De bloei van Tom van Deel was tomeloos

Verstilde momenten, tijdopnames die de glans van eeuwigheid krijgen – daar ging de poëzie van T. van Deel over. Op 12 augustus overleed hij. Daan Cartens brengt een ode aan de man als gewaardeerd jurylid, criticus, dichter en mens.

 

T. van Deel (1945-2019) was dichter van een klein, maar uiterst hecht en concies oeuvre. Hij schreef jarenlang kritieken voor Trouw, maakte deel uit van talrijke jury’s en was een van de eerste redacteuren van het toonaangevende literaire tijdschrift De Revisor, dat in 1974 werd opgericht. Generaties studenten Nederlands maakte hij vertrouwd met onze literatuur. Op 12 augustus overleed Tom van Deel, een man wiens leven in het teken stond van zijn hartstocht voor de letteren.

T. van Deel.
Foto: © David Samyn

Jurylid

 

De interviewbundel Bij het schrijven uit 1979 bevat vijf uitgebreide gesprekken die Tom van Deel voerde met bevriende auteurs, onder wie Gerrit Krol en Willem Brakman en de sonnettendichter Jan Kuijper. De grote aandacht die Van Deel altijd heeft gehad voor het maken, de techniek van het schrijven, voor de vorm waaruit een visie op de werkelijkheid blijkt, verwoordt hij meteen al in het voorwoord: ‘Ik ben ervan uitgegaan dat wie iets maakt ook enig idee heeft van hoe hij het maakt, waarom en waartoe.’

In het jaar van verschijnen van de bundel is Van Deel jurylid van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, die jaarlijks door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde wordt toegekend. In de collectie van het Literatuurmuseum bevindt zich een even interessante als vermakelijke correspondentie tussen Van Deel en Vijftiger Jan Elburg, die ook jureert. Het twistschrijven spitst zich toe op de sonnetten van Kuijper.

 

Want laten we eerlijk zijn Tom, deze brave borst kun je als belezen mens toch niet voor een dichter houden? Gewoon een bedrijver van huisvlijt. […] ? Heeft een kerel van dertig jaar nou echt niets belangrijkers te doen dan – modieus – over zijn speelgoedbeesten en zijn onderwijzer en korfbal te zitten zeuren? […] Deze Jan Kuijper, Tom, deze opdisser van jeugdherinneringen in klinkdichtvorm heeft een door en door reactionaire opvatting over poëzie. […] Ik word wee van dit soort kleurloze, geurloze jeugdherinneringen uit een zo klaarblijkelijk beschermd wereldje.

 

 

Van Deel is een andere mening toegedaan:

 

Ook Kuijper is met taal bezig, en dat is: niet met truttige jeugdherinneringen, niet met huisvlijt ongehinderd door deskundigheid. […] Maar de bundel Oogleden laat toch duidelijk zien dat het Kuijper om heel andere dingen gaat dan anecdotiek etc.

Behalve op lezing van de beide bundels van Jan Kuijper baseerde Elburg zijn mening vooral op het interview van Van Deel met de dichter in Bij het schrijven. Het is een typisch Van Deel-gesprek. Hij probeert er stap voor stap achter te komen waarom Kuijper sonnetten is gaan schrijven en voor zichzelf geen andere vorm geschikt acht. Hij gaat in op de tegenstelling die elk sonnet nu eenmaal in zich draagt en probeert achter de werkwijze van Kuijper te komen.

Het is een streng interview, op sommige plaatsen lijkt het wel hogere bijbelkunde, maar het is tegelijkertijd – en daar was het Van Deel om te doen – hoogst inzichtelijk. Elburg drijft er de spot mee, maar realiseert zich ook dat belachelijk maken nogal gemakkelijk is: ‘het is natuurlijk niet helemaal netjes om hem te vangen op wat hij tijdens dat interview met jou schijnt te hebben verkondigd.’

In essentie gaat deze correspondentie niet over de dichter Kuijper, maar om een verschil in literatuuropvatting. Elburg was een man van het experiment, hij wilde ‘het leven’ in zijn beeldend en dichterlijk werk vastleggen en had een open oog voor de verworvenheden van tal van kunstzinnige stromingen. Als het niet zo beladen zou klinken, zou je zeggen: een maatschappelijk geëngageerd dichter. ‘Zou het dàt zijn, Tom. Zou het kunnen dat wat jij in poëzie zoekt een keurig tijdverdrijf behoort te zijn voor zo niet erudiete dan toch genoegzaam gestudeerde dames en heren?’

Met andere woorden: prefereert Van Deel een gestileerde vorm niet verre boven een inhoud met het nodige straatrumoer? Elburg wordt wat dat aangaat in het gesprek met Kuijper op zijn wenken bediend: ‘Het liefst zou ik componist zijn, om het alleen maar met de vorm te kunnen stellen en geen inhoud aan die vorm te kunnen geven.’

 

Terzijde: de Van der Hoogt-prijs ging dat jaar naar Hans Tentije, voor de bundel Wat ze zei en andere gedichten.

Criticus

 

T. van Deel is als criticus en docent altijd trouw gebleven aan zijn vroeg opgedane opvattingen. Hij kwam uit de school van het tijdschrift Merlyn, dat de tekst centraal stelde en niet allerlei wetenschappelijke of levensbeschouwelijke opvattingen. De Merlynisten waren grote voorstanders van close-reading. Veel van de studenten van Tom van Deel, van wie een aantal criticus is geworden, vertelden hoe de colleges bij hem verliepen. Een gedicht werd op een uitputtende manier gelezen en herlezen, waarbij alle mogelijke varianten in betekenis aan het licht kwamen.

Hij kon zich bij die methode beroepen op zijn vriendschap met de dichter Chr.J. van Geel (1917-1974), die zich had omringd met zogenaamde tuttelaars. Nauwkeurige lezers die de vele versies van deze ‘varianten’-dichter bestudeerden en van commentaar voorzagen totdat Van Geel dicht bij een definitieve versie kwam, die ook altijd nog voor verbetering of verheldering vatbaar bleek.

Aanvankelijk waren het de neerlandicus Enno Endt, de classicus J.P. Guépin en de kunsthistoricus en dichter Jan Emmens die ‘tuttelden’. Later werkte Van Geel op dat vlak samen met zijn levensgezellin Elly de Waard, de jonge dichter Willem Jan Otten en Tom van Deel. Die laatste werd door de samenwerking met Van Geel gesterkt in zijn opvatting dat alleen werkelijke close-reading de geheimen van een tekst kan openbaren:

 

Dat niet in de uitleg, in het daadwerkelijk onthullen een betekenis schuilt, maar in de uitnodiging die elk gedicht is om de erin aangeboden beeldspraak te lezen, te interpreteren, te duiden.

Het is Van Deel regelmatig verweten dat hij zich in zijn kritieken beperkte tot bevriende auteurs van wie hij het werk hooglijk waardeerde. Prozaïsten als Willem Brakman en Gerrit Krol, dichters als Hans Faverey, Rutger Kopland of Willem van Toorn. Hij had natuurlijk wel degelijk oog voor anderen, al was het maar omdat de dagbladkritiek dat vereist, maar hij zag het nauwlettend volgen van auteurs die hem boeiden ook als zijn taak. Hij was om Carel Peeters te citeren ‘hun beste lezer’. ‘Ik vind het een voordeel dat ik (…) schrijvers al jarenlang ken: onder vrienden praat het nu eenmaal gemakkelijker.’

Toen Trouw, de krant waarvoor hij decennialang kritieken schreef, duidelijk maakte dat ze een andere koers wilde gaan varen, trok hij zich terug. Hij was zijn podium kwijt. Het stemde hem droef en maakte zijn laatste levensjaren, na een scheiding, nog leger, zoals tijdens zijn begrafenis op Oud Eik en Duinen in Den Haag werd benadrukt.

Dichter

 

‘Dichter van het stilleven’, zo typeerde zijn uitgeverij Querido hem in haar rouwannonce. Als dichter was Tom van Deel al even precies als in zijn kritieken. Vaak bestaat een gedicht van hem uit één lange, samengestelde zin, die uitblinkt door de nuancering en helderheid. Een diorama, een zoetwateraquarium, een stenen kouros op Naxos, het Griekse eiland waar hij zo graag verbleef. Verstilde momenten, stilgezette bewegingen, tijdopnames die de glans van eeuwigheid krijgen – daar ging zijn poëzie over.

Zijn laatste bundel Herfsttijloos verscheen in 2016. Dat dit in onze contreien zeldzaam wordende plantje nog geen bladeren heeft bij de bloei, moet Van Deel in hoge mate hebben gefascineerd. Hij had het al beschreven in Boven de koude steen (2007).

Hij maakte in zijn laatste jaren ook honderden tekeningen van deze officieel geheten colchicum autumnale. Twee sieren er voor- en achterzijde van zijn laatste bundel. Dit is ‘Herfsttijloos II’:

 

Bij de geboorte uit haar bladderende bol

rijst gestaag en steil de steel wit eerst

en later bij de bloem neigend naar paars

van Allerzielen. Hun bollen worden uit-

geput en lijken gaandeweg nog ouder

dan ze waren maar de bloei is tomeloos

alsof een nest vol vogels de snavels luid

en levenswijd onstuitbaar houdt gesperd.

Aan het eind van de bundel kijkt Van Deel terug naar zijn begin. Het al aangrijpende vers ‘Het kind dat wij waren’ wordt er nu, na zijn sterven, nog pregnanter door:

 

Zojuist kwam ik mij tegen onverwacht,

gelegen op mijn zij en pas geboren. Alles

moet nog komen. Ik kijk met onbewogen

ogen, handen gebald, naar de fotograaf.

Stralend witte mummie in een trappelzak.

Herinnering

 

De wegen der herinnering… Het is september 1987. Nederland is in de ban van de ontvoering van en naar later bleek de moord op Gerrit Jan Heijn. Tom en ik bezochten een PEN-congres in Cambridge. Fraaie tuinen, rustieke bruggetjes, middeleeuwse zalen waar we aten en gefascineerd keken naar het echtpaar Pinter. Hij, de fameuze toneelschrijver, omringd door vrouwelijk schoon en met de vanzelfsprekende blik van ‘voor tegenspraak moet je bij een ander zijn’. Zij, lady Antonia Fraser, schrijfster van menig bekroonde roman en biografie. Gekleed in een kurasachtige jurk en schrijdend als een ware Tudor-koningin.

Tom genoot en ik evenzeer. Lang na die bijeenkomst zaten we te praten en te drinken op een piepklein studentenkamertje, waar de organisatie ons had ondergebracht en waar het grote lijf van hem amper in paste. Hij had een melodieuze, zachte stem en hij sprak in mooie volzinnen, zonder uh’s of ah’s. De literatuur werd doorgenomen en de afdeling tijdschriften (hij De Revisor, ik Bzzlletin), onze favoriete dichters (beiden Van Geel) en onderschatte schrijvers (hij Koolhaas en beiden Alfred Kossmann). Maanden later kreeg ik een kaart van hem van zijn zo geliefde kouros met daarop de tekst: ‘wat weten wij te praten zeg’.

Dat gold niet alleen ons beiden.

Tom was een hartstochtelijk prater over alles wat hem bezighield en bewoog. Dat was bijna altijd ‘zijn bloei’, zijn hartstocht voor de literatuur.

Hij wordt gemist.