te bekijken door het sleutelgat. Het museum thematiseerde blootstelling en afscherming: er was maar een beperkt aantal openingsdagen, en na anderhalf jaar sloot het museum weer. 

 

Later schreef Starik Mijn leven als museum, en na zijn dood maakte Vrouwkje Tuinman samen met Andrea Stultiens het boek Leven als museum en een bijpassende tentoonstelling, Eeuwig in aanbouw. Starik is overleden, maar Starik leeft voort, niet dankzij zijn maskers, maar in zijn maskers. In de gedaantes die hij heeft aangenomen en achtergelaten.