Kibbelkeizer

door Yannick Dangre

Een schrijver is eenzaam, luidt het cliché. We vergeten daarbij wel eens dat de schrijver dat natuurlijk ook wíl zijn, want hoe komt hij anders ‘op eenzame hoogte’? Kloos’ adagium van de ‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ mag dan overtrokken zijn, voor de meeste kunstenaars blijven uniciteit en eigenheid het hoogste goed. En als ze daarvoor beloond worden met enige roem en poen, is dat natuurlijk mooi meegenomen.

 

Soms botsen beide verlangens echter, want wat als je meer aandacht of geld kan krijgen door in groepsverband naar buiten te komen? Het is een dilemma waar de jonge Lucebert (1924-1994) in de jaren vijftig mee worstelt.

 

De aanleiding is de vraag van Simon Vinkenoog in juni 1954 of Lucebert een herdruk van de bloemlezing Atonaal ziet zitten. Nu was dat een buitenkansje, want Atonaal, dat het officieuze startschot van de ‘experimentelen’ of ‘Vijftigers’ betekende, was na publicatie in 1951 onmiddellijk berucht geworden en had meerdere drukken gekend. Makkelijke aandacht en geld, zou je zeggen, maar daar denkt Lucebert duidelijk anders over:

Om kort te gaan, Simon, ik wil geen Atonaal meer (om Godes wil niet nog een en nog eens!), niet een Atonaal met inleiding en niet een Atonaal zonder inleiding.

 

 

Met die weigering was Lucebert niet aan zijn proefstuk toe, want al ten tijde van de originele publicatie had hij ontzettend dwarsgelegen. Zo stelde hij (als enige) allerlei typografische eisen en besloot hij daarna, hoewel aan zijn verzuchtingen tegemoet werd gekomen, om zich alsnog terug te trekken. De rasindividualist Lucebert kon zich niet verzoenen met het concept en stelde:

Nu wil ik niet gaan beweren dat er, met de tijdsomstandigheden als fond, geen verband valt te borduren tussen de werken en de persoonlijkheden van de dichters die voor het bloemlezen zijn uitgenodigd, maar wel dat dit verband geen homogene stroming heten mag.

 

 

Uiteindelijk lukte het uitgever Stols om hem te sussen, maar Lucebert, doodsbang om in een hokje gezet te worden, bleef ondanks het succes met een zuur gevoel achter.

 

De opgespaarde gal lijkt er drie jaar later uit te komen: hij weigert niet alleen een herdruk, maar veegt Vinkenoog ook nog eens de mantel uit over diens inleiding bij Atonaal, die hij ‘niks & 0’ vindt.

 

Dat is meer dan een verbale wraakoefening, want Lucebert had dit al in 1951 aan zijn kompaan gemeld en – belangrijker – hij stond niet alleen met zijn kritiek. Zo vond Rudy Kousbroek het ‘verbijsterend en beschamend dat zoiets in druk verschenen is’. Hij merkte op:

Men vindt bij Andreus, Hanlo en Lodeizen e.a. niets over “de verbijsterende ontmenselijking der wetenschappen”, waarvan Vinkenoog spreekt in zijn inleiding. Men vindt andere noties over het tijdsgebeuren bij Kouwenaar, Lucebert en Elburg, maar daar rept Vinkenoog niet van.

 

 

Ook in de pers was het oordeel ongenadig. Vinkenoogs intro werd weggezet als ‘aanstellerig’, ‘verward geleuter’ en een ‘stapelplaats van gemeenplaatsen’. De stijl was dan weer ‘onbeholpen’, de inleider zelf een ‘amokmaker’, ‘brekebeen in het vak’ en ‘miserabel prozaïst’.

Lucebert heeft dus wel degelijk een punt in zijn brief, en dat geldt ook voor zijn tweede bezwaar tegen een herdruk:

Het literatuurlabberig volkje krijgt teveel bloemlezingen, wat nadelig is voor de bloemenbundels zelf. Die plukken ze niet meer straks en wat dan? Hoe dan nog rijk te worden?

Het is een feit dat menige boekhandelaar het destijds overbodig vond om de individuele bundels aan te schaffen, de dichters waren immers allemaal in de (veel populairdere) bloemlezingen te vinden. Niet dat Lucebert daar consequent naar handelde, want zo schrijft hij dat hij nota bene zelf aan een bloemlezinkje voor De Bezige Bij werkte. Een zónder Vinkenoog, welteverstaan.

Verderop in zijn brief kankert hij vrolijk door, onder andere op het ‘Amsterdams tijdschrift voor Letterklunzen’ (dat hij verbrand heeft) en de ‘zachte sul’ Ad den Besten. Hij sluit af met een laatste sneer naar stadsmus Vinkenoog, want hij, Lucebert, vindt ‘als asfaltjongen die plotseling naar het platteland is verhuisd’, algehele ontspanning in de dorpse rust. Hij schrijft er ‘vrijwel niets’ en ‘schildert des te meer’.

 

Het spreekt vanzelf dat Vinkenoog ontstemd was over deze brief van ‘de grote L.’, waardoor het plan voor een herdruk op de lange baan werd geschoven. Vinkenoog zou Vinkenoog echter niet zijn als hij het uiteindelijk niet toch weer oppakte, en in 1956 verscheen de derde, uitgebreide druk van Atonaal. Vinkenoog had met de dichters overlegd over een nieuwe selectie gedichten, en kon daarbij niet anders dan de eisen van kibbelkeizer der Vijftigers Lucebert inwilligen, maar aan zijn eigen inleiding veranderde hij, uit overtuiging of balsturigheid, geen letter.

 

Zo eindigde alles met een typisch poldercompromis en konden deze poëtische broeders pochen dat ze beiden hun slag thuis hadden gehaald (en dat zelfs zonder die mooie kans op een zakcentje te verkwanselen). Dat ze elkaar en – zeker Lucebert – ook zichzelf ondertussen almaar stokken in de wielen staken, wat wel eens uitmondde in fraai scheldproza, nemen we er graag bij. Zolang onze schrijvers maar uniek zijn, en een tikje eenzaam in hun strijd. Dichters, het zijn net mensen.