Surinaamse schrijvers

De weg naar een onafhankelijke literatuur

Lees intro

Surinaamse schrijvers als Anton de Kom, Albert Helman, Rudie van Lier, Trefossa en Bea Vianen hebben in de twintigste eeuw een krachtig literair geluid laten horen. Pas de laatste jaren is zichtbaar geworden hoeveel ze hiermee hebben betekend voor de onafhankelijkheid van hun land. Deze online tentoonstelling zoomt in op vijf schrijvers die hun tijd ver vooruit waren.

 

In 2020 werd gevierd dat Suriname 45 jaar onafhankelijk was. In de aanloop naar dat jaar was er een grote tentoonstelling over Suriname in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, en er waren voorstellingen, boeken en bijeenkomsten. Er was veel aandacht voor Surinaamse geschiedenis en literatuur, wat nog het duidelijkst werd bekrachtigd door het feit dat Anton de Kom een plek kreeg in de officiële Canon van Nederland. Aan de hand van zijn verhaal wordt het onderwerp ‘Strijd tegen racisme en kolonialisme’ behandeld.

De gedachte ontstond dat er meer verhalen zoals dat van De Kom verteld zouden mogen worden. Literaire werken en persoonlijke aanknopingspunten die meer leren over de rijke cultuur en de getroebleerde geschiedenis van Nederland en Suriname. Het Nationaal Archief Suriname, de Universiteit Leiden, The Black Archives, het Koninklijk Instituut van Taal-, Land- en Volkenkunde, de Hogeschool Rotterdam en het Literatuurmuseum zijn met steun van het Mondriaanfonds een samenwerking aangegaan. Deze online tentoonstelling is een van de resultaten van deze samenwerking. 

Het was de bedoeling om twee historici/letterkundigen uit beide landen onderzoek te laten doen naar een gedeelde literaire geschiedenis, en naar de collecties van Surinaamse schrijvers in zowel het Literatuurmuseum als dat van het Surinaams archief, en die in samenhang tentoon te stellen. 

Het liep iets anders: covid-19 maakte die uitwisseling van onderzoekers onmogelijk, en noodzakelijkerwijs bleven de onderzoekers ‘thuis’. Dat wil zeggen: Tanya Sitaram deed onderzoek in het Nationaal Archief Suriname te Paramaribo, Thalia Ostendorf in het Literatuurmuseum in Den Haag. 

Uit de persoonlijke geschiedenissen en de werken van Surinaamse schrijvers blijkt hoe krachtig en rijkgeschakeerd het land van herkomst is. Deze schrijvers waren hun tijd vooruit en wat ze betekenden voor de onafhankelijkheid van hun land, is iets wat pas de laatste jaren voor een groter publiek zichtbaar is gemaakt. Daarvan is deze tentoonstelling een eerste getuigenis.

Achter de schermen


Thalia Ostendorf deed in het Literatuurmuseum onderzoek naar Anton de Kom, Bea Vianen, Albert Helman en Rudie van Lier. Bekijk in deze video wat ze zoal aantrof.

 

Scroll verder

Een nieuw land

 

‘Een klein, vergeten hoekje van Zuid-Amerika’ noemt Albert Helman zijn moederland in Zuid-Zuid-West (1926). Het kleine boek is zijn debuut, geen roman maar een serie herinneringen, ervaringen, impressionistisch en afstandelijk tegelijk. Bespiegelingen over het land waar hij vandaan komt maar dat hij bijna niet serieus durft te nemen, want het is ‘klein, vergeten’.

Ruim vijftig jaar later, in 1978, verschijnt bij Dubois & Dubois in Paramaribo het boek A Portrait of the Republic Suriname. Het land is dan drie jaar jong; dit boek stelt de Republiek Suriname voor aan de wereld, en doet dat groots en memorabel. Het boek is rijk geïllustreerd met foto’s van historische gebeurtenissen, van toeristen, bloemen, van de plaatselijke fauna (‘A Surinam Tiger’) en van de inwoners (‘A Surinamese Beauty’).

A Portrait of the Republic Suriname, 1978

Het zijn foto’s zoals ze ook op Cuba of Haïti gemaakt hadden kunnen worden, al rijden daar meestal grote Amerikaanse auto’s rond en vallen hier vooral de Volkswagens, Renaults en Simca’s op. Het is een vrolijk en optimistisch plaatjesboek en tevens een handzame gids met praktische informatie. De bouwstenen van het nieuwe land worden geïnventariseerd: de wegen, de banken, de toeristeninformatie, het klimaat, de natuur, de kersverse diplomatieke status: een rijtje ambassades en consulaten. En een klein maar opvallend tabelletje over de handel, die enorm was toegenomen nu het land sinds enige tijd onafhankelijk was. Daarvan profiteerden bedrijven meer dan het land, maar toch: Suriname stond op de kaart. 

Ansichtkaart van Bea Vianen uit 1981 aan Reinold Kuipers

De geschiedenis van Suriname van voor de onafhankelijkheid valt te traceren tot ongeveer 10.000 voor Christus: uit die tijd stammen de vroegste archeologische vondsten die bewijzen dat er bewoning is geweest. Na duizenden jaren ‘kwamen de vreemden’, de ‘Christus-dragers’ uit Europa, wederom in de woorden van Albert Helman. Het eerste spoor van die koloniale inmenging is te zien in 1529, wanneer het gebied dat nu Suriname heet op een Portugese kaart is aangegeven. 1651 is een ander moment met betekenis, wanneer de Engelsen er een kolonie vestigen. 1674: het jaar waarin Engeland ‘Nieuw Amsterdam’ krijgt in ruil voor een deel van wat toen ‘Brits Guyana’ heette. 

Vanaf dat moment is het verhaal van Suriname voor zo’n tweehonderd jaar een geschiedenis van uitbuiting en slavernij. Voltaire portretteert in zijn satirische roman Candide (1759) een Nederlandse handelaar (‘Vanderdendut’) die de mensen die hij in Suriname tot slaaf maakt, gruwelijk mishandelt: ‘Als we tijdens het werken in de suikermolens met een vinger tussen de molenstenen raken, dan hakken ze de hand af; proberen we weg te lopen, dan hakken ze een been af. Het is mij beide overkomen. Dat is de prijs van de suiker die u eet in Europa’. Het is een van de eerste keren dat Suriname opduikt in de wereldliteratuur – in de vorm van een stevige afstraffing van Nederland.

Suriname is in die periode een wingewest voor Nederland, dat zich maatschappelijk noch cultureel bekommert om de bewoners. Zo nu en dan komen tot slaaf gemaakten in opstand, maar die wordt dan altijd met veel geweld neergeslagen door soldaten die de planters te hulp komen. 

In de loop van de achttiende eeuw groeien de bezwaren tegen de wreedheid waarmee het systeem in stand wordt gehouden. Er zijn dan enkele dominees die zich uitspreken tegen de onmenselijke behandeling van de tot slaaf gemaakten – maar dat betekent nog niet dat het systeem zelf op de schop moest; het besef dat die twee onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, komt maar langzaam. 

Een van de belangrijkste teksten die deze ontwikkeling laat zien, werd niet in het Nederlands geschreven: het is de Schotse officier John Gabriel Stedman die in zijn boek Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana (1797) opmerkt hoe wreed de behandeling van de slaven in Suriname is. Niet per se uit humanitaire overwegingen: hij was verliefd geworden op Joanna, een slaafgemaakte vrouw, met wie hij een kind kreeg. Het was zijn persoonlijk leven dat hem deed nadenken over het systeem. Ook in zijn geval overigens niet genoeg om tegen slavernij te zijn, maar toch markeerde zijn boek (waarvan al snel een Nederlandse vertaling verscheen) een begin van bewustwording. 

Pas na de officiële afschaffing van de slavernij in 1863 ontstond er ruimte voor een nationaal besef. Er was sinds 1840 al een Surinaams toneelgezelschap, Thalia, en er komt ook een boekdrukkerij. Alles concentreert zich rondom de hoofdstad, daar valt vanaf het begin van de twintigste eeuw van een echt cultureel leven en een politiek-maatschappelijk bewustzijn te spreken.  

Wie Eegie Sanie, december 1958

Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1948 wordt duidelijk dat ook de positie van Suriname als kolonie niet meer van deze tijd is. Dat besef ontstaat ook bij Surinamers in Nederland, die in 1951 de culturele vereniging Wie Eegie Sanie (‘onze eigen dingen’) oprichtten. Vanuit het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt, waar ze samenkwamen, werd onder andere gediscussieerd over het gebruik van de Surinaamse taal Sranan Tongo en de onafhankelijkheid: een ‘culturele revolutie in Amsterdam’ werd het weleens genoemd. Het gelijknamige maandblad behandelde de deconstructie van kolonialisme en pleitte voor onafhankelijkheid. Het samenbrengen en vormen van een kundige en enthousiaste nationalistische intelligentsia was het streven. 
 

Hoewel Wie Eegie Sanie nog geen twintig jaar bestond – ze gingen eind jaren zestig samen met de oudere en meer traditioneel ingestelde Vereniging Ons Suriname – is de culturele betekenis groot geweest.  

Een van de belangrijkste leden was Robin Raveles (1935-1983), die als dichter bekend werd onder de naam Dobru (letterlijk: ‘dubbel r’). Hij legde contacten met Indonesische activisten om met ze te praten over ‘het nationalistische cultuurgoed’, zoals hij het in een dagboek noteerde. Scherp doorzag hij de pogingen van Nederland om een schijn van onafhankelijkheid te bieden maar cultureel-maatschappelijk de controle te behouden. 

In 1954 werd een verdrag gesloten dat Suriname de status van zelfstandig land binnen het Koninkrijk geeft (net als de Nederlandse Antillen), maar dat kon slechts een tijdelijke stap zijn. Juist in de jaren vijftig en zestig bleek dat zelfstandig binnen het Koninkrijk geen oplossing was. In de woorden van Dobru, in een gedicht uit zijn debuutbundel Matapi (1965): 

Ik wil een hamer zijn 
om te beuken 
op conservatisme en 
kolonialisme
in naam van progressie 
en nationalisme 

Dobru in 1971. Matapi, 1965

De laatste stap werd gezet in 1975, wanneer de formele erkenning van de Republiek Suriname door Nederland als onafhankelijk land plaatsvindt. Progressie en Surinaams nationalisme winnen van conservatisme en kolonialisme.

 

Een nieuwe literatuur


De geschiedenis van de Surinaamse literatuur begint, net als die van het land, niet met de papieren sporen ervan. Er is een mondelinge overlevering die een paar duizend jaar teruggaat en die vaak religieuze of rituele wortels heeft. Hoewel die tradities nog steeds leven, blijft dit deel van de literatuurgeschiedenis ongrijpbaar voor wie op zoek gaat in de archieven van het Literatuurmuseum in Den Haag en het Nationaal Archief Suriname in Paramaribo. En dat is waar deze tentoonstelling over gaat, en dat betekent dus: grofweg over de vorige eeuw. 

Een tweede begrenzing schuilt in de taal: in Suriname zijn Sranan Tongo, Sarnami en Nederlands de grootste drie – maar in de gepubliceerde literatuur heeft het Nederlands de overhand.  

Deze beperkingen brengen met zich mee dat deze tentoonstelling een duidelijk thema heeft: het verhaal van de geschreven, twintigste-eeuwse Surinaamse literatuur is voor een deel het verhaal van de onafhankelijkheid. Literatuur is ook de spiegel van de maatschappij, en vanaf het moment dat er in Suriname over onafhankelijkheid werd nagedacht, weerspiegelt zich dat in literatuur. 

Het verhaal van deze tentoonstelling begint dus in de jaren twintig van de vorige eeuw, wanneer voor het eerst schrijvers actief zijn die hun overwegingen over de mogelijkheid van een onafhankelijk land aan papier toevertrouwen: Albert Helman, Rudie van Lier, Anton de Kom. Ze gingen alle drie naar Nederland, in Suriname was nauwelijks nog een infrastructuur om als schrijver te kunnen werken. En Suriname was tot 1954 natuurlijk nog Nederlands. Het onderwijs, de taal, het nationale bewustzijn: alle dat van Nederland. Dat betekende dat wie iets wilde veranderen, het best in Nederland kon beginnen – al zal blijken dat de motieven van de verschillende schrijvers sterk uiteenliepen. 

 

Een van de ‘zalen’ in deze online tentoonstelling gaat over Anton de Kom – hij was een van de eersten die erop wees hoe merkwaardig het was dat Surinaamse schoolkinderen les kregen over wie Michiel de Ruyter was, maar niet over Boni, Baron en Jolicoeur. Dat waren de vrijheidsstrijders die als eersten protesteerden tegen Nederlandse gouverneurs, toen slavernij haar hoogtijdagen beleefde. Deze vrijheidsstrijders zijn de peetvaders van de onafhankelijkheid. 

De Kom zocht aansluiting bij de communisten, niet in de eerste plaats vanwege de ideologie, maar omdat het de enige partij was waarin over onafhankelijkheid van koloniën kon worden gesproken.

Anton de Kom met een medehuzaar, circa 1924 (foto: familiearchief De Kom)

Een andere ‘zaal’ gaat over Rudie van Lier en Albert Helman. De een zou zich tot wetenschapper ontpoppen, de ander tot een van de bekendste romanschrijvers uit Suriname; anders dan Anton de Kom behoorden ze tot de bovenklasse in Suriname, en ze vonden ook eenvoudiger aansluiting in de Nederlandse literaire wereld dan De Kom. Hun opvattingen over onafhankelijkheid zijn interessant in hun ambivalentie. 

 

Links: Rudie van Lier in 1944 (foto: Emiel van Moerkerken). Rechts: Albert Helman in Washington, midden jaren zestig

Het duurde tot in de jaren vijftig voordat in Suriname, en dan vooral in Paramaribo, het culturele leven zelfstandiger werd – soms ook in een andere taal dan het Nederlands. Er ontstaat een Surinaamse letterkunde, waarvan Trefossa een van de grootste namen was. Hij schreef in het Sranan Tongo, en was ondubbelzinnig een schrijver van zijn eigen land, al staat daarbij ook de migrantenervaring centraal. In zekere zin trad hij in de voetsporen van Anton de Kom: hij heeft veel betekend voor het onderwijs in Suriname. 

Dat geldt ook voor Dobru: hij raakte gemotiveerd omdat hij op school strafregels kreeg als hij Sranan Tongo sprak. En net als bij Trefossa verscheen Dobru’s werk in Suriname (pas in de jaren tachtig verscheen er een bloemlezing van zijn werk bij een Nederlandse uitgeverij).

Trefossa in 1977

Nog steeds gaan Surinaamse schrijvers naar Nederland – om uitgegeven te worden en een groot lezerspubliek te vinden. Bea Vianen was de eerste Surinaamse vrouw die werd uitgegeven door een algemene Nederlandse uitgeverij. Ze had succes, maar aardde nooit helemaal. Na iets meer dan twintig jaar Nederland keert ze terug naar Suriname, dat tijdens haar afwezigheid onafhankelijk was geworden. 

Bea Vianen rond 1970

De sporen van een literatuur die, met het land, op zoek is naar onafhankelijkheid zijn soms lastig te vinden. Voor deze tentoonstelling hebben we gebruikgemaakt van archieven in Paramaribo en Den Haag. De nalatenschap van Anton de Kom werd door de familie De Kom in 2012 aan het Literatuurmuseum geschonken, waar een deel van de correspondentie met Contact, De Koms uitgever, al was.

Het grote archief van Albert Helman bevindt zich in het Literatuurmuseum. Net als het kleinere archief van Rudie van Lier: hij zou vooral als wetenschapper actief zijn en de documenten uit die periode van zijn leven bevinden zich in het Nederlandse Nationaal Archief in Den Haag. Het Nationaal Archief Suriname heeft een rijke collectie over Trefossa. En de nalatenschap van Bea Vianen (die in 2019 overleed) is nog niet integraal ondergebracht bij een archiefinstelling. Het Literatuurmuseum beheert de documenten die te maken hebben met de boeken die ze bij Querido uitgaf, en de correspondentie met het tijdschrift Avenue.

Kortom: de groeiende Surinaamse literatuur is zowel in Suriname als in Nederland te vinden. In het Literatuurmuseum ligt vooral werk dat aansluiting zoekt met Nederland en in het archief in Paramaribo vinden we meer schrijvers die bezig waren een land op te bouwen. Dat die tweeslachtigheid op literair gebied geen gespletenheid hoeft te betekenen, laat deze tentoonstelling zien.

Kies een verhaal