Brieven in tijden van afzondering 5 – ‘Denk jij dat je je schrijven ooit weer zo belangrijk gaat vinden als vroeger?’

Roman Helinski en Thomas Heerma van Voss lezen na Vestdijks droge brieven aan Ans Koster, de liefdesbrieven die hij kort na de oorlog schreef aan zijn minnares, de schrijfster Henriëtte van Eyk. ‘Wat een dominante ploert toont Vestdijk zich; alles moet zich plooien naar hem, zodat hij kan schrijven. Hoe gaat dat bij jou als je een relatie hebt?’

 

(Lees hier alle voorgaande brieven.)

5 mei 2020, Amsterdam

Dag Roman,


Daar ben ik alweer. Ik las verder in de brieven van Vestdijk en merk dat ze in mijn hoofd blijven zitten. Zoals we al benoemden hebben Vestdijks brieven een erg zakelijke toon, die opvalt omdat hij zich tot zijn geliefde richt – toch houdt hij het vooral bij feitelijkheden, bij welke etenswaren hij wil dat zijn Ans hem per post toestuurt. De oorlog speelt amper een rol, los van de brieven lijkt Vestdijks schrijverij nauwelijks te bestaan.

En juist daarom intrigeerde dit onderdeel van zijn correspondentie me in toenemende mate. Wie die brieven van Vestdijk achter elkaar leest, kan daar een enorme rij boodschappenlijstjes uit destilleren, of een summier verhaal over zijn leven in afzondering tijdens oorlogstijd. Maar uit Vestdijks brieven valt evenzeer een verhaal te vormen dat draait om iemand die, terwijl de buitenwereld rommelt en knettert, steeds meer stilvalt en steeds minder op papier krijgt, die zich afzondert en behalve zijn zakelijke correspondentie nagenoeg niets meer produceert.

Op 23 mei 1942 schrijft Vestdijk nog hoopvol over zijn plannen voor romans en andere projecten: ‘Ik ben druk aan het werk en heb in de theaterzaal, die als leeszaal is ingericht, eindelijk een rustig plekje kunnen vinden, al is het natuurlijk niet zoo rustig als Parklaan 6, achterkamertje boven!’

Op 15 september – niet lang nadat vier mensen in het kamp zijn geëxecuteerd als vergelding voor een mislukte aanslag van verzetsstrijders, de sfeer werd kortom bedrukter en gevaarlijker – schrijft Vestdijk dat hij alleen af en toe bezig is met sonnetten, meer niet: ‘Het is een groote troost; voor proza schrijven heb ik niet de minste neiging.’ Kort daarop schrijft hij in een brief aan Ans dat hij vooral bezig is met de woorden van anderen – hij vertaalt het enige Engelse boek dat hij in handen kan krijgen. (‘Zou je ook aan Uitgeverij Contact, Prinsengracht 795, Amsterdam, willen schrijven. “Z.G. Heer De Neve. De Heer Vestdijk vraagt, of het goed is, dat hij in plaats van Robinson Crusoe voorloopig Le Grand Meaulnes, van Alain Fournier, vertaalt, daar hij geen Engelsche boeken ontvangen mag.”’)

En op 24 november, ten slotte, dus bijna op de dag af een halfjaar na zijn optimistische bericht over werkplannen, schrijft hij dat hij genoeg papier voorhanden heeft en stelt vervolgens: ‘Critieken schrijf ik maar liever niet, voorloopig. Als ik geen andere dingen schrijven kan, dan dit ook niet.’

Zulke zinnetjes – en veel meer dan terloopse opmerkingen wijdt Vestdijk niet aan zijn schrijven, alsof hij zich er een beetje voor schaamt – vallen natuurlijk extra op omdat hij de reputatie van veelschrijver heeft gekregen; niemand kende Vestdijk als ploeterende auteur die niet uit zijn woorden kwam.

Roman, als jij denkt aan deze lockdownperiode, als jij terugblikkend jouw verhaal van deze periode maakt of als iemand ooit de moeite neemt een geschiedenis te schrijven over Roman Helinski tijdens corona, wat denk je dat ze dan zullen zeggen over je werk? Wij hebben het al wel over je boek-in-wording en je huidige leefritme gehad, maar slechts zijdelings, en vooral toen we nog overvallen werden door alle bruuske wendingen in onze levens, het vreemde van de nieuwe toestand. Nu is de lockdown zeven weken gaande; schrijf je – los van deze brieven – meer of minder dan aan het begin? Kijk je anders naar je werk dan pre-corona?

Het voelt gek, nogal egocentrisch om zulke vragen te stellen terwijl er zo’n crisis heerst – vermoedelijk gingen we het gesprek hierover daarom eerder uit de weg – maar ik vind het ook oneerlijk om hier te midden van die duizenden woorden die we over en weer sturen helemaal niet naar te vragen. Ik weet hoe belangrijk je werk voor jou is. Ik ken je nu bijna tien jaar, en als ik je onder gewone omstandigheden vraag hoe het gaat, begin je altijd over schrijven: de verhalen die nog maar half op papier staan, het boek waaraan je werkt, de gistende ideeën waarvoor je nog de juiste vorm zoekt. Denk jij dat je je schrijven ooit weer echt zo belangrijk gaat vinden als vroeger? Verandert deze crisis je blik op je fictie, op fictie in het algemeen misschien wel, vraag je je af of je je straks nog net zo bevlogen over verzonnen levens zal buigen als vroeger?

Deze vragen ho­uden mij in toenemende mate bezig. Ook omdat ik er bij mezelf maar geen helder antwoord op krijg. Ik schrijf, maar krijg minder gedaan dan gebruikelijk – terwijl mijn agenda eindeloos veel leger is. Eerst dacht ik dat mijn gebrekkige concentratie door het permanente nieuws kwam, maar ook nu dat nieuws niet meer voortdurend om aandacht vraagt, schrijf ik weinig doelgericht. Af en toe redigeer ik oude korte verhalen van mezelf, met het oog op een bundel waarvan ik geen idee heb in welk jaar die zal verschijnen. Mijn gedachten dwalen als ik typ regelmatig af naar mijn laatste boek, dat betrekkelijk kort voor de coronacrisis verscheen en waaromheen zoveel optredens zijn afgezegd; naar de boekhandels waar tegenwoordig al die onheilsberichten over verschijnen, naar de boeken die momenteel worden geschreven omdat iedereen plotseling extra tijd heeft, naar de boeken die al voltooid waren en die zijn uitgesteld naar een later seizoen en die vrees ik in een papieren vloedgolf zullen verschijnen. Nu ja, van zulke dingen moet ik me niks aantrekken, dat weet ik, doorgaans slaag ik er als ik schrijf goed in om me voor alles van de buitenwereld af te sluiten, maar nu moet ik bekennen dat ik me op schrijfgebied wel herken in de lamlendige houding van Vestdijk.

Herken jij je hierin? Bij Vestdijk hielp de tijd, na de oorlog schreef hij meer dan ooit. Maar ikzelf heb geen zin om te wachten tot dit voorbij is. Hoewel ik een geduldig mens ben, probeer ik waar mogelijk zelf enig heft in handen te nemen. Misschien bedoel ik eigenlijk wel: Roman, kun jij op de een of andere manier oppeppen en aansporen, aangezien we nu niet kunnen afspreken om elkaar over dergelijke werkgerelateerde dode punten heen te helpen?

Intussen hoop ik dat alles nog steeds goed met je gaat, en dat je het jezelf af en toe nog gunt een kopje koffie in Muiden te drinken. Mijn vragen over je hunkering en isolement blijven onverminderd van kracht en ik sluit niet uit dat je me met jouw reacties daarop al enigszins over een dood punt heen tilt.

Groeten weer,

Thomas

Amsterdam, 6 mei 2020

Beste Thomas,


Wat zou ik je graag vertellen dat ik veel proza schrijf deze maanden, dat ik geconcentreerd en bevlogen aan het werk ben. Dat mijn nieuwe roman bijna af is en ik in de tussentijd nog een puntgave novelle afleverde bij mijn uitgever, die nu met de handen in het haar zit welke van de twee eerst te publiceren. Maar het zou gelogen zijn: ik schrijf geen letter proza, Thomas. Net als Vestdijk dus. Alleen het voltooien van deze brieven lukt me. Een dankbare activiteit. Steeds als mijn brief de deur uit is, voel ik voldaanheid, zo’n brief schrijven is makkelijker dan een kort verhaal; een brief glijdt voor me uit, terwijl ik een verhaal meestal achter me aan moet trekken.

Met jouw schrijven gaat het zo te lezen ietsje beter, al klinkt het meer dan ooit ook bij jou als werken, als ploeteren. Ons vastklampen aan de wetenschap dat Vestdijk na de oorlog wél veel schreef, vind ik mager, dus ik juich toe dat je zelf op zoek bent gegaan naar motivatie. Hoe gaat het daarmee? Ik vrees dat ík je in elk geval niet over je dode punt ga tillen. Twee weken terug schreef ik je al dat ik moeite had om een leef- en werkritme te vinden tijdens deze afzondering, dat ik ’s avonds moe ben zonder goed te begrijpen waarvan dan in hemelsnaam. Het vele binnen zitten nekt me, het gebrek aan variatie, aan frisse lucht en aan impulsen. Een korte opleving kende ik, ik schreef je erover, waarin ik plots scherpe gedachten had en ideeën om op voort te borduren. Maar aan uitwerken ben ik niet toe gekomen, daarna zakte ik weer weg in het drijfzand van de afzondering.

Eerlijk gezegd heb ik me er een week of twee geleden bij neergelegd dat deze periode geen proza uit mijn handen zal komen, dat mijn nieuwe roman vertraging oploopt. Mijn niet-schrijven is geen gevolg van ideologische verlamming – ik twijfel niet aan de toekomstige rol van verhalen, over de zin van mijn eigen werk. Voor nu lopen de onfortuinlijke omstandigheden mijn roman en andere verhalen voor de voeten, maar op een dag zal ik net als Vestdijk weer beginnen te schrijven. Ik deed een groot deel van mijn leven niet anders, dus ik heb geen reden te denken dat dit in de toekomst plots niet het geval meer zal zijn. Ik geloof ook niet dat de wereld ontzettend gaat veranderen door dit virus. In tegenstelling tot wat jij lijkt te denken. Vanaf het begin van deze correspondentie, vroeg in april, heb ik het idee dat jij zwaarmoedig naar deze crisis kijkt, naar de rol die jijzelf als schrijver kan hebben. Je schrijft me ergens dat je doemdenken vermijdt, maar je stelt vervolgens wel vragen die mij uitdagen dat te doen. Soms denk ik dat je mij de vragen stelt waarop je zelf geen antwoord durft te geven. En als dat zo is, bewijs ik je dan een dienst met die vragen te beantwoorden of door ze terug te kaatsen?

Even terug naar Vestdijk. Jef van Gool, redacteur bij het Literatuurmuseum, wees me deze week op het brievenboek Wij zijn van elkaar (verschenen bij De Bezige Bij in 2007) met daarin de brieven die Vestdijk en schrijfster Henriëtte van Eyk elkaar schreven als minnaars. De originele brieven liggen bewaard in het Literatuurmuseum, we kregen enkele scans toegestuurd. Deze brieven werpen voor mij een nieuw licht op de relatie van Vestdijk met Ans Koster. Vestdijk woont tot ongenoegen van Van Eyk nog in Doorn met Ans samen. Hij kampt met een depressie sinds de oorlog. Vestdijk schrijft Van Eyk op 8 mei 1946:

De hoofdoorzaak is, dat ik om Ans weinig of niets geef, terwijl ik op jou stapelgek ben. Wanneer ik in Doorn zit te werken, is Ans lucht voor mij, – een zich bewegend meubel en als dat meubel te veel lawaai maakt, zeg ik: stil, en het meubel is stil. Dit is een beetje onmenselijk, en zoo; maar blijkbaar heb ik zooiets noodig voor mijn werk, om de innerlijke eenzaamheid te vinden, waaruit dit werk, wil het goed worden, alleen kan ontstaan.

Vestdijk schrijft Van Eyk dat hij niet bij haar kan intrekken omdat zij dan al snel genoeg van hem zal krijgen, en hij rept over ‘de eeuwige onrust van de minnaar, het voortdurende “rapport” waarin hij tot de geliefde staat (ook als die zich muisstil houdt)’.

Het antwoord van Henriëtte van Eyk is zonder reserve: ‘Ik houd van je, niet alleen als je je gezond en sterk voelt, maar òòk, en misschien vooràl - als je moe en (zooals jij zegt)  “geestelijk melaatsch” weg zou willen kruipen in een stil, donker, veilig “hol”.’ Van Eyk  schrijft een mooie, gevoelige brief, stelt zich zo kwetsbaar op dat ik in haar plaats in een stil, donker en veilig hol zou willen kruipen.

Maar Vestdijk valt niet te vermurwen, na Van Eyk lof te hebben toegezwaaid voor haar brief (‘Het kostbaarste van jou, wat in mijn leven gekomen is’) schrijft hij:

Ik wil alleen dit zeggen: dat het een verdomd rare wereld is, waarin de vrouw, van wie ik houd en die van mij houdt, mij (..) niet toestaat naar een dorp te gaan, waar nu eenmaal een raderwerkje draait dat mij het werken vergemakkelijkt, alleen omdat hier een vrouw mee gemoeid is, van wie ik niet houd en die jou haat, of zich verbéeldt jou te haten (want in de grond van de zaak is dit een haatpsychose, waar wij als verstandige menschen boven zouden moeten staan, ‘in werkelijkheid’ haat ze jou helemaal niet, zij is alleen maar een stakker, een gewond beest, dat blindelings met haar klauwen om zich heenslaat.)

Verderop schrijft hij: ‘Ik geloof zeer zeker, dat jij naast “minnares”, een moeder voor me kunt zijn (en al bént zelfs). Maar daar gaat het niet om, liefje. Het gaat er alleen om hoe ik tegenover je sta, d.w.z. voor 80% zeker als “minnaar”, dus steeds in een zekere verwachtingsvolle onrust, hunkering en bezorgdheid.’ Afgaande op de brieven die ik doorspit, Thomas, dacht Vestdijk alleen aan zichzelf, aan zijn eigen behoefte om lief te hebben, maar vooral om te schrijven. Daarvoor creëert hij de perfecte omstandigheden en beide vrouwen moeten zich daar maar naar voegen.

Was dat echt de prijs die moest worden betaald voor de hoge schrijfproductie die hij haalde? Of had Vestdijk met een minder egoïstische opstelling een even goed en productief schrijver kunnen zijn? Hij adviseert Van Eyk op 11 mei 1946:

Doe liever wat water in je wijn, dan kunnen we van elkaar blijven. Ik vraag je dit, met alle kracht die in mij is. Ik zal vanavond deze brief brengen; dan ga ik een half uur rondloopen, opdat je hem rustig kunt lezen en overdenken. Precies na een half uur kom ik terug. Mocht je weigeren, sluit dan de beide gordijnen van de voorkamer; dan hoef ik niet meer aan te bellen. Ik hoop, dat je handen het niet zullen willen, als je het zelf zou willen.

Zo dramatisch, dat met die gordijnen en die deadline van dertig minuten. Alsof het hele leven een roman is. En wat een dominante ploert toont Vestdijk zich; alles moet zich plooien naar hem, zodat hij kan schrijven. Hoe gaat dat bij jou als je een relatie hebt? Bij mijzelf is het deze dagen eenvoudig; omdat ik nauwelijks schrijf, heb ik alle tijd voor mijn vriendin. Ik vertelde je al dat ze in het buitenland woont en dat ik dus vele uren doorbreng voor mijn laptop om met haar te praten via Skype.

Vandaag las ik haar die citaten van Vestdijk voor. ‘Als dit straks voorbij is,’ vroeg ze toen een tikje bedeesd. ‘En je weer aan je roman schrijft, ga je mij dan ook behandelen als een meubelstuk?’

‘Nooit, liefje,’ beloofde ik.

Blijf binnen (als het lukt)

Roman

PS En wat betreft je vraag over afspreken, om samen een keer een computerspel te spelen of een wandeling door het park te maken. Ik zou zeggen: loop een keer langs bij mijn huis. En kijk naar de stand van de gordijnen… als die gesloten zijn… enfin.