Simon Vinkenoog, de ogen en oren van Adriaan Morriën in Parijs: ‘Krijg ik binnen een week een Franse brief van je?’

In 1948 pakte Simon Vinkenoog zijn spullen en ontvluchtte het verstikkende Holland. Het zou het begin zijn van een onrustige, vruchtbare Parijse periode. John-Alexander Janssen leest de briefwisseling met Adriaan Morriën, voor wie Vinkenoog fungeerde als een soort literaire correspondent.

 

Het lijkt een simpele wetmatigheid: Parijs trekt kunstenaars. Althans, zo was het. Met een verblijf in Parijs voegden kunstenaars zich in een respectabele traditie, die al zo’n beetje na de Franse Revolutie begon, in de negentiende eeuw mede door de ontwikkeling van het spoornet werd bestendigd – dit gold zeker voor Nederlandse en Vlaamse kunstenaars: van Den Haag naar Parijs werd een dagreis – en ook later nog haar echo’s had (de schrijver van dit artikel kon de lokroep evenmin weerstaan).

 

‘Dwalen door Parijs. Het zal nooit ophouden heerlijk te zijn’ – Carmiggelt in Parijs

Lees meer

In die geschiedenis – Parijs als magneet voor kunstenaars – zijn het met name het interbellum en de jaren na de Tweede Wereldoorlog die tot de verbeelding spreken. De stad leek te gonzen en broeien van artistiek rumoer en talent. Literair gezien steekt het interbellum er bovenuit. Dat waren de jaren van Hemingway en F. Scott Fitzgerald, van James Joyce en Ezra Pound. Van Gertrude Stein en Djuna Barnes. De jaren van de verweesde generatie. 

 

Als het echter gaat om Nederlandse (en Vlaamse) kunstenaars, dan brachten de vijftiger jaren de rijkste oogst. Van Remco Campert tot Karel Appel (die begraven ligt op Père-Lachaise), Ed van der Elsken tot Lucebert, Hugo Claus (hij schreef er de roman De zachte vernieling over) tot Hans Andreus, tot de Jannen Wolkers en Cremer; allemaal verbleven ze voor korte of langere tijd in Parijs of kwamen er, zoals Carmiggelt en Reve, met regelmaat op bezoek. 

 

Maar er was er één die de sprong al eerder had gewaagd. Eén iemand, die de anderen vooruit was gegaan. Als een kwartiermaker. Over hem wil ik het hier hebben. 

 

In 1948, nadat hij er op twintigjarige leeftijd haast al een heel leven aan ervaringen op had zitten – hij maakte de oorlog mee, was net vader en had een huwelijk achter de rug (het zouden er zes worden) –, pakte Simon Vinkenoog zijn spullen en ontvluchtte wat hij ervoer als het verstikkende Hollandse sfeertje. Het zou het begin zijn van een onrustige, vruchtbare Parijse periode.

 

 

Simon Vinkenoog in Parijs, 1951. Foto: Henny Riemens / collectie Literatuurmuseum

 

 

Hij vond een baantje bij Unesco, richtte een eenmanstijdschrift op (Blurb), stond model voor de kunstenaar Ossip Zadkine, publiceerde dichtbundels, stelde de beroemd geworden bloemlezing Atonaal samen (met werk van dichters die bekend zouden worden als de Vijftigers), schreef twee romans en publiceerde in allerhande bladen, niet in de laatste plaats in het in 1946 door Adriaan Morriën opgerichte Litterair Paspoort, vrijplaats voor buitenlandse literatuur. 

 

Vinkenoog, zo blijkt uit de briefwisseling die de twee enige jaren met elkaar onderhielden, zou een soort literaire correspondent worden voor het tijdschrift. Een verkenner, ook voor de beeldende kunsten. Kortom, de ogen en oren van Morriën in Parijs. Meer nog, misschien. 

 

‘Beste Simon, Krijg ik binnen een week een Franse brief van je? (...) Doe je nog wat anders? (...) Ik vind je nog altijd een aardige jongen,’ schreef Morriën zijn verslaggever op 11 oktober 1953. En ook: ‘(...) wij moeten elkaar, zodra ik tijd heb, veel of geregeld schrijven, en van onze plannen op de hoogte houden. Ik stel mij daar veel van voor, bij wijze van wederzijdse aanvulling en kritiek (...). Veel aardigs, Adriaan.’ 

 

Wat die kritiek betreft meende hij het. Zelf nam hij alvast een voorschot (5 december 1953). 

 

‘De Bezige Bij liet me je manuscript [in 1954 verschenen als Zolang te Water] lezen. Na de paar bladzijden die je mij ervan had laten lezen (...) viel het me reusachtig mee; ook ‘taalkundig’. Ik vind het veel beter dan het boek van Hans [Andreus], dat ik in april in de treinen hier las en dat voor mij een vervelend literair bijsmaakje had. Het leek zo vanzelfsprekend, maar was zo geforceerd. Dat had ik eerder van jou verwacht en dat bleek nu juist anders te zijn. Het is een aandoenlijk en zuiver werkje, in je eigen slordige toontje, dat mij soms irriteert, maar dat hier een soort eigen stijl is geworden (...). Maar tenslotte blijft het boek aan de oppervlakte. Ik zeg dat niet bijwijze van bezwaar. Integendeel (...). Psychologische diepgang, uitvoerige karakterbeschrijving had het geheel waarschijnlijk bedorven (...). Zou je mij heel gauw een uitvoerige brief voor het Litt. Pasp. kunnen sturen?’ 

 

 

V.l.n.r.: Simon Vinkenoog, Tony Swaanswijk-Koek, Rudy Kousbroek, Vinkenoogs vriendin Rory Hamburger en Lucebert in Parijs, 1952. Foto: collectie Literatuurmuseum

 

 

Per ommegaande kwam het antwoord.

 

‘Als mijn stijl je niet bevalt, moet je dat zeggen (...). Wat je vroeger las toen je hier was, was vanzelfsprekend het allerslechtste, als ik namelijk mensen stukken uit onvoltooide manuscripten laat lezen, is het altijd het meest beroerde deel, dan kan het bij lezing van het geheel alleen maar beter gewaardeerd worden (...).’ 

 

Gekrenkt? Venijnig? Wellicht. Vinkenoog had over waardering niet te klagen: ze kwam, en naarmate hij ouder werd in steeds bredere kring. Vinkenoog, die het artistieke experiment zijn leven lang omarmde, verzot als hij was op de poëzie, de muze die hij als een bezetene diende. Vinkenoog, die nog met Allen Ginsberg door de straten van Amsterdam wandelde, en die zich tot het einde toe bleef vernieuwen (nog vlak voor zijn dood werkte hij samen met Spinvis). Die in 2004 officieus werd verkozen tot waarnemend Dichter des Vaderlands. 

 

In 1956 deed hij wat haast alle kunstenaars vroeg of laat met Parijs doen: haar verlaten. Samen met zijn vriendin Suzanne Lecointre (‘zijn zesde en laatste Parijse liefde’, aldus Diederik Stevens in Hoogtij aan de Seine: Nederlandse schrijvers en kunstenaars in Parijs) vestigde hij zich in Amsterdam, dat toen aan het opleven was. Voor de verhuizing bestonden – zoals altijd – praktische redenen. Om Stevens te parafraseren: het boterde niet echt met de Parijzenaren, Frankrijk was verzand in een koloniaal conflict in Algerije dat in toenemende mate zijn weerslag had op het moederland en er was een verhuizing aanstaande van Unesco, waar Vinkenoog weinig trek in had. 

 

Maar misschien voorvoelde hij toch ook wel wat er ten slotte zou gebeuren: naar Parijs, om het met Joost Zwagerman te zeggen, ga je niet meer voor de toekomst. Naar Parijs ga je voor het verleden. 

 

Daarmee had Simon Vinkenoog weinig op. 

 

 

V.l.n.r. Simon Vinkenoog, Hugo Claus, Elly Overzier, Ferdi Tajiri, Bert Schierbeek en Hans Andreus in café Le Mabillon in Parijs, circa 1950. Foto: collectie Literatuurmuseum