‘En je gaat hem wél af maken!’ De eerste versies van Ilja Leonard Pfeijffer

Onlangs schonk Ilja Leonard Pfeijffer een groot deel van zijn archief aan het Literatuurmuseum, waaronder zijn aantekenboekjes. In de tientallen Moleskines kunnen we de schrijver bijna op de voet volgen.

 

De pincode van Ilja Leonard Pfeijffer is 2352. Het nummer staat zonder enige context aan de binnenkant van het omslag van een notitieblokje – typisch een plek om iets op te schrijven wat je niet wil vergeten. Zo’n acht maanden heeft hij het bij zich gedragen, want de eerste aantekening in dit boekje is van februari 2020, de laatste van oktober. Daarna wist hij het zonder twijfel uit zijn hoofd. 

 

Het boekje is deel van een grote schenking die Ilja Leonard Pfeijffer onlangs deed aan het Literatuurmuseum, en die bestaat uit drie delen: om te beginnen een prachtig dossier over het fictieve land ‘Mocanië’ dat de jonge Ilja had bedacht, inclusief volkslied, voetbalelftal, vlag en taal (hou deze website in de gaten voor meer hierover). Dan is er een verzameling agenda’s – volkomen onontbeerlijk voor een toekomstig biograaf – die ons bijvoorbeeld leren dat Pfeijffer een wielerliefhebber is, want in zijn agenda van 2015 staan de belangrijkste wielerklassiekers keurig genoteerd. 

 

En dan zijn er dus de aantekenboekjes, tientallen Moleskines waarin we de schrijver bijna op de voet kunnen volgen. Hij begon ze te gebruiken op 17 april 2001, dat is althans de datering van het boekje waarin een ferme I staat.  

 

 

 

 

 

De verzameling gaat door tot 2020. Waar je ook kijkt, wat je ook openslaat: er is geschreven, vastgelegd, bedacht, en als je eenmaal in zo’n boekje begint te lezen ben je verloren. Dit zijn de échte eerste versies, en het is grappig dat zo’n baksteen van een roman als Grand Hotel Europa begonnen is als een stapel aantekenboekjes. Pfeijffer begon niet op de computer, niet met een vulpen op groot papier, maar priegelig, en vermoedelijk in een café, want in de etui-achtige hoekjes van de Moleskines zitten vaak servetjes, soms met tekeningen of schetsjes, en ook is er een waarop de stelling van Pythagoras is geïllustreerd.  

 

 

Servetje met de stelling van Pythagoras

 

 

Een vaag portret, en toch herken je onmiddellijk Ilja Leonard Pfeijffer

Bekijk portret

En dan komt bij mij het besef hoe nieuw dit archiefmateriaal is. Het meeste van wat er in het Literatuurmuseum binnenkomt, is afkomstig uit nalatenschappen. Wanneer ik me buig over documenten van Armando, Bea Vianen of Lodewijk van Deyssel – om maar enkele auteurs te noemen van wie documenten de afgelopen maanden op mijn bureau hebben gelegen – ben ik bezig met literatuurgeschiedenis – in het geval van Pfeijffer is het nog amper geschiedenis: dit is levende literatuur van een schrijver die in het midden van zijn carrière zit, en van wie de kans bestaat dat hij dit stukje leest.  

 

En dan is het nog maar de vraag of hij het wel leuk vindt dat ik de servetjes uitvouw die hij in zijn boekje had gestopt, en dat ik een paar van die pagina’s hier laat zien, om nog maar te zwijgen van zijn pincode.  

 

Die boekjes roepen vragen op, en voor de antwoorden hoef ik eigenlijk niet op onderzoek uit. Ik zou het hem gewoon kunnen vragen. Hoewel – vertelt hij dan hoe het zit? Brieven uit Genua, zijn boek in de reeks Privé-domein, is enerzijds felrealistisch, maar anderzijds een subtiel vervormde versie van de werkelijkheid; ik kreeg de neiging het boek als een roman te lezen.  

 

Hoe dan ook bieden de twee dozen een buitenkans om te zien hoe Pfeijffer de afgelopen twintig jaar te werk is gegaan. Ik pak een boekje en zie dat hij aanvankelijk aan meerdere projecten tegelijk werkt. Op de eerste pagina van een van de vroegere exemplaren staan de titels waaraan hij bezig is: zo heeft hij aan ‘Doka’ en Het ware leven in meerdere boekjes gewerkt. Dat geldt niet voor Grand Hotel Europa: het lijkt erop dat hij achter elkaar door hieraan schreef. In 2018 zal hij waarschijnlijk zelden zonder zo’n boekje in de hand te zien geweest zijn: hij pende er dat jaar minstens tien vol. En dat deed hij trefzeker: ik heb niet alle boekjes naast de roman gelegd, maar enkele steekproeven doen vermoeden dat er nauwelijks nog iets veranderde nadat de eerste versie op Moleskine-formaat was genoteerd, inclusief de aanwijzingen voor nieuwe alinea’s.  

 

 

Aantekeningenboekje Grand Hotel Europa

 

 

Niet alleen Grand Hotel Europa begon in deze boekjes, dat geldt ook voor La Superba, een van Pfeijffers meest geliefde boeken. Mooi  om te zien dat de openingspassage zoals hij die aan de binnenkant van een omslag schreef, vrijwel ongewijzigd in het uiteindelijke boek terechtkwam. En nog mooier dat ook de eerste schets is terug te vinden, waaraan te zien is dat de titel ook ‘Labyrinth’ had kunnen worden: 

 

 

Openingspassage La Superba
‘Genua-boek: titel HET LABYRINTH?’

 

 

Ilja als Elvis: een vrolijk makend schilderij uit bewondering voor beide grootheiden

Bekijk portret

Een greep uit andere boekjes: er is een verslag van Pfeijffers fietstocht op een oude Batavus, waarmee hij van Leiden naar Rome fietste, gedocumenteerd in De filosofie van de heuvel. Er staat ergens een mooi lijstje (ik hou van lijstjes) met titels als ‘Donald Duck en het postmodernisme’, ‘Die hele godvergeten romantiek’, ‘Bambi’, en nog vele andere. Mogelijke onderwerpen voor gedichten of essays? 

 

Ook fraai is een luidkeelse aansporing onder een onvoltooide tekst: ‘En je gaat hem wél af maken’. Delen van wat er op de linkerpagina te lezen staat, zijn terug te vinden in het gedicht ‘Europa’, maar regels als ‘vooral de liefde, ha!, breek mij de bek niet open’ kan ik nergens terugvinden. Toch niet afgemaakt? 

 

Er is een boekje waarin hij werkt aan een toneelstuk in het Italiaans, een periode waarin hij ook schreef aan een songtekst voor Ellen ten Damme. Dat was voor een nummer van De Revisor: ‘Sigaret komt van zuig eruit’.  

 

Er is een recent boekje met een coronagedicht dat hij schreef voor NRC Handelsblad, waarin te zien is dat de regel ‘Het virus woekert voort met eclatante / voortvarendheid als het opkomend tij / en Holland wapent zich met ironie’ anders had kunnen beginnen: ‘Het virus glorieert bij dilettanten’ luidde de eerste versie. De titel kwam als laatst, en staat onder het gedicht: ‘Typisch Nederlands sonnet waarin het land zich wapent tegen het Coronavirus’. Op diezelfde pagina een stukje uit het coronadagboek dat hij schreef: Quarantaine, zowel somber als tragikomisch: ‘De plantjes op het balkon zijn dood. Dat heeft niets met het virus te maken.’  

 

 

 

 

En er is veel wat ik niet eenvoudig kan thuisbrengen. ‘Ik ga echt geen gedicht schrijven over maanlicht’, ik moest lachen: is dat ooit gepubliceerd of is dit een persoonlijke aantekening? ‘Ik had alleen het goede bindmiddel nog niet gevonden in Italië. In Nederland gebruikte ik altijd maïzena’: een subtiele verwijzing naar vervreemding, of gewoon een dagboekaantekening?  

 

 

Aantekeningen uit 2015

 

 

Een onuitputtelijke bron. O ja, die pincode is fictief. Je komt met deze aantekeningen heel dicht bij de schrijver, maar dat moet je misschien niet overdrijven. Er stond in dat notitieblokje wel een getal van vier cijfers, maar dat is een ander. Ik wil niet het risico nemen dat deze aantekening niet aan de verbeelding van Ilja Leonard Pfeijffer is ontsproten.  

 

Materiaal over het door Ilja Leonard Pfeijffer als tiener verzonnen land ‘Mocanië’