De Sinterklazologie van Godfried Bomans is nog steeds verrukkelijke onzin

Godfried Bomans was in topvorm wanneer hij schreef over Sinterklaas. Het is verrukkelijke onzin, van het onderhoudende en beeldende soort, die we in deze tijd goed kunnen gebruiken. ‘Neen, vader, Sinterklaas gaat nimmer ter kerke. Hij heeft dat zijn hele leven gedaan, is daarna heilig verklaard en er toen onmiddellijk mee opgehouden. Heiligen hoeven niet. Zij mogen wél.’

 

 

Sinterklaas hield Godfried Bomans bezig. In zijn populaire rubriek ‘Parlevink’ in de Volkskrant, een satirische column die hij in twee termijnen een dik jaar dagelijks schreef, passeert de Sint geregeld. Neem de aflevering van 4 december 1954 met de titel ‘Laat Sinterklaas er buiten!’ – zoals veel van de ‘Parlevinkjes’ als typoscript aanwezig in het archief van het Literatuurmuseum. Die vierde december wordt de voorpagina gesierd door de behoudende kop: SPOEDOPERATIE VAN PAUS WAARSCHIJNLIJK GEACHT. Rechts daarvan een foto van een gevechtsvliegtuig dat loodrecht omhoog vliegt. Linksonder de ‘Parlevink’ van de dag, waarin Bomans inzoomt op een andere Heilige:

 

 

De commandant van een leger-eenheid op de Veluwe heeft zijn manschappen een verrassing bereid. Vandaag springt namelijk Sinterklaas, voorafgegaan door vijf Zwarte Pieten, met een parachute naar beneden en daalt aldus temidden der dienstplichtige gelovigen. De proclamatie voegt er aan toe, dat dit in vol ornaat zal geschieden.

 

 

Een aardig beeld, Sint die omlaag zoeft in zijn rode mantel, zijn baard zwierend in de wind, voorafgegaan door vijf pieten. Parlevink vervolgt: ‘De verdediging van West-Europa heeft behoefte aan zulk soort alternatieven. En wij vragen ons af, hoe in Moskou dit bericht zal ontvangen worden.’ Daarna fakkelt Bomans het idee af, let vooral op de kwaliteit van het uitdrukken: 

 

 

Sinterklaas is een waardige figuur, wiens levenswandel met de ontwikkeling der moderne techniek geen gelijke tred houdt. Hij blijft achter, hij kan niet mee. Dat is het aardige van de man. Wij hollen allemaal als gekken in het rond, Sinterklaas echter strompelt rustig zijn eigen gangetje. De uitvinding van de stoomboot is de laatste, die hij nog verwerken kon, wat daarna kwam heeft hij afgewezen. (…)

 

Wij zijn hier op het hellende vlak. Met name denken wij aan de uitvinding van het atoomkanon. Wij vrezen dat het volgend jaar burgemeester D’Ailly, wensend het militair gezag te overtreffen, Sinterklaas zonder blikken of blozen naar Amsterdam zal afschieten. Wij hebben zelfs vernomen dat in Baarn reeds de fundering is gelegd, waarop het affuit zal geplaatst worden, zodat, tegen de tijd dat Sinterklaas boven Weesp is, hij zijn volle hoogte zal bereikt hebben. Wij menen hiertegen te moeten waarschuwen. Sinterklaas zal dan aan de Amstelkade wel voorbijkomen, doch hij is dan de snelheid van het geluid reeds lang gepasseerd en zal derhalve onze liedjes niet meer horen.

 

 

Onzin is het natuurlijk, van het onderhoudende en beeldende soort: de Sint aan een parachute, de Sint in een atoomkanon en daarna als een raket scherend langs de Amstelkade. Bomans sluit af: 

 

 

Sinterklaas is een bij uitstek trage figuur. Hij doet er een vol jaar over om op 5 december in Nederland te arriveren; en alle pogingen om dit tempo te forceren zijn uit den boze. Geen jachtwerk met de oude man. En wij zouden onze vooruitstrevende legerleiding willen toevoegen: spring naar hartelust, maar laat Sinterklaas er buiten.

 

 

 

Sinterklaas als personage. Godfried Bomans deed het al eerder, zoals in 1948. In het archief van het Literatuurmuseum ligt een met potlood geschreven en later uitgetypt script voor een nooit opgenomen radio-interview met Sinterklaas. Onderaan staat ONVOLLEDIG. Een korte sketch, waarin een vermoeide, stokoude (‘elfhonderd of twaalfhonderd jaar’) Sint het verbaal uitvecht met een interviewer. Het levert een geestig gesprek op: 

 

 

‘O juist. Wanneer gaat u weer weg, Sinterklaas?’
‘Morgen.’
‘Naar Spanje?’
‘Naar Spanje.’
‘Te paard, Sinterklaas?’
‘Wel nu. U moet die dingen niet geloven. Ik ga gewoon. Met de boot. Maar ik rijd wel het dek op en neer.’

 

 

In het voorjaar schreef ik een stuk over de Bevrijdingsdagboeken van Godfried Bomans. Ernstige, mooie notities rondom de bevrijding van West-Europa in 1945. Die passages vormen zo’n contrast met de lichtvoetigheid van de ‘Parlevinkjes’. De Bomans die de oorlog zag en de gevolgen beschreef, stond binnen een paar jaar alweer open voor lichte kost, onzin in de goede zin van het woord. In Sinterklaas vindt hij een dankbare compagnon. 

 

 

 

Op 16 oktober 1956 richt hij zich specifiek tot de kinderen in ‘Sinterklaas op reis’, ook weer als Parlevink. Het is een kort ironisch reisverslag van Sinterklaas op weg naar Nederland. Dit keert reist hij te paard, meent Bomans. En dat paard is ‘heel, heel oud en loopt maar een klein beetje harder dan een mens. Het kán wel harder en Sinterklaas heeft dat op rechte wegen ook vaak geprobeerd, maar het paard wíl niet.’ Heerlijk detail, die rechte wegen waarover Bomans het heeft; de plek om de testen hoe hard een auto kan, of in dit geval dus een oud, langzaam paard. De ironie spat er vanaf. Ook als de Sint onderweg een hotel binnenkomt, is Bomans in vorm: 

 

 

De heilige man komt binnen, zet zijn staf in de paraplubak, hangt zijn mijter aan een haakje en geeft de kellner een kruisje op het voorhoofd. Daarna zegent hij ook de overige gasten.

 

 

Weer een speelse, ironische en beeldende passage, misschien werkt het zo goed omdat Sinterklaas uit zichzelf zo’n sterk beeld is, of misschien omdat Bomans zo goed en geestig schrijven kan. In beide gevallen komt de eer de schrijver toe, want ook als de Sint zo’n sterk personage van zichzelf is, moet je hem als auteur nog opvoeren, de potentie zien en uitbuiten. Even verderop in datzelfde verhaal: 

 

 

Na zes weken nadert Sinterklaas de Nederlandse grens. Hij begint dan wat meer te strooien en zingt af en toe een Sinterklaasliedje. Ook begint hij een beetje over de daken te rijden. Eerst de lage huisjes, om erin te komen, maar dan al spoedig de hogere. En in Breda rijdt Sinterklaas al volop over de daken.

 

 

In 1957 verschijnt een verzamelboek met de beste ‘Parlevinken’ bij uitgeverij De Lanteern. In de Volkskrant wordt het werk lovend besproken: ‘Deze paar paragrafen dienen als tastbaar bewijs – voor wie dat nog nodig heeft – dat toen Godfried Bomans ophield deze verrukkelijke onzin in dagelijkse maatjes af te leveren, de Nederlandse Journalistiek een van haar allerbeste kroniekschrijvers verloor. Ze heeft dat verlies op geen enkele andere manier goedgemaakt. En de zelfkritiek in de katholieke gemeenschap is nog meer nodig dan ooit.’ In de recensie wordt de passage waarin Sinterklaas een hotel binnenkomt in z’n geheel geciteerd, terwijl er ook tientallen ‘Parlevinken’ niet over de Sint zijn gegaan. Het tekent in welke grote vorm Bomans verkeerde wanneer hij over Sinterklaas schreef.

 

 

 

De stukken over Sinterklaas maakten wat los bij de brave lezers van de krant. In  de brievenrubriek ‘Geachte redactie’ verschenen enkele reacties. Bomans zelf staat ook stil bij deze betrokkenheid van de lezer. ‘Het waren er bij elkaar 83, waarvan 79 door volwassenen en slechts drie door kinderen geschreven zijn.’ Net als nu, houdt Sinterklaas dus vooral de volwassenen bovenmatig bezig. ‘De kinderen hebben geen enkel theoretisch bezwaar,’ schrijft Bomans op 20 oktober 1956. ‘De een vraagt eenvoudig een windbuks, de tweede een doos met kleurpotloden en de derde een vliegmachine. Ik heb deze zaken gekocht, verzonden en vervolgens de rekening naar de Volkskrant gestuurd, want ik houd van correct afwerken.’

 

Hierna gaat Bomans in op de brieven van de volwassenen, die hem vooral teleur hebben gesteld. Hij rept over ontstellende onkunde bij een kapelaan uit Wormerveer die vraagt of de Sint ook vast. Bomans schrijft: ‘Nu weet toch ieder kind, dat Sinterklaas geen vleesspijzen gebruikt, maar uitsluitend suikerwerken nuttigt.’ Op een telegram uit Steenbergen reageert Bomans eveneens scherp. Het telegram luidt: ‘Hoe nu? Gaat Sinterklaas niet dagelijks ter kerke? Een bezorgde vader.’ Bomans: ‘Neen, vader, Sinterklaas gaat nimmer ter kerke. Hij heeft dat zijn hele leven gedaan, is daarna heilig verklaard en er toen onmiddellijk mee opgehouden. Heiligen hoeven niet. Zij mogen wèl. Sinterklaas wandelt dan voor de aardigheid een kerk binnen, werpt een pepernoot op de schaal en gaat buiten een sigaar roken.’

 

Op nog meer vragen gaat hij in, al zijn antwoorden blinken uit in lichtvoetigheid. Hij belooft: ‘Misschien zal ik later, als het feest wat meer naderbij is, nog enige missiven tegen het licht des geloofs houden. Want de Sinterklazologie, behoort, dat is nu wel gebleken, tot de meest verwaarloosde gedeelten van de dogmatiek.’ 

 

Wat zouden wij in deze tijd Parlevinks ironische cursieven kunnen gebruiken. Stel u voor, de komende week elke dag een scherp stuk in de Volkskrant van de hand van Godfried Bomans. Over de virtuele aankomst van de stoomboot, het lokaal krampachtig vasthouden aan de zwarte piet-traditie en over de kwetsbare goedheiligman zelf die met zijn ‘elfhonderd of twaalfhonderd jaar’ geheid tot de risicogroepen van Covid-19 behoort. 
 

Godfried Bomans verkleed als Sinterklaas, 1961