Een literair tijdschrift oprichten om de liefde voor buitenlandse literatuur te stimuleren: wie doet zoiets nog?

Toen Adriaan Morriën in 1946 Litterair Paspoort oprichtte, een tijdschrift over buitenlandse literatuur, leverde hij geen half werk. De Franse poëzie in perspectief, het buitenlandse boek in bezettingstijd, een essay over Hitler, een zijdelingse blik op de Scandinavische literatuur... als íets duidelijk wordt in het eerste nummer, dan is het wel dat Morriën hoog inzette. 

 

Wie van onder veertig heeft nog van Adriaan Morriën gehoord? Leraren Nederlands? Ik vroeg het me een aantal jaar geleden af toen ik een boekje van hem in handen kreeg, Plantage Muidergracht (1988). Daar woonde ik destijds in de buurt, en ik fietste bijna dagelijks langs een deur met het plakkaat: Hier woonde en werkte...


Morriën (1912-2002) is en was zeker niet een van de meest gelezen auteurs van vaderlandse bodem. En toch. Als er ooit een verkiezing komt voor de grand old man van de Nederlandse letteren, dan is hij een serieuze kandidaat, want niet alleen was hij zelf enorm productief als schrijver, dichter, recensent en vertaler (Frans en Duits), maar hij was ook begaan met een aantal jonge schrijvers en dichters om hem heen (hij was instrumenteel voor de carrières van onder meer W.F. Hermans – ze raakten gebrouilleerd – en Hans Lodeizen) en nauw betrokken bij de oprichting van het Fonds voor de Letteren in 1965.


Maar zijn blik reikte verder dan Nederland. Zo bezocht hij regelmatig bijeenkomsten van het Duitse schrijverscollectief Gruppe ’47. De groep, die zoals de naam doet vermoeden kort na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht, was voorvechter van een nieuwe Duitstalige literatuur. Günter Grass, Heinrich Böll en Paul Celan maakten er deel van uit, net als Martin Walser en de Oostenrijkse schrijfsters Ilse Aichinger en (losjes) Ingeborg Bachmann. Veelzeggend voor de waardering die Morriën in deze kringen genoot is het feit dat hij – als enige Nederlander ooit – in ’54 zelfs de zogeheten Gruppe ’47-prijs won, voor het verhaal ‘Zu Große Gastlichkeit verjagt die Gäste’.

 

Hij had de groep leren kennen als redacteur van het literaire blad dat hij onder de vleugels van uitgeverij Meulenhoff oprichtte: Litterair Paspoort. Een tijdschrift over buitenlandse literatuur of, om het met de ondertitel te zeggen, een Tijdschrift voor boeken uit de oude en nieuwe wereld.

 

 

 

Het eerste nummer verscheen in 1946. Het was geen half werk.

 

Sur mes cahiers d’écolier
Sur mon pupitre et les arbres
Sur le sable sur la neige
J’écris ton nom

 

dicht de Franse dichter Paul Éluard op het omslag. Vrij vertaald:

 

In mijn schoolschriften
Op mijn bureau en de bomen
In het zand en in de sneeuw
Schrijf ik jouw naam

 

Het gedicht gaat over vrijheid. Een vrijheid die nog rauw was en nasmeulde van de offers die voor haar waren gebracht en de verliezen die waren geleden, op Europese bodem en in Afrika, in Azië en Amerika (Pearl Harbor).


Even verderop in hetzelfde nummer bespreekt een jonge Joop den Uyl een aantal kort ervoor in de VS verschenen boeken. ‘Nederland,’ besluit de gelegenheidsrecensent zijn stukje, ‘heeft nog weinig om de Amerikaanse export te betalen; wat als we eens begonnen met de Amerikanen uit dank voor hun optimisme ons vertrouwen te schenken?’

 

Een paar bladzijden verder treffen we een recensie aan van Albert Camus’ L’étranger. Die roman ‘is geschreven in een helderen, nuchteren stijl, zonder omhaal, recht van den man die het verhaal doet uit, doordringend en fascinerend van toon en volkomen passend bij het thema, dat (...) wordt behandeld. Een artistiek debuut van dezen wijsgeerigen essayist, dat de beste verwachtingen doet koesteren.’


De Franse poëzie in perspectief; het buitenlandse boek in bezettingstijd; een essay over Hitler door de destijds bekende intellectueel Denis de Rougemont; een vertaling door Morriën van een gedicht van Ljermontov, en passant een zijdelingse blik op de Scandinavische literatuur: als íets duidelijk wordt in het eerste nummer, dan is het wel dat Morriën hoog inzette. Maar, om wat te bereiken?

 

Dat, in de woorden van de oprichter zelf, was ‘eenvoudig en kan in weinige woorden worden gezegd: liefde en belangstelling wekken voor de buitenlandsche literatuur en deskundige voorlichting verstrekken bij den stroom van geschriften, die ongetwijfeld eenmaal uit den vreemde ons land zal binnenvloeien.’

 

Het is hem gelukt. Vijfendertig jaar lang.

 

Een literair tijdschrift oprichten dat openlijk zegt ‘deskundige voorlichting’ te willen verstrekken (alsof we het zelf niet snappen!) – om de liefde en interesse voor buitenlandse literatuur te stimuleren: wie doet zoiets nog?

 

Het lijkt, kunnen we met de woorden van Couperus constateren, een van de dingen die voorbijgingen.

Een groep redacteuren met het 100ste nummer van Litterair Paspoort in het Carltonhotel in Amsterdam, 23 november 1956.

 

Blader hier door het eerste nummer van Litterair Paspoort uit 1946.